Ik word dom (13)

Recenseren is een moeilijk vak. Je hebt verstand van zaken nodig; je moet enige inhoud hebben, je moet kunnen lezen - en je moet overtuigend kunnen schrijven.

In de jaren zeventig en tachtig was ‘een eigen mening’ belangrijk. Columnisten en recensenten hoorden 'een eigen mening’ te hebben. Die mening moest het liefst zo fel mogelijk worden opgeschreven. Vlak voor de Wende in '89 had ik een Russische journalist op bezoek. Ik vertelde hem wat een columnist was, wat ik deed, hoe onze persvrijheid werkte, enzovoort, enzovoort en Sacha luisterde aandachtig. Hij was het in alles met mij eens, maar mijn visie over 'opinions’ deelde hij niet. 'Een mening is wel het goedkoopste journalistieke product’, zei hij, 'het is net pis; als je niks te drinken hebt, kun je altijd nog pis drinken.’ Ik zei tegen hem dat in Rusland het hebben van een eigen mening volgens mij verboden was. Dat was wel waar, maar dat nam niet weg dat iedereen een eigen mening had. Het schelden en tieren op papier was een grote kunst in Rusland; Sacha zocht in de Russische kranten juist naar stukken waarin eens niet werd gescholden. 'Ik weet al jaren dat niemand deugt, iedereen slecht is, behalve de partij en dat de schoften, klieren, misdadigers, beulen en potentaten vooral voorkomen onder schrijvers en journalisten.’ Wat hij in het Westen vooral bewonderde was de 'positiviteit’, de nuance van het debat, de beschaafdheid van de opinie - hij begreep niet dat twee politici met een tegenovergestelde mening zo rustig met elkaar voor de Nederlandse televisie in debat konden gaan. Ik moet de laatste tijd vaak aan Sacha denken. Ik word gek van de meningen. Referendum, Bijlmer-enquête, Veronica die mensen wil opsluiten, kindercrèches, het verdedigen van cultuurgoed, wapencontroles op scholen, magazines bij kranten, overlevingskansen van kleine blaadjes, de studie Nederlands, Internet, de verhouding Eerste en Tweede Kamer, jeugdcriminaliteit - ziedaar de onderwerpen van de stukjesschrijvers. Ik doe er zelf hartelijk aan mee - en niet zelden ben ik zelf het slachtoffer van de opinievorming. Meningen, meningen, meningen. Het maakt niet meer uit wat een mening is. Zelfs de vorm van de mening maakt niet meer uit - en vooral daar maak ik me zorgen over. Vroeger zei je dat een mening niet meteen juist of onjuist hoefde te zijn, 'als hij maar goed geschreven is’. Tegenwoordig zijn alle meningen wel min of meer goed geschreven. Vroeger hoopte je op persoonlijke rancune in de polemiek, op gram dat werd gehaald. Ach, iedereen heeft wel eens iets met iemand gehad. De man die mij onlangs het hardst in een christelijke krant aanviel, praat niet met zijn vrouw over mij - en ik weet waarom. De waarde van een mening bestaat bij de gratie van argumentatie en formulering. Maar ook met die argumentatie is er altijd iets loos. Wie ooit een boek over argumentatietheorie heeft ingekeken weet dat er zoveel schijnargumenten zijn die nauwelijks van echte argumenten te onderscheiden zijn dat argumenteren nauwelijks zin heeft. Nee, de mening is decadent geworden. Het is allemaal waar en niet waar - het is allemaal wel best. De nazi’s van '41 - de Albanese Kosovaren die zich achter Hitler stelden - nemen we nou op in ons asielzoekerscentrum, wat je kunt zien als een subtiele manier van wraak. Het maakt allemaal niets uit. Een lang geheugen, een kort geheugen. Ik ben erg tegen etnische zuiveringen, want ik ben bijvoorbeeld zelf nog nooit - ik herhaal nog nooit! - aangevallen zonder dat mijn uiterlijk op een of andere manier in de polemiek werd betrokken. Etnisch heeft voor mij iets met uiterlijk te maken, met racisme. De consequentie is dat ik door die mening nu moet aanzien hoe Belgrado, wat ik een mooie stad vond, wordt vernietigd. Meningen blijk je ook te kunnen bombarderen tot ze poeder zijn geworden.