Ik word dom (5)

Wanneer televisie informatie geeft, geeft hij tegelijkertijd ‘andere’ informatie. Er breekt oorlog uit. In beeld komt Generaal Winkelmans ons uitleggen wat er aan de hand is: de Belgen willen ons dood hebben, we gaan Brussel bombarderen. Wat wil ik weten? Of we die oorlog gaan winnen, natuurlijk. De generaal kan daar niets over zeggen, hij moet alles nog even geheimhouden. Feind Belg hört mit.

Omdat ik toch wil weten of we gaan winnen of niet, ga ik af op wat ik van generaal Winkelmans zie: raar klein mannetje, nerveus, hij heeft een tic bij zijn oog, hij spreekt lijzig, z'n bril is half beslagen - nee, die oorlog kunnen we wel vergeten! De Amerikanen schieten ons te hulp. Nu komt de Amerikaanse generaal Hautkopf in beeld: stoer, hij praat met gevoel voor humor, maakt drie Belgenmoppen, knipoogt naar ons - ik zie hem en wil ook in het leger. Ik laat mij met een taxi naar het front brengen. Of nee, erger, want ik ben namelijk intellectueel: ik wantrouw de Amerikaanse generaal en pleeg zelfmoord want ik zie geen oplossing. Omdat televisiemakers dit weten, zoeken ze naar mensen die het ‘goed doen’ in beeld. Maar dat is een misverstand. Want wie doet het goed? Op den duur iedereen. Je kunt stotteren, platpraten, mismaakt zijn, één oog hebben - op den duur pikken we alles. Ware dat niet zo, dan zouden fenomenen als Theo van Gogh en Menno Buch, maar ook Henny Huisman en Ivo Niehe niet bestaan. Het misverstand 'dat je het goed moet doen in beeld’ komt voort uit een vorm van een beschavende opvatting die we allang hebben verlaten. Toen televisie namelijk net begon, meenden de bazen dat je superbeleefd moest zijn. Je moest ABN spreken, een pak aan hebben, je haar moest kort geknipt zijn en je moest de minister aanspreken met excellentie en je sprak hem nooit tegen. Wie de macht van het medium televisie leerde kennen, begreep dat je soms niet beleefd moest zijn, dat je moest schokken. Zo ontstond de VPRO. Toen kwam de commercie, en nu zie je dat wie wil 'scoren’ dat het best kan doen door zo ouderwets mogelijk te zijn. Joop van den Ende maakt goede televisie: het zijn de spelletjes in de huiskamer van 1958 met veel licht erop, of het zijn de weergaven van de dromen uit de Leesmap van 1963 toen we nog echte filmsterren hadden. Wie kijkcijfers wil halen roept: 'Emoties! Emoties! Emoties!’ Maar men vraagt zich nooit af wat die 'emoties’ precies zijn en welke emoties men precies bedoelt. Televisie is inderdaad een medium dat fantastisch 'emoties’ weergeeft, maar alleen 'extreme emoties’. (Wat is 'emotie’ toch een vreselijk woord.) Zelfs een klein gevoel wordt door de televisie groter, want je kunt met een camera heel dichtbij komen. Wie onsympathiek is, wordt nog onsympathieker. Wie lacht, lacht breed. Wie huilt, huilt of hij intens verdriet heeft. Dat is televisie. Maar voor genuanceerde gevoelens is televisie veel te beperkt. Wat is een gevoel? Waar zit dat? Waar bestaat het uit? Nuances zijn niet in beeld te brengen. Waarom niet? Omdat een nuance pas gezien wordt door de omgeving, door een achtergrond, een achterkant te kennen. De genuanceerdheid van een Zwitsers horloge zie je als je de wijzerplaat weghaalt, of hem van achteren openmaakt. De genuanceerdheid van een krant zit hem in de achtergrondverhalen of de verhalen die de krant meer dan andere geeft. Nuances zijn niet eigen aan de mogelijkheden van televisie. Nuances nemen namelijk tijd, nuances nemen ruimte, nuances scoren niet, nuances zijn gevoelloos. Televisie is dus een medium dat 'decadentie’ in de hand werkt. Verval is namelijk altijd dramatisch, altijd vol gevoel, vol 'emotie’. Televisie is decadent geworden. Over wat dat betekent volgende week meer.