Ik word dom (4)

Een schrijver wil iets met een boek, een filmer wil iets met een film, een dichter iets met een gedicht, een beeldhouwer met een beeld. Wat dat ‘iets’ is, is nooit eenduidig; het valt uiteen in verschillende componenten. De kunstenaar wil bijvoorbeeld geld verdienen én de wereld veranderen én laten zien dat ‘het noodlot alles bepaalt’ én hij wil dat de mensen van zijn kunst genieten. Iedere kunstenaar wil weer iets anders door middel van zijn product. Cultuur zou je kunnen samenvatten als de verzameling van al die ‘ietsen’.

Je kunt een boek schrijven of een beeld maken, maar als daar niet op een of andere manier op wordt gereageerd, heb je er niets aan. In de verzameling van alle drijfveren en motieven van de kunstenaar die we net ‘cultuur’ hebben genoemd, moet dus ook de reactie daarop van recensenten, wetenschappers, essaysisten, publiek worden meegenomen. De cultuur heeft invloed. Omdat sommige culturele producten meer invloed hebben dan andere. Een speer, een geweer, een kanon en een bom zijn welbeschouwd producten van onze cultuur; we zetten ze, als we ze niet meer gebruiken, in een museum. Een bom heeft, wanneer het gaat om het wel of niet vernietigen van mensen, vaak meer invloed dan een gedicht. Een gedicht kan weer meer invloed hebben op het liefdesleven van de mensen dan een bom. Televisie is ook een fraai invloedrijk cultuurproduct. Veel mensen zien het, veel mensen reageren er dus op. Maar zoals elk cultuurproduct heeft het zijn eigen wetten. En als je ergens wetten hebt, heb je ook te maken met beperkingen. Televisie kan je dingen laten zien, horen en voelen. Maar er zijn beperkingen aan wat de tv kan laten zien, horen en voelen. Een televisieprogramma is een cultuurproduct, maar een televisieprogramma over cultuur is net als een schilderij dat iets wil beweren over de beeldhouwkunst. Dat zou in theorie wel kunnen, maar de mate waarin dat geslaagd is, hangt af van de schilder. Zo hangt de kwaliteit van een programma over kunst en cultuur erg af van de programmamaker. Nog even terug naar de schilder. Ik leerde op de middelbare school dat de Guernica van Picasso 'iets’ zei over de Spaanse burgeroorlog. Maar wat? Die Spaanse burgeroorlog speelde zich af in 1936. Ik weet dat er in oorlogen veel zaken fout gaan; veel paarden gaan dood, en mensen ook, niet te vergeten. Iedereen lijdt. Die Spaanse burgeroorlog is afgelopen, het commentaar is min of meer overbodig geworden, wat rest is het schilderij, de manier waarop Picasso alles in beeld heeft gebracht. De zeggingskracht is verschoven. De invloed eveneens. In een televisieprogramma over de Spaanse burgeroorlog is de Guernica hoogstens een illustratie; in een programma over Picasso zal het schilderij meer gebruikt worden om bijvoorbeeld de manier van schilderen en denken van Picasso te laten zien, terwijl in een programma over de Guernica nog meer aspecten van Picasso’s schilderkunst aan bod zullen komen. Maar of het goede programma’s zijn is, zoals gezegd, afhankelijk van de televisiekunstenaar die zijn eigen vorm, zijn eigen talent en zijn eigen cultuur moet aanspreken. Aan de televisiemaker als kunstenaar wordt zelden aandacht besteed. Dat komt omdat je televisie nooit alleen maakt, maar met een presentator, een regisseur, cameramensen, een schakeltechnicus, een decorbouwer en, niet in de laatste plaats, gasten. Wie in een televisieprogramma het meest de aandacht trekt, zal de meeste invloed uitoefenen. Neem een fantastisch cameraman als Frans Bromet. Niemand kent zijn 'gasten’, iedereen zijn camerawerk. Maar wie weet wie de regisseur is van Henny Huisman en wie er daar achter de camera’s staan? Wie is populairder? Henny Huisman of Frans Bromet? Wie oefent de meeste invloed uit? Volgende week meer over de beperkingen van de televisie.