‘Ik wou Gents, Oostends, Kortrijks horen’

In zijn hele werk laat Hugo Claus zijn leven resoneren. Maar dan vermomd in beelden, citaten en allusies. En cruciaal voor zijn schrijverschap was ondergedompeld worden in zijn eigen taal.

Vlamingen en Nederlanders spreken min of meer dezelfde taal, dan ligt het voor de hand dat ook beide literaire werelden min of meer één geheel vormen. Dat is ook wel zo, zeker officieel, maar toch: met de nadruk op min of meer. De verschillen tussen de Vlaamse literaire wereld en de Nederlandse springen de literaire grensganger onmiddellijk in het oog, in het bijzonder als het gaat om de wederzijdse waardering van auteurs, zoals recentelijk nog maar weer eens bleek bij de tienjarige herdenking van de sterfdag van Hugo Claus. In Nederland heerste de stilte van het kerkhof; in Vlaanderen kon het niet op, met Claus-avonden, krantenartikelen en polemiek, met geheel aan de meester gewijde literaire tijdschriften, met mooie overzichtstentoonstellingen in Brussel en Antwerpen.

En natuurlijk was dit dé gelegenheid voor Claus-kenners om met nieuwe boeken over de tomeloze artistieke duizendpoot te komen. Daarvan mogen er op z’n minst twee de lezer niet onthouden worden: Het verdriet staat niet alleen, een originele verzameling Claus-verhalen door Mark Schaevers en tevens een voorschot op zijn grote biografie, en, meer nog, Hugo Claus: Familiealbum, een biografie van Claus tot 1955 door Georges Wildemeersch, de man die in 1996 aan de Antwerpse universiteit het Studie- en Documentatiecentrum Hugo Claus oprichtte.

Misschien heeft de titel van laatstgenoemd, afgelopen voorjaar verschenen boek – ‘familiealbum’ – te bescheiden associaties opgeroepen om hier veel aandacht te trekken, alsof het om niet meer dan een verzameling kiekjes zou gaan. Die indruk wordt op het eerste gezicht ook wel bevestigd, Wildemeersch is eerder documentalist dan opzienbarend analist en interpreet, maar het zou jammer zijn als het bij vluchtig doorbladeren bleef. De documenten zijn meer dan illustraties bij een overbekend verhaal, sterker, ze vertellen een verhaal dat in menig opzicht haaks staat op de verhalen die Claus met zoveel graagte over zichzelf vertelde.

Dat begint al met de herkomst van een fors deel van de documenten. Blijkens een mededeling in het na- en dankwoord steunt Wildemeersch bovenal op het ‘persoonlijke knipselarchief’ van Claus. Je leest er makkelijk overheen, het lijkt een vanzelfsprekendheid. Maar wacht eens even, een knipselarchief? Was Claus niet die nonchalante improvisator die op een achternamiddag wat hij maar wilde uit zijn mouw schudde, de veelvraat die alles tegelijk kon, schilderen, dichten, filmen, die geen traan liet als hij per abuis een hele roman bij het vuilnis had gezet aangezien hij een paar weken later wel met een geheel nieuwe roman op de proppen zou komen, en die, misschien het meest tot de verbeelding sprekend, onderwijl nachtenlang met de meest begerenswaardige filmdiva’s doorzakte in de door broer Guido uitgebate Hotsy Totsy Jazz Club in Gent? Allemaal waar, met aftrek hoogstens van de overdrijvingen: als het woord ‘sprezzature’ op iemand van toepassing was, dan op deze Vlaamse levensgenieter.

Claus zei zo vaak dat hij geen autobiografisch schrijver was dat je welhaast moet geloven dat hij iets te verbergen had

Maar hoe is die zorgeloze creativiteit combineerbaar, vraag je je af, met zoiets boekhoudachtigs als ‘een persoonlijk knipselarchief’, met een maar liefst ‘vele duizenden bladzijden tellende verzameling van besprekingen, interviews en reportages’, door de auteur nauwgezet bijgehouden, alsook met de diverse voorbereidende werkschriften die hij aanlegde voor zijn familieroman Het verdriet van België, en niet te vergeten de ‘zeer openhartige (…) onuitgegeven gesprekken’ met Freddy de Vree, te vinden in een typoscript dat Wildemeersch de bijna als een requisitoir klinkende titel Feitenmateriaal heeft meegegeven? Huisde er in het fabuleergenie toch ook een waarheidlievende geest? Hield hij die boekhouding van zijn bestaan zo meticuleus bij uit angst straks door alle zelf verspreide mistgordijnen heen het zicht op dat feitelijke bestaan volledig kwijt te raken?

Vast staat dat Claus, hoezeer ook verknocht aan de improvisatie, allesbehalve een sloddervos was. Alleen al de vele handschriften die recentelijk in het Antwerpse Letterenhuis te zien waren, maken duidelijk dat hij zijn werk van meet af aan zeer serieus nam. Zijn vaak lange brieven, met de pen geschreven, ogen allemaal even verzorgd, net als zijn manuscripten, die hij tot het eind toe ook werkelijk als manuscripten inleverde. Claus was een begenadigd briefschrijver. Het boek van Wildemeersch bevat talloze brieven die dat bewijzen, sommige uit de vroegste fase van zijn schrijverschap, zoals een ontroerende brief van de vijftienjarige (het is november 1944) waarin hij de ‘krijgsauditeur’ verzoekt zijn gehate, wegens collaboratie met de Duitsers gevangen gezette vader voorlopig vrij te laten – ‘om toch zijn gezin uit de miserie te helpen’.

