‘Ik word gek als muziek niet chromatisch is’

De controverse over de Reinbert de Leeuw-biografie van musicologe Thea Derks is een storm in een glas water. Een oerfatsoenlijk boek. Maar Derks verkeek zich op de gevoeligheid van haar onderwerp.

Medium cover reinbert de leeuw   mens of melodie

Gefascineerd las ik het boek dat de geportretteerde schokte, de Reinbert de Leeuw-biografie van musicologe Thea Derks. Volgens De Leeuw staat het vol fouten. Dat lijkt me overdreven. Het is zorgvuldig gedocumenteerd, de leesbaarheid wordt niet geschaad door een tsunami van details, de strekking is gepast genuanceerd. Mens of melodie is een gedegen portret van de dirigent, pianist, publicist, programmeur en bestuurder die als pleitbezorger van twintigste-eeuwse muziek een indrukwekkend stempel drukte op het Nederlandse muziekleven na 1960.

Derks, geen spannende stiliste, heeft een kunstige spagaat gemaakt. De schaduwzijden van een monomaan en explosief karakter worden niet verdoezeld, de harde kern van zijn verdiensten blijft onaangetast.

Zonder De Leeuw was de Nederlandse ensemblecultuur nimmer zo groot geworden en was de structurele subsidiëring van Nederlandse componisten in de kiem gesmoord. Het repertoire-aanbod op binnen- en buitenlandse podia was aanzienlijk schraler geweest zonder zijn zendingswerk voor Charles Ives, Erik Satie, late Liszt, Mauricio Kagel, Olivier Messiaen, Galina Oestvolskaja, Sofia Goebaidoelina, Louis Andriessen, Claude Vivier, John Adams, György Kurtág en György Ligeti. Hij was de meest invloedrijke figuur binnen de Nederlandse muziekcultuur, toen we die nog hadden.

Een van de sterkste punten van het boek, al denkt De Leeuw daar anders over, is dat het gaat over waar het volgens hem over moet gaan: muziek. Over zijn levenslange obsessie met de laatromantiek in het eindstadium van de tonaliteit, voor muzikale grenssituaties überhaupt, voor de in zijn helden bewonderde drang ‘het onmogelijke zegbaar te maken’. Uitvoerig belicht Derks zijn identificatie met componisten waar De Leeuw, zelf ongelovig maar gevoelig voor het absolute, zich met maniakale onverbiddelijkheid voor heeft ingezet. Voor de veeleisendheid van Kurtág, Ligeti, Kagel en Messiaen buigt De Leeuw met nederige hartstocht. Het is geen geheim dat zijn deemoed kan verkeren in enorme razernij naar dwarsliggers die de zuiverheid van zijn bedoelingen of het gehalte van zijn repertoire in twijfel trekken, of in retorisch destructief dédain naar componisten die zijn taal niet spreken. De door Derks beschreven confrontaties met zijn critici spreken voor zich. Dit boek schenkt ons, kortom, de hele man. Of niet?

Leggen wij de loftrompet terzijde voor reflectie op de vraag wat tussen hem en de auteur zo mis kon gaan dat hij de uitgave aanvankelijk succesvol tegenhield. Het is nogal wat dat uitgeverij De Bezige Bij zich vorig jaar bij zijn contractueel gefaciliteerde veto neerlegde, waarna het boek afgelopen maand als een donderslag bij heldere hemel ongeautoriseerd verscheen bij de Amstelveense uitgeverij Leporello. Het tegenoffensief dat De Leeuw vervolgens onder meer via Het Parool lanceerde, als een wesp gestoken door de eerste en zeer gunstige recensie van het boek, maakt geen overtuigende indruk. Ik sla niet steil achterover van de ‘ongelooflijke flaters’ en dito ‘lacunes’ die De Leeuw als munitie opvoert.

