Vierhonderd jaar grachtengordel: De fictieve bewoners

‘Ik woon in Wáááágeningen’

Iedereen weet dat je de hardwerkende Nederlander niet in de grachtengordel aantreft. Daar leven ze op subsidies, luisteren ze Bach en kijken ze neer op de rest van Nederland. Toch?

Medium hh 18185682week35 groot

Wie wil er nou in godsnaam bij de grachtengordel horen? Geert Wilders in ieder geval niet. Toen hij tijdens het debat over de crisismaatregelen in 2009 een perfect mediamomentje creëerde door samen met zijn partij uit de Kamer weg te lopen, had hij zijn zondebok al paraat: de bezuinigingen van het kabinet vielen niet uit ten faveure van ‘de hardwerkende Nederlander’, maar ‘de Postcode-kanjer viel op de complete grachtengordel met onbeperkt geld voor subsidiekunstenaars die schilderijen maken die je je ergste vijand nog niet toewenst’.

Jan Marijnissen dan? No way. In het voorjaar van 2012, met de verkiezingen op komst, zei hij dat zijn SP geen partij wilde uitsluiten, maar dat ze toch wel héél weinig zag in een samenwerking met GroenLinks: ‘Het is een grachtengordelpartij, geleid door hoogopgeleide mensen die geen oog hebben voor mensen die anders in het leven staan.’

En dat terwijl Femke Halsema in een Volkskrant-_interview jaren eerder al eens had benadrukt dat zij dus écht niet zo was, hoor: ‘Ik erger me ontzettend aan het beeld dat ik iemand van de grachtengordel zou zijn. Ik heb jarenlang in cafés gewerkt, ook fulltime, en dat is bepalend geweest voor wie ik later ben geworden. De sociale handigheid, het _streetwise zijn.’ Streetwise, inderdaad. Want canalwise bestaat nu eenmaal niet.

Wil de pvda bij de grachtengordel horen? Als kandidaat-voorzitter zei Hans Spekman dat zijn eerste wapenfeit zou zijn de huur van het partijkantoor aan ‘die rare Herengracht’ op te zeggen: ‘We moeten van ons grachtengordelimago af.’ Wouter Bos, als vice-premier, wist dat de aanval de beste verdediging was en speelde de bal door; niet wij zijn grachtengordel, maar zij:d66 is een heel elitaire partij. De kloof tussen hoog- en laagopgeleiden dreigt zich in dit land verder te verdiepen. De pvda wil die kloof overbruggen, maar d66 gaat gewoon aan de kant van de hoogopgeleiden staan. Hun verhaal is puur gericht op de grachtengordel.’

Alexander Pechtold dan? Tijdens de Algemene Beschouwingen van twee jaar terug wierp premier Mark Rutte de d66-fractieleider voor de voeten een vriendje van de grachtengordel te zijn. Pechtold reageerde ogenblikkelijk: ‘Ik woon in Wáááágeningen.’

Wat een verachtelijk clubje mensen moet je zijn als niet één politieke partij direct met je geassocieerd wil worden. Wat een verschrikkelijke moraal moet op die paar vierkante kilometer gelden dat alle leidende politici zich van je distantiëren.

We hebben het, voor de goede orde, over een kleine twaalfduizend man die er daadwerkelijk wonen. Postcodes 1014 tot en met 1017. De 7033 geregistreerde inwoners van grachtengordel-west, de 4274 van grachtengordel-zuid. In west is de gemiddelde woningwaarde 552.000 euro, in zuid 535.000, tegenover een landelijk gemiddelde van 232.000. Volgens het cbs hebben ze een gemiddeld besteedbaar inkomen per huishouden van een kleine vijftigduizend euro, tegenover een kleine dertigduizend nationaal. 38 procent is tussen de 45 en 65 jaar oud en 64 procent alleenstaand. Er staan 310 motoren in de grachtengordel geregistreerd, het aantal huisdieren is onbekend, maar iedereen weet dat er meer kattenliefhebbers wonen dan hondenliefhebbers – honden zijn socialer, vrolijker, katten zijn solisten, met hun kille blik. En er zijn ook nog eens minder sterfgevallen dan in de rest van Nederland: jaarlijks vier (zuid) en vijf (west) doden per duizend inwoners, tegenover zeven voor de rest van Nederland.

Voor verdere vergelijking: in Bloemendaal is de gemiddelde woningwaarde meer dan zes ton en is het besteedbaar inkomen per huishouden bijna 55.000 euro. En Bloemendaal heeft tienduizend inwoners meer. Toch wordt er in de Tweede Kamer zelden ruzie gemaakt over van wie ‘Bloemendaal’ is: natuurlijk omdat dat onomstotelijk vaststaat (in 2012 stemde 46 procent vvd), maar ook omdat Bloemendaal niet staat voor een sociale klasse met een bijbehorende mentaliteit (terwijl het dat wel is), zoals de grachtengordel dat wél doet.