Er kan geen twijfel over bestaan, Claus was een joviale levensgenieter én een gedisciplineerde werker. Sommige boeken schreef hij in een vloek en een zucht (De eendenjacht, later omgedoopt in De Metsiers, ‘in een maand tijd’, Een bruid in de morgen in drie weken), andere hadden een lange incubatietijd. Dat geldt bovenal voor Het verdriet van België. Al in 1955 publiceerde hij in een verzamelbundel van diverse Vlaamse auteurs (die ook al Familiealbum heette) een uitvoerige ‘Bijdrage over de geschiedenis van mijn geslacht’, later opgenomen in de verhalenbundel Natuurgetrouwer en nu ook weer als ouverture in het boek van Schaevers, waarin Claus een niet erg vleiend, maar kennelijk nog te positief portret van zijn grootvader van vaders kant afsluit met het dreigement: ‘Hij leeft nog. Wacht maar, grootvader.’ Eind jaren zestig kwam het schrijven van de roman in een stroomversnelling; weer vijftien jaar later, toen hij verhalen en anekdotes nadrukkelijk met het oog op de roman ging verzamelen, maakte hij het dreigement aan de tirannieke grootvader waar, onder meer door hem vervroegd de dood in te jagen.

Toch was Claus geen autobiografische schrijver. Hij heeft dat zelf zo vaak en met zoveel klem gezegd dat je welhaast moet geloven dat hij iets te verbergen had. En dat had hij ook, letterlijk. Want hij putte wel degelijk en bij herhaling uit het eigen leven, soms, bijvoorbeeld in Een zachte vernieling, zelfs zozeer dat je bijna van een sleutelroman mag spreken. Zijn schrijverschap stond inderdaad in Het teken van de hamster, zoals zijn grote, meest experimentele en ambitieuze dichtwerk (uit 1963) heet, hij plunderde even makkelijk andermans teksten als de al dan niet apocriefe verhalen uit zijn familie- en persoonlijke geschiedenis. De hondsdagen en De koele minnaar, Omtrent Deedee en Het jaar van de kreeft, ze danken aan die plunderingen hun bestaan.

Of beter: hun ontstaan. Want dat is het cruciale verschil en de reden van Claus’ ontkenningen: hij had zijn eigen leven nodig als ‘springplank’, naar eigen zeggen, ‘maar mijn ego interesseert me niet als materiaal om over te schrijven. Let wel: soms kom ik onderweg mezelf wel tegen.’ Mark Schaevers citeert die zinnen in het nawoord van Het verdriet staat niet alleen. Dat Claus met Louis Seynaeve in zijn grootste roman een alter ego schiep, was algemeen bekend, minder bekend – maar zowel door Wildemeersch als Schaevers aannemelijk gemaakt – is het dat hij zijn hele schrijversleven teksten schreef waarin dat leven resoneert. Maar nooit één op één, voor de schrijver kwam het altijd aan op het verbergen van die levensfeiten, op de vermomming in beelden, citaten en allusies, op de vervreemding ervan in vormen die, hoe paradoxaal dan ook, indirect iets van de oorspronkelijke schok, het woordeloze verlangen, de primaire woede tastbaar maken.

Afkeer van het bekrompen Vlaamse bestaan had Claus in 1950 naar Parijs gedreven, waar hij bevriend raakte met Karel Appel, Corneille, Simon Vinkenoog, Bert Schierbeek, Rudy Kousbroek en andere uitgeweken Nederlandse en Vlaamse dichters en kunstenaars, vervolgens, in 1952, was hij in het spoor van zijn geliefde Ellie Overzier, de succesvolle filmactrice, naar Rome getrokken, voor drie jaar, tot hij ‘ineens, alsof ik wakker werd op een vreemd eiland’, besefte dat hij weg moest, ‘toen pas’ drong het tot hem door dat iedereen rondom hem ‘hard en ongegeneerd (…) een vreemde taal’ sprak. We lezen het in het oerkomische verhaal Te Gent.

Voor zijn schrijverschap was ondergedompeld worden in zijn eigen taal noodzakelijk, dat hij daarmee opnieuw in de onverkwikkelijkste familiegeschiedenissen belandde nam hij op de koop toe – of liever: Claus moet hebben geweten dat hij zonder die geschiedenissen afgesneden was van de evenzeer gehate als geliefde omgeving die hem van literaire zuurstof moest voorzien. ‘Ik hou veel van Rome. Van de Italianen. Zo iets is gunstig voor een tijdje. Maar ik hoorde een weerklank rondom mij die niet van mij was. Ik wou Gents, Oostends, Kortrijks horen…’

Hoe verstandig het besluit om terug te keren was, zou snel blijken. Nog in 1955 vond de première plaats van zijn eerste (overigens al in 1953 geschreven) avondvullende toneelstuk, het destijds shockerende, want incestueuze familiedrama Een bruid in de morgen, door het Rotterdams Toneel in de regie van Ton Lutz; anderhalve maand later volgde de Franse première in Parijs met Jean-Louis Trintignant in de rol van Thomas. Eveneens in 1955 publiceerde hij zijn geniale, baanbrekende Oostakkerse gedichten. De ‘Italiaanse’ roman De koele minnaar volgde een jaar later. 1955 is ook het jaar waarmee Wildemeersch zijn Familiealbum afsluit, niet onlogisch. De vrijgevochten autodidact Claus, na vijf jaar terug op vertrouwde bodem, amper 26 jaar oud, staat aan het begin van een unieke carrière.