Ik word dom (15)

Ik ben al over de helft, maar ik heb er nog wel zin in. Gisteren kreeg ik een ‘mededeling’ van mijn vriend Peter en zijn vrouw Janine. In 1974 studeerde Peter rechten, en na mijn pedagogische academie probeerde ik Nederlands te studeren. Peter werd advocaat. Hij gaat nu zijn praktijk verkopen, want hij is binnen. Hij wil niet meer werken.

Ik belde hem. ‘Peter, doe niet zo lullig, vertel nou hoeveel geld je hebt.’ 'Kan ik echt niet precies zeggen, maar ongeveer zo'n vijftien miljoen.’ 'Geef mij daar een miljoen van, Peter.’ We lachten beiden maar weg dat ik het meende. Peter heeft een vrouw die razend aantrekkelijk is en die hij - in de kroeg - 'mijn nymfomane’ noemt, om daarmee aan te tonen dat hij ook seksueel niets te kort komt. Hij heeft twee kinderen, een zoon en een dochter, en beiden beginnen dit jaar een universitaire opleiding: de een wil dokter worden, de ander econoom. En toch weet Peter niet hoe hij zijn leven moet inrichten, volgens mij. 'Wat ga je doen met al dat geld.’ 'We hebben toch een huisje in Frankrijk. Daar ga ik zitten.’ 'Maar wat ga je daar doen?’ 'Ik denk een boek schrijven.’ 'Waarover?’ 'Dat weet ik niet. Misschien wel een roman of een thriller.’ Ik weet dat Peter al twintig jaar een boek wil schrijven, maar ook dat hij dat niet kan. 'Over dat boek doe je een jaar. Wat ga je daarna doen?’ vraag ik. 'Ik weet het niet. Janine en ik willen niet zoveel.’ Het zijn antwoorden die mij tot razernij aanzetten. Als ik de telefoon heb opgehangen probeer ik te analyseren waarom ik toch zo vernederend jaloers ben. Rationeel (bestaat dat woord nog?) kan ik min of meer overwegen dat ik moet relativeren, maar het lukt me niet. Ik wil huilen - terwijl ik weet dat het onzin is, omdat ik namelijk wel weet hoe ik mijn dagen moet vullen, waarbij het zelfs niet uitmaakt of ik miljonair zou zijn of niet. Ik kan zinvol leven, verdomme! En toch barst ik van de afgunst en de zelfhaat en is mijn dag verpest. Vijftien miljoen! En elke dag wordt mijn zelfmedelijden groter - en mijn omgeving beweert steeds regelmatiger dat ik ongenietbaar egoïstisch ben. Hoe vaak hoor ik niet: 'Hou op met zelfbeklag!’ Peter hoort dat nooit; die wordt door iedereen aardig gevonden, en is nu binnen, met vijftien miljoen! En nu verkoopt hij de boel ook nog eens een keer en gaat hij stil leven met dat lekkere wijf van hem, terwijl hij niet weet hoe hij leven moet. En ik wel! Die gedachten gaan maar niet uit mijn hoofd. 'Je komt toch wel op ons feestje, hè?’ vroeg Peter. 'Natuurlijk’, hoorde ik mezelf zeggen. 'Leuk. We hebben een fantastische band gehuurd. De Rolling Stones…’ 'De echte?’ vroeg ik nog. 'Tuurlijk niet, ha ha ha… Zo rijk ben ik ook niet. Het zijn look-a-likes, maar zo geweldig. Nee, we gaan een knallend feest geven.’ Ik kan Peter niet eens haten, maar helder verklaren waarom ik door zijn verhalen mezelf haat, kan ik ook niet, al zeg ik duizendmaal tegen mezelf dat ik geen mislukkeling ben. Vijftien miljoen! Is geld dan zo belangrijk voor je? Ja, ja, ja! ’s Middags kwam mijn dochter van zestien, die Peter kent. Ik vertel over de vijftien miljoen. En ik hoor mezelf zeggen: 'Peter weet niet hoe hij zijn leven moet inrichten. Dat zie je wel vaker bij rijke mensen. Die weten dat niet. Ze kunnen alleen maar geld maken, maar iets wezenlijks doen, iets zinvols, daartoe zijn ze niet in staat.’ En omdat mijn dochter niet voldoende naar mij luistert, ga ik voort: 'Dat is misschien wel de belangrijkste vraag in het leven: hoe leid ik een zinvol bestaan?’ 'Niet door te ouwehoeren, denk ik’, zegt mijn dochter. Dan vertrek ik naar de keuken om boterhammen voor haar te maken. Eigenlijk was ik toen - daar in de keuken - gelukkig. Geniet hiervan, geniet hiervan! scandeerde ik tegen mezelf. Maar de nijd en de afgunst kwamen weer opzetten, en ik kon er niets tegen doen.