Indonesië en de genocide van 1965

‘Ik zag de rivier rood gekleurd’

In november buigen deskundigen, rechters en aanklagers zich in Den Haag over de massamoord op ‘communisten’ na hun vermeende coup in 1965 tegen Soekarno. ‘Hiermee willen we de Indonesische overheid dwingen onderzoek te doen.’

Medium indonesie2

‘Of ik een communist ben?’ Dr. Go Gien Tjwan (1920) heeft me zojuist binnengelaten in zijn woon- en werkkamer in Amstelveen, waar alleen zijn initialen op de deur staan en op de mat twee avondkranten liggen. ‘Dat werd me ook gevraagd tijdens mijn verhoor na de coup van 1965. “Ik ben Chinees”, antwoordde ik toen.’ Het stempel van communist weigert hij nog steeds. ‘Ik was en ben nog steeds links, oftewel niet-conservatief wat betreft onderwijs en gelijke rechten. Maar associeert u mij vooral niet met de pvda’, haast hij zich te zeggen. ‘De geschiedenis herhaalt zich. Diederik Samsom heeft zich overgegeven aan de vvd, destijds in 1947 had Drees een hoop boter op zijn hoofd. De rooms-rode coalitie was verantwoordelijk voor de Eerste Agresi Militer, die jullie’ – hij steekt zijn wijsvinger uit naar mij– ‘de Eerste Politionele Actie noemen, alsof het niet om een oorlog ging.’

Go, zoon van een Chinese handelaar in koffie, studeerde geschiedenis en werd in 1945 na de capitulatie van de Japanners en het begin van de onafhankelijkheidsstrijd actief lid van de Socialistische Partij in Malang op Oost-Java. Twee jaar later vestigde hij zich in opdracht van de partij in Amsterdam. ‘De studies politicologie en antropologie aan de universiteit waren mijn dekmantel, maar ik hield ook politieke toespraken voor de arbeiders, leden van de cpn, om de onafhankelijkheid van Indonesië te propageren.’

De jurist en niet-westers socioloog professor Wertheim was in het jappenkamp in aanraking gekomen met de ideeën van de onafhankelijkheidsbeweging en richtte de Vereniging Nederland-Indonesië op, met de communist Wim Klinkenberg als eerste en Go als tweede secretaris: ‘Voor ik het wist noemden ze me een communist.’

Na de soevereiniteitsoverdracht in 1949 richtte Go in Amsterdam de Nederlandse afdeling van het Indonesische persbureau Antara op om nieuws te verspreiden over het nieuwe, onafhankelijke Indonesië onder leiding van Soekarno. Hij was inmiddels afgestudeerd toen hij op een nacht in 1952 door twee rechercheurs van zijn bed werd gelicht. ‘Er werd geen reden voor arrestatie gegeven. Hoe ze waren gekomen, weet ik niet, maar ik heb ze met mijn eigen auto naar het hoofdbureau in de Marnixstraat gereden. Onderweg kwamen we de Indonesische ambassadeur Soenito tegen, te voet tussen twee rechercheurs in.’

Zijn lachende gezicht lijkt nog steeds het ongeloof van toen uit te stralen. ‘In de cel moest ik uit de krant vernemen dat ik stakende arbeiders, Indonesische schepelingen, van de Rotterdamse Lloyd zou hebben gefinancierd. Ik had de stakers inderdaad bezocht en, omdat ik geen geld bij me had, een symbolisch bedrag van één gulden gedoneerd. De Volkskrant noemde me “de vertegenwoordiger van de Republiek China”. Het waren de tijden van de Koude Oorlog.’

De cpn stelde nog Kamervragen, maar de historicus Jan Romeyn bracht zijn tropenpak alvast naar Go’s vrouw met de woorden: ‘Hij zal zeker verliezen.’ Drie maanden later werd Go tot persona non grata verklaard en werd hij, net als ambassadeur Soenito, uitgewezen.

In Jakarta toog Go opnieuw aan het werk voor persbureau Antara en zette hij zich in voor de Chinese organisatie Baperki die ijverde voor gelijke rechten voor de tot dan toe gediscrimineerde Chinezen. Tussendoor promoveerde hij in Brussel op de verhouding tussen de autochtone bevolking en de Chinezen in een dorp in de buurt van Jakarta. Het had alles te maken met het streven naar sociale gelijkheid in de Indonesische samenleving. Daar werd vanaf de nacht van 30 september op 1 oktober 1965 bloedig mee afgerekend.

Die nacht werd de linkse top van het leger, zes generaals en één adjudant, ontvoerd en vermoord. Gerechtelijk onderzoek naar de verantwoordelijken is nooit gedaan, het zou om een zuivering gaan binnen het leger. De communisten kregen de schuld in de schoenen geschoven, Soekarno moest terugtreden en Soeharto greep de macht en een maandenlange genocide en vervolging vond plaats jegens iedereen die communistisch zou zijn.

De machtsgreep overviel Go. ‘Ik wist alleen dat Soekarno meer en meer naar China neigde en dat de rechtse krachten binnen het leger zijn belangrijkste opponenten vormden. Een van de mogelijke coupplegers, overste Untung, tevens leider van de presidentiële garde van Soekarno en Chinees van origine, zou gesteund zijn door China. De datum 30 september 1965 viel samen met de verjaardag van de Chinese Volksrepubliek. Dus de hele westerse wereld geloofde dat de communisten de coup hadden gepleegd.’ De Chinezen vertegenwoordigden de middenstand in Indonesië en werden ook nog eens geassocieerd met de communistische Volksrepubliek, vervolgt Go. ‘De Chinezen zijn tot zondebok gemaakt. Klassentegenstellingen werden rassentegenstellingen.’

Hij werd ‘zonder opgaaf van reden’ op 7 december 1965 in Jakarta gearresteerd. Met drie mensen deelde hij een cel voor één persoon. ‘Onze hoofden pasten niet naast elkaar. Met het bloed van de luizenbeten schilderde een van ons de Garuda, het symbool van Indonesië, op de muur. Het licht bleef altijd aan, ook ’s nachts. We moesten een moestuin aanleggen met onze eigen uitwerpselen als mest. Op 11 maart 1966 liet een bewaker zich ontvallen dat Soekarno de macht had overgedragen aan Soeharto. Ik heb gehuild.’

Na drie maanden kwam hij plotseling vrij en kreeg een uitreisvisum voor hem en zijn gezin. Dankzij