Ik word dom (1)

Als jongetje was ik altijd geïnteresseerd in televisie. Ik ben nog uit de tijd dat een voetbalwedstrijd op televisie werd bekeken door een etalageruit van een radio- en televisiewinkel.

Mijn oom was uitvinder bij Philips en daarom had mijn familie al in de jaren vijftig een televisietoestel. Ik heb nog herinneringen die stammen uit 1957. Een kamer vol visite. Mijn grootouders en overgrootmoeder zaten vooraan in een donkere kamer te kijken naar het apparaat. Er werd bier, brandewijn en cognac gedronken. Voor de jongeren was er lauwe ranja. Er was sigarenrook en ik herinner me een delfts blauw bord waarop in ham gerolde koude asperges, in salami gerolde augurken en kaasblokjes met gember lagen. Televisie zou ons wijzer maken; de cultuur werd nu pas echt gedemocratiseerd, de mogelijkheden waren schier onbeperkt. Mijn oom de uitvinder, ook specialist in atomen (hij sprak regelmatig met Einstein) legde uit dat hij in Amerika een film had gezien waarin de relativiteitstheorie werd uitgelegd. ‘Moet je voorstellen’, zei hij, 'als wij die film hier uitzenden, weet heel Nederland in één keer wat de relativiteitstheorie is. Studenten zijn daar in Leiden soms een jaar op aan het studeren.’ Oom had ook een blindedarmoperatie gezien die door televisiecamera’s was geregistreerd. We zouden straks allemaal chirurg kunnen worden. De televisie zou op scholen gebruikt kunnen worden. Je hoefde de leerlingen niet te vertellen hoe het in Afrika was, je kon het laten zien. In die tijd, mogelijk in 1963, spaarden wij op onze Lagere School voor een zogenaamde Schoolradio. Er zijn drie journalisten die ik ken die zich dit moeten herinneren: Tom Rooduijn van NRC Handelsblad, Oscar Garschagen, hoofdredacteur van Vrij Nederland en Johannes van Dam van Het Parool; ik herinner mij hun tekeningen die zij van de schoolradio hadden gemaakt. De media in dienst van de cultuur. Radio en televisie zouden ons wijzer maken. Wijzer: ik lig als kind in bed en luister naar een hoorspel. Het is het stuk Romeo en Julia van Shakespeare. Ik kende dat verhaal al, want ik bezat daar ook de Illustrated Classic van. Een paar maanden later werd het stuk op de televisie vertoond. Hoewel ik er niet zo veel van begreep (taal was te moeilijk) was ik er toch trots op dat ik het had gezien. Ik was namelijk vanzelf wijzer geworden zonder dat ik er voor diende te leren, want daar had ik een hekel aan. Oom had gelijk: radio en televisie maakten je op een makkelijke manier wijzer. Die schoolradio kwam er, en ik herinner mij dat we met de hele klas verkeersles via de radio kregen. Achteraf gezien een beetje een blunder. Want verkeersles is bij uitstek iets wat je in de praktijk moet krijgen. Maar toch, ik herinner me een keihard remmende auto en ik zag meteen dode klasgenootjes voor me, of mijn ouders die in een autowrak lagen. Toch kun je achteraf stellen dat hiermee ook de invloed van de radio werd bewezen. Ik had wel eens eerder een remmende auto gehoord, maar daarvan was ik nooit zo geschrokken als toen bij die schoolradio-uitzending. Ondertussen maak ik zelf televisieprogramma’s. Ik leer een nieuwe grammatica, want televisiemaken is als het leren van een nieuwe taal. Er zijn wetten en regels en televisiemaken is eigenlijk iedere keer beslissen of je je aan die wetten en regels houdt of juist niet. Zo'n 35 jaar na mijn eerste televisie-ervaring durf ik de stelling aan dat het kijken naar televisie (en het luisteren naar de radio) je dommer maakt. Of laat ik het anders zeggen: het veelvuldig luisteren en kijken naar televisie remt eerder de culturele ontwikkeling dan dat het die stimuleert. Hierover volgende week meer.