Ik word dom (14)

In de jaren zeventig toonden wij, jonge studenten, aan dat de literaire wereld een grote, zichzelf feliciterende vriendenkliek was; men prijsde elkaar letterlijk en figuurlijk. Nu eens kreeg Hugo Claus een fraai zilveren bord en een goed gevulde envelop, dan weer kreeg Harry Mulo een bronzen plaquette en een aardige giro-overschrijving.

Thans, twintig jaar later, is er niets veranderd. Het literaire prijzencircuit is afhankelijk van een gedegen netwerk. Het is een teken van cultureel verval. Harry Mulo krijgt een prijs en vervolgens vraagt het CPNB hem het boekenweekgeschenk te schrijven. Gefeliciteerd! Er is geen schrijver die zich hiertegen verzet! Integendeel. Iedereen vindt het prachtig. Binnenkort maakt een aantal schrijvers weer een ronde door de wereld; zij trekken van ambassade naar ambassade om aldaar ten overstaan van Nederlanders in het buitenland hun kunstje te vertonen. De ene helft van die schrijversbende bestaat uit auteurs die de andere helft aan prijzen en goede recensies heeft geholpen; verder dwarrelen er twee plagiators tussen; ziedaar onze culturele schat die we aan het buitenland tonen. In de televisiewereld is het niet anders. Tot mijn stomme verbazing hoorde ik Paul de Leeuw bij Barend en Van Dorp kwetteren dat hij Cornald Maas van de Volkskrant zo'n goede recensent vond. ‘Maar dat is toch een goede persoonlijke vriend van je?’ zeiden Barend en Van Dorp. 'Inderdaad’, zei Paul, 'maar Cornald heeft veel verstand van televisie en kijkcijfers en dergelijke.’ Nu denk ik zelf dat Paul de Leeuw tien keer meer verstand van televisie heeft dan Cornald Maas. Ik heb (bijna) alle stukken van Maas uitgeknipt, en uit niet één stuk blijkt dat televisieverstand. Mooie shots, een bijzondere regie, een uitzonderlijke montage - het valt hem niet op. Wat hem wel opvalt is dat Hanneke Groenteman zo goed is - van dat programma was Cornald trouwens redacteur! Cornald lijkt te kijken met een blindengeleidehond die getraind is op rancune, wat allemaal best is, als het niet werd opgeschreven in een soort menukaartenproza. We zijn zo corrupt als de kolere, alleen sommigen zijn daar eerlijker in dan anderen. Zeker, ik ken Theo van Gogh goed; ik vind zijn programma’s schitterend. En Van Gogh helpt mij door mijn scenario’s te verfilmen. Ook ik ben niet zonder zonden, en ik zal er zeker meer hebben dan anderen. Dat doet niets af aan de constatering dat de mening - ik schreef het vorige week al - failliet is. Het gezag heeft men gekregen als een presentje van een hoofdredactie, maar ontleent men niet meer aan eigen kwaliteit; niet meer aan de kunst van het kijken. Men klaagt over al die seksprogramma’s op televisie, wat net zoiets is als somberen over het slechte weer. Er is nog nooit zo veel aandacht voor de jeugd geweest, maar de jeugd laat het op het ogenblik zitten in hun streven naar carrière en hun zucht naar roem. Daarom zijn er geen literaire bladen meer waarin sprake is van enig verzet, daarom zijn er geen nieuwe uitgeverijen meer van mensen die het niet meer pikken, daarom zijn er nauwelijks jonge programmamakers die de kans krijgen. Daarom is het cabaret zielloos en nietszeggend geworden. Waar zijn de vreemde ideeën? Waar zijn de gekken? Waar is de strijd tegen de gezapigheid? Wie heeft nog moed? Waar is de persoonlijkheid die eens zegt: dit doe ik niet! En dan niet denkt aan zijn eigen carrière, maar dat roept omwille van zijn eigen eigenwijze ideeën? Wie durft armoede te bestrijden in het besef zelf armoede deelachtig te worden. Wie kiest er voor de eenzaamheid?