Ik word dom (8)

Ook de camera kent retorische principes. Retorische principes vereisen, zoals we weten, kennis van de grammatica.

In Nederland is daar betrekkelijk veel over geschreven, maar nooit iets mee gedaan. Ik noem een boek als De Orpheus-machine van Ron Kaal dat ik al zo'n tien jaar in mijn bezit heb. Kaal onthult iets over de betekenis van de beelden die we zien. Nu zou je denken: die Kaal wordt door een invloedrijke krant of een machtig tijdschrift gevraagd om televisie te kijken en daar verslag van te doen. Hij heeft ongetwijfeld verkeerde meningen, maar hij kan die op zijn minst met kennis beargumenteren. Is niet gebeurd. Ik geloof zelfs dat er in Nederland niet één recensent rondloopt die het boek van Kaal in zijn boekenkast heeft staan. In Nederland wordt niet gerecenseerd. Er worden leuke verhaaltjes verteld, of er worden politieke meningen gevormd door stukjeskrabbelaars. Gekeken wordt er niet, althans ze laten niet merken dat ze enig verstand van het maken van televisie hebben. Nergens is de mediaverslaggeving zo slecht als in Nederland. We stikken van de hoogleraren ‘communicatiewetenschappen’ maar wat die te berde brengen communiceert nooit! Hebben de hoogleraren communicatiewetenschappen wel eens een televisieprogramma bedacht en gemaakt? Hebben ze wel eens onderzoek gedaan naar het reilen en zeilen van Joop van den Ende? Zijn ze ooit nagegaan wat de communicatieve eigenaardigheden zijn van Paul de Leeuw? Weten ze iets van televisieverslaggeving in oorlogstijd? Hebben ze ooit een onderzoek gedaan naar de goede en slechte nieuwsbronnen tijdens de Golfoorlog? Ik kan makkelijk een lijst met honderd vragen opnoemen waar de communicatiewetenschap zich mee zou moeten bezighouden, maar niet doet. Theorieën en analyses blijven achterwege, evenals lezenswaardige kritiek daarop; je kunt met wetenschappelijke zekerheid beweren dat hoogleraren communicatiewetenschappen zakkenvullers zijn. Een willekeurige journalist die een paar jaar in het vak zit, kan een aantal studenten beter onderwijzen in de communicatiewetenschappen dan de huidige generatie Nederlandse hoogleraren. Wat weten we - wetenschappelijk gezien - over televisie? Niks. Althans niet in vergelijking met wat Joop van den Ende weet, of Paul de Leeuw. Die communiceren. Wie weet de juiste regels voor het ontleden van de grammatica? Terwijl ik dit schrijf is er een 'onverwachte oorlog’ aan de gang. Een oorlog die eigenlijk net zo plotseling is ontstaan als de Eerste Wereldoorlog. Op dezelfde plek. Acht weken geleden wist ik nog niet van een oorlogsdreiging. Ik zie een land dat overstroomd wordt met vluchtelingen. Ik zie nieuws dat overstroomd wordt met vluchtelingen. 'De camera raakt uitgeput’, schreef ik vorige week. We kunnen niet closer, we kunnen niet meer tranen in beeld brengen; elke regie aan het leed doet alleen maar afbreuk. Maar toch moet je wat. Afgelopen maandag, tweede paasdag, zag ik op de BBC een schitterend shot: een pan in de miezerige lucht - heel langzaam, heel traag. Dus je zag eigenlijk niets. Misschien was de cameraman aan het 'witten’. Het shot bleef en bleef maar op de lucht gericht waar iets onmerkbaars bewoog. Toch zag je dat die beweging constant was - en in dezelfde trage beweging zag je opeens bovenkanten van hoofden - onafzienbare rijen met hoofden, steeds duidelijker: vrouwen, kinderen, duizenden en duizenden - en in hetzelfde tempo schoof de camera langs huilende vrouwen en kinderen tot hij, na enige tijd juist bij een kind stopte dat niet huilde, maar ook daar ging het weer weg en schoof het beeld door naar zijn voetjes; aan de ene voet zat een sokje, aan de andere niet. Dat niet-gesokte voetje werd omklemd door een jonge-vrouwenhand. Zo'n shot bedoelt Roland Barthes als hij het heeft over de Retoriek van het Beeld.