Allereerst plaatst De Leeuw ernstige vraagtekens bij de uitspraken van Derks’ gesprekspartners. Hij heeft ze vast gebeld om te vragen of ze het echt allemaal zo hebben gezegd, en deze of gene zal zijn teruggekrabbeld, ze hadden niet de dalai lama aan de lijn. Aan mijn eigen quotes in het boek mankeert intussen niks en als auteur op parallel terrein acht ik het gros van de citaten geloofwaardig. Verbolgen constateert De Leeuw daarnaast dat Derks zijn langdurige vriendschap met Harry Mulisch ‘nauwelijks aan de orde’ heeft gesteld – ik vind het meevallen – en orkestprogrammeur Piet Veenstra (‘zeer belangrijke man voor me geweest’) buiten beschouwing heeft gelaten. Hij is onaangenaam getroffen door een hoofdstuk over zijn liefde voor de televisieserie Peyton Place. ‘Ze heeft geen idee wat camp is. En geen idee wat de jaren zestig inhielden. Het is hilarisch. En zo zijn er nog talloze andere voorbeelden te geven.’

Medium hh 20624799

Dat zal. Alleen: hij noemt ze niet. Waardoor toch het gevoel blijft hangen dat de klager over de rug van zijn biografe spijkers op laag water zoekt om andere, gevoeliger bezwaren uit het zicht te houden. De lezer vangt er in het Parool-_gesprek een glimp van op. Derks, zegt De Leeuw, ‘heeft dingen die in mijn leven ongelooflijk pijnlijk zijn geweest met _hear-say commentaren afgedaan’. De voornaamste pijnbron zal wel hoofdstuk 1 zijn. Dat gaat over zijn jeugd als zoon van Kees en Dien de Leeuw, allebei psychiater in Amsterdam, beiden belangwekkende figuren. Kees is manisch-depressief, net als zijn vader, die in 1909 zelfmoord heeft gepleegd. Nadat hij in 1946 is ontslagen als geneesheer bij de Amsterdamse Valerius Kliniek wachten hem zeven trieste laatste jaren. In 1952 wordt zijn huwelijk ontbonden, in 1953 bezwijkt hij tijdens een slaapkuur in Den Dolder aan een hartverlamming.

Daarna zijn Reinbert en zijn twee broers meer dan halve wezen. Zijn ambitieuze moeder – workaholic als haar zoon – is zo uithuizig dat de jongens thuis op de Koninginneweg aan hun lot worden overgelaten. Vier jaar na haar ex overlijdt ook zij, aan kanker. De herinneringen liggen bij De Leeuw uiterst gevoelig. Aan het lot van zijn vader, schrijft Derks, wordt hij ‘liever niet herinnerd’. Men kan het zich voorstellen. Wat een verschrikkelijk verhaal. Moeten we het kennen?

Reinbert de Leeuw is de meest invloedrijke figuur binnen de Nederlandse muziekcultuur

Ik lees met dubbele gevoelens. Als schrijver van een autobiografisch boek over mijn ouders kan ik moeilijk anderen de maat nemen over hun publicitaire inmenging in privé-zaken. Toch weet ik niet of ik dit van een ander over mijn eigen jeugd had willen lezen. Ik zou met recht denken: wat weet jij ervan, was je erbij? Maar ik houd staande dat de biografe weinig keus had. In het levensverhaal van een obsessieve, conflictrijke persoonlijkheid als De Leeuw wordt de vraag naar psychologische verklaringen acuut. Of ze een antwoord heeft gevonden is een tweede.

Derks heeft zich met gepast verantwoordelijkheidsgevoel van haar taak gekweten. Ze bezondigt zich niet aan ongeoorloofde gevolgtrekkingen, reikt niet pretentieus boven haar macht. Soms dreigt het weliswaar even die kant op te gaan – ‘zo lijkt Reinbert in de muziek de veilige haven te vinden die hij als jongen zo deerlijk miste’ –, ze stereotypeert De Leeuw niet als geval. De duiding laat ze aan getuigen die het ook niet weten, maar die er naar menselijke maat een goedbedoelde slag naar slaan.

