Ik word dom (2)

Mijn stelling van vorige week luidde: het veelvuldig luisteren en kijken naar televisie remt eerder de culturele ontwikkeling dan dat die wordt gestimuleerd.

De argumenten die ik hiervoor heb, zijn deels goedkoop en bekend. Goedkoop en bekend: wat er wordt uitgezonden is flut en banaal. Een ander argument is dit: wat er aan zogenaamde culturele programma’s wordt uitgezonden, stoot een culturele interesse eerder af dan dat hij die enthousiasmeert. Neem het literaire programma Zeeman met boeken. Ik heb daar geen enkel bezwaar tegen. Ik kijk er met genoegen naar en ik heb voor iedereen bewondering. Soms koop ik een boek dat daar wordt besproken. Maar - en ik weet ondertussen heus wel iets van televisiemaken af - ik word niet substantieel geestelijk rijker van dit programma. Ik hield namelijk al van literatuur, en als Zeeman de boeken niet onder de aandacht had gebracht, had mevrouw Schutte of mijnheer Doorman wel over deze boeken in De Groene of de NRC geschreven, waarin ze meer en beter over de auteur en de geschriften kunnen uitweiden dan op televisie. Het programma voegt wel iets toe, maar is in wezen beperkt wat betreft de informatie-overdracht. Zeeman met boeken is voor mij aardig, maar het is geen televisie. Daarmee bedoel ik dat de mogelijkheden die televisie biedt niet worden benut. En daarom is het amusement - voor mij, en de rest van ons, die kleine elite van liefhebbers. Je komt nu terecht in een vreemde paradox: hoe meer je van die televisiemogelijkheden gebruik zou maken, hoe minder informatie je kwijt kunt. Een voorbeeld kan dit illustreren: wanneer mijnheer Zeeman alleen mevrouw Schutte of alleen mijnheer Doorman over één boek zou vragen, zou je als kijker al veel meer te weten komen over dat boek dan wanneer vier mensen over vier of vijf boeken spreken. Maar dan moet je als kijker wel heel erg geïnteresseerd zijn in mijnheer Zeeman, mevrouw Schutte (of mijnheer Doorman) en dat ene boek. Dat gesprek met vier critici is meer ‘televisie’ maar minder informatie. Hoe groter het massamedium, hoe minder informatie je op den duur krijgt. De mogelijkheden van het medium televisie als informant zijn namelijk beperkt. Nog een voorbeeld ter illustratie. Radio is al sneller dan televisie, en een krant kan veel breder zijn wat betreft de informatie, gemeten naar de tijd. Zeven minuten lezen geeft meer informatie dan zeven minuten televisie. Zeven minuten radio geeft eveneens meer informatie. Televisie geeft andere informatie! Terug naar Zeeman met boeken: ik weet iets over die boeken die worden besproken (minder dan ik uit de krant zou kunnen halen) maar ik weet ook iets over Zeeman, Schutte, Doorman en de andere gasten. Hoe ze praten, hoe ze denken. Het vreemde van televisie is dat zulke informatie bijna per defintie interessanter wordt dan de informatie over het boek. Dat komt omdat televisie een beeld geeft dat beweegt. Het boek beweegt niet, de mensen wel. Het boek praat niet, de mensen wel. Mijn aandacht gaat naar de beweging, de essentie namelijk van televisie. Televisie wordt als informatievoorziener overschat en niet goed gebruikt, luidt daarom mijn volgende stelling. Dat komt omdat het beeld weliswaar meer informatie suggereert, maar in wezen beperkt is. Beperkt namelijk tot het beeld dat het geeft. Dit kwam tot uiting in de Bijlmerenquête. Op het rampgebied had men een camera gezet, zodat men in het Rampcentrum op het stadhuis kon zien wat er gebeurde. Wat zag men daar? Dit: dat er NIETS gebeurde - men ging af op het plaatje. Dus nam men de beslissing: de lijken moeten sneller geborgen worden. Een verkeerde beslissing. Had men de camera iets anders gericht, dan waren er ook andere beslissingen genomen. Hoe zou televisie wél als juiste informatievoorziener gebruikt kunnen worden? Daarover volgende week meer.