Zo ging dat al voordat de term ‘grachtengordel’ überhaupt een term was. In de achttiende eeuw lieten Betje Wolff en Aagje Deken in een van hun romans een personage foeteren: ‘O Heer, ik ken die rijke en verstandige vrouwen, die als zij op de Heeregraft, of Binnenamstel geboren zijn, denken, dat een braaf burger meisjen alleen goed is om haar te dienen.’De term zelf raakte pas een eeuw later in gebruik, schrijft historicus Boudewijn Bakker in het binnenkort te verschijnen nieuwe Grachtenboek. Hij komt naar alle waarschijnlijkheid bij de katholieke voorman Andreas Ignatius Schaepman vandaan, die in 1867 het zeventiende-eeuwse Amsterdam toezong als ‘fiere, heerlijke Amstelstad, die de schatten eener wareld in uw grachtengordel vat’.De kranten namen de term over, aanvankelijk in meervoud als ‘de grachtengordels’.

Critici konden de rijkdom niet los zien van de mentaliteit van de bewoners. In het toentertijd toonaangevende blad De Nieuwe Gids schreef de linkse liberaal Pieter Lodewijk Tak over de deftige manier van vrijwilligerswerk die door de grachtengordelbewoners werd verricht, die even goedaardig als vernederend was doordat de bewoners goedkoop ‘een homp brood en een kop koffie’ aan de minderbedeelden gaven, ‘in de onmiddellijke nabijheid van Amsterdam’s spreekwoordelijk rijke “bocht van de Heerengracht”’.Hiermee bedoelde Tak natuurlijk de Gouden Bocht, nu vooral betrokken door dandy-advocaten, die in de zeventiende-eeuw al was vastgelegd in het beroemde schilderij van Gerrit Berckheyde dat nu in het Rijksmuseum hangt. Boudewijn Bakker wijst op Cornélie Huygens’ roman Barthold Meryan uit 1897, met daarin ‘dien bekrompen aristocraat, die neerziet op een ieder, die niet in de Bocht van de Amsterdamsche Heerengracht geboren is, met een millioen of wat in zijn wieg!’

Multatuli zal in het woord ‘grachtengordel’ een link naar ‘de gordel van smaragd’ hebben gezien, zoals hij Nederlands-Indië noemde. Hij kon de rijkdom van de grachten niet los zien van het foute geld dat uit de koloniën Nederland binnenstroomde, omdat ‘de Keizersgracht en Heerengracht is aangelegd van ’t geld der “edele” W.I. compagnie’.Met andere woorden, toen ook al stonden de grachtengordelbewoners ofwel voor oud geld ofwel voor fout geld.

De werkelijkheid is dat wanneer het over de grachtengordel gaat, het zelden om een fysieke plek gaat. We hebben het over ‘De bocht in de Herengracht’ zoals Gerrit Berckheyde (1638 -1698) die schilderde in 1671-72: de imposante huizen van de patriciërs baden in het zonlicht, de straten zijn verstild, bijna uitgestorven. Tussen enkele van de huizen vallen gaten, ‘als in een gehavend gebit’ (Harry Mulisch) en daardoor valt het felle licht nog meer op. De blauwe hemel wordt gereflecteerd in het bevroren water – terwijl we best weten dat het water toen als open riool waarschijnlijk te vuil moet zijn geweest om de lucht zo mooi te spiegelen. Berckheyde’s bocht is mooier dan de werkelijkheid.

Ook als politici de term ‘grachtengordel’ in de mond nemen gaat het om fictie. Het is een signaalwoord voor uit de heup schietende debaters die willen refereren aan een ivoren-torenmentaliteit waar iedereen direct een voorstelling bij heeft. Het soort mentaliteit van bewoners die zich uitsluitend om zichzelf en de buren bekommeren, zich ver weg wanend van de rest van Nederland. Het is niet alleen van Mozart houden, maar ook neerkijken op de Toppers. Het is niet alleen Jonathan Franzen meenemen op vakantie, maar ook niet begrijpen waarom iemand Saskia Noort zou lezen. Het is je kinderen op vioolles stoppen in plaats van op judo, het is klagen over de NS, maar nooit met de trein reizen. Het is entitlement, het is niet willen weten hoe geprivilegieerd je bent, het is een berichtje als dit in de Volkskrant: ‘Een maand geleden verhuisde Ed Nijpels met zijn vrouw Elsbeth van het Friese dorp Dijken naar de Amsterdamse Prinsengracht. Het verbouwen, plannen, wachten, duwen, trekken en klauwen met geld betalen ging nog wel, dat hoort erbij, maar van 1000 naar 265 vierkante meter gaan? Een drama, anders kan hij het niet noemen.’

Je hoeft er Funda niet op na te lopen om te weten dat je voor 265 vierkante meter aan de Prinsengracht meer betaalt dan dat nationale gemiddelde van 232.000 euro.

Maar Ed Nijpels daargelaten, de term refereert aan een veronderstelde mentaliteit, niet een daadwerkelijke mentaliteit. ‘Grachtengordel’ is voor de gebruiker van de term een verzamelnaam voor iedereen die leeft in een wereld van privileges. Je hoeft niet in de grachtengordel te wonen om tot de grachtengordel te behoren. Alexander Pechtold kan zijn hele leven in Wageningen wonen en toch ‘grachtengordel’ zijn. Het is een krachtterm voor politici die ‘de Ander’ willen neerzetten. De negatieve connotatie van de term heeft net zo veel te maken met een onderdrukt minderwaardigheidscomplex van de persoon die hem gebruikt als dat het aan een daadwerkelijk superioriteitsgevoel van die twaalfduizend bewoners refereert.