Ik word partijvoorzitter

Zoals ik al enige tijd geleden heb voorspeld - toen iedereen nog tegen bom barderen van Kosovo was - zijn er thans Servische concentratiekampen ontdekt.

Zoals ik vorige week eveneens voorspelde zijn de Albanese Kosovaren begonnen met wraak onder het verheffende motto ‘Alle Serviërs dood’. Genoten heb ik van Buitenhof waar men een verstandige Ser viër en een domme Koso vaar met elkaar liet praten. De Serviër wees fijntjes op de wraak van de Albanese Kosovaren zoals die op CNN te zien was geweest. Uiteraard zei de Albane se Kosovaar dat CNN loog - nog geen twee maanden geleden hoorden we in Bui tenhof een Servische zaak gelastigde in Nederland vertellen dat CNN propa ganda bedreef en loog. Toen Buitenhof was afgelopen, ging ik naar mijn dochter. Het was mooi weer. Mijn dochter en ik gingen de stad in. Ik kocht een broek van honderdzeventig gulden en een jasje van driehonderd vijftig gulden. Mijn dochter wilde schoenen, en die vond ik best betaalbaar, dus ik was een lieve pappa: tachtig gulden. Pappa had trouwens trek, en we gingen naar McDonald’s want dat is nooit duur. We namen twee cheeseburgers en twee medium frietjes. Daarna liepen we naar huis via de videotheek waar ik twee films huurde. Terwijl we aan het kijken waren, wachtten we op oma, want die zou bij ons komen eten. 'Hoe was je week?’ vroeg mijn moeder. Ik legde haar uit: twee begrafenissen van leeftijd genoten, mijn elektrische piano - waarop ik al mijn mooie Reve-liederen heb gecomponeerd - is onher stelbaar kapot, twee free lanceklussen gaan niet door wat me volgend jaar toch dertigduizend piek scheelt en mijn subsidieverzoek voor de film is afgewezen. 'Maar je bent tenminste gezond en er is geen oorlog’, beurde moeder op. Klopt. Waar worden mensen depressief van? Van het feit dat ze alle reden tot klagen hebben, maar dat niet mogen. Ik vroeg aan mijn dochter of ze het een angstige tijd vond. 'Nee, helemaal niet. Jij dan?’ 'Ja, ik wel’, zei ik. 'Je vader is altijd angstig’, zei mijn moeder. Ik schudde mijn hoofd. Ik krijg dat Berlijn 1933-gevoel niet uit mijn hoofd. Ik doel daarbij in het bijzonder op een foto die ik ooit heb gekocht in Londen. Je ziet Unter den Linden in 1933: auto’s, cafés, licht, gezelligheid, drukte. Iedereen blij - en nu waarschijnlijk al lang doodgebombardeerd of omgekomen in de kampen. En is de troep van deze eeuw ook niet aan het eind van de vorige eeuw op de Balkan begonnen? Ik zeur er maar niet over. 'Henk Westbroek heeft een nieuwe partij opgericht’, zegt mijn dochter. Ze weet dat ik Henk Westbroek een aardige jongen vind. Maar die partij… Die naam: Leefbaar Nederland. Het is zo'n nationaal-socialistische naam. En daar naast: als het ergens in de wereld leefbaar is, dan is het wel in Nederland. Ik weet niet wat ik erover moet denken. Straks word ik lid van die partij omdat ik Henk niet wil teleurstellen. (Max Blokzijl en Pisuisse.) Ik mag meteen van Henk - want hij vindt mij ook aardig - een functie bekleden. Ik word partijvoorzitter. De partij krijgt 46 zetels, en opeens ben ik minister van Defensie in het kabinet Jan Nagel 1, want ik heb zulke uitgesproken ideeën over bombarderen. Ik loop de hele dag in mijn Leefbaar Nederland-uniform rond en begin de Volkskrant te verbieden, want Pieter Broertjes heeft een brief ondertekend aan presidente H. Clinton om mij desnoods met bombardementen uit het zadel te lichten. Jan Nagel weigert het akkoord van Utrecht te ondertekenen. Holbrooke scheldt ons allemaal voor rot, maar Jan en ik houden voet bij stuk. Het is bijna mijn finest hour. Dan gaat de sirene en ik hoor dat de eerste bommen vallen op het Media-terrein in Hilversum. Ik ben gelukkig.