Is het gek dat De Leeuw ‘lange tijd’ bang was ‘net als zijn vader manisch-depressief te worden’? Is het onlogisch dat het thema orde in een dermate ontworteld leven dwingender op de agenda staat dan bij een zondagskind? Is het vreemd dat vrienden en vijanden hem vanuit dat perspectief diagnosticeren, als een man op de vlucht voor (chaos) en op jacht naar (houvast)? Alle getuigenissen onderstrepen het: entweder – oder. ‘Hij was in alles vreselijk gedreven en eiste van iedereen een totale inzet, ook wat betreft de vriendschap. Je was zijn vriend of niet, dat zwart-witdenken zat er toen al in.’ Voor componisten geldt hetzelfde: ze zijn prutsers of heiligen. Je voelt de _Reader’s Digest-_diagnose aankomen: ‘Die bezetenheid wortelt in zijn verleden (…)’

Nog verder gaat Edo de Waart: ‘Reinberts ouders gingen uit elkaar toen hij jong was en stierven ook nog vroeg. Als kind voel je je dan onherroepelijk in de steek gelaten en word je bang voor menselijk contact (…)’ Ook De Waart noemt de muziek voor de celibatair levende De Leeuw ‘een veilige haven’, waar hij volgens weer anderen als een monnik rondwaart, hartelijk en genereus voor intimi, ‘driftig’ of ‘vreselijk dwingend’ in repetitieruimten en vergaderzalen, met uitgesproken opvattingen die hij met immer subjectieve drang verabsoluteert. ‘Ik word gek als muziek niet chromatisch is.’

Maar word je chromaticus of vrijgezel van een verschrikkelijke jeugd? Wat een kunstenaar maakt is niet per definitie wat hij is of wat hem vormde. Misschien is er helemaal geen verklaring. Een man die druk is leeft alleen of is alleen omdat het in zijn solitaire aard zit, de oorzaak kan complex zijn of verpletterend eenvoudig. Wat nou psychoanalyse? Der Mensch ist ein Abgrund. Of het raadsel van zijn oppervlakte.

Wat die veilige haven betreft: die heeft De Leeuw in de jaren zestig juist verlaten om zich aan de publieke zaak te wijden. Zijn doorbraak als pianist in het Stedelijk Museum met controversieel repertoire, zijn pleidooien voor de anarchistische muziek van Charles Ives, zijn betrokkenheid bij de Notenkrakers-actie en medewerking aan de notenkrakersopera Reconstructie maken hem als ‘spreekbuis van de protestgeneratie’ tot de zendeling die stiekem siddert voor zijn openbare missie; voor concerten sterft hij kettingrokend duizend doden. De grootste barrière voor de analyse van zijn type is de discipline. De Leeuw buigt voor Messiaen, maar niet voor zijn angst. Hij wordt wat hij wil.

Dat De Leeuw ‘dirigent uit noodzaak’ wordt, en als autodidact, is in de geest van Schönbergs opvatting dat kunst van moeten komt, haven of geen haven. Bij de ad hoc-ensembles en het Schönberg Ensemble, die onder de vleugels van het Koninklijk Conservatorium Den Haag ontstaan, leert hij het vak met vallen en opstaan aan de hand van repertoire dat geen debutant had aangedurfd, Schönberg en verder. Zijn techniek wordt matig genoemd, maar fluitist Govert Jurriaanse acht hem ‘een van de grootste musici ter wereld’ door de ontvankelijkheid voor zijn spelers en zijn opofferingsgezindheid naar de componist. ‘(…) Reinbert is de verpersoonlijking van de dienstbaarheid.’

Wat De Leeuw over zijn eigen werk zegt en zijn besluit het componeren op te geven kennen we van interviews, hij is een man van mantra’s. Zijn ‘neiging tot bewondering’ voor anderen, herhaalt hij, blokkeert het scheppen. ‘Als uitvoerder is dat mijn kracht, maar als componist is het mijn zwakte.’ Waarom hij decennia later toch naar het componeren terugkeert, verklaart hij met de zin die geen verklaring is. ‘Ik heb nog altijd grote twijfels, maar de drang om iets te zeggen is sterker.’ Die drang heeft in 2013 tot een groots werk geleid, Der nächtliche Wanderer. Hij is helaas voor biografen onverklaarbaar. Daarin lijkt het stuk op dit gedegen boek: het roept meer vragen op dan antwoorden. Maar we weten nu iets beter waar de deur op slot zit.


Thea Derks - Reinbert de Leeuw: Mens of melodie. Leporello, 382 blz., € 29,90

Beeld: Reinbert de Leeuw, 2013. Gevoelig voor het absolute (Jorgen Caris/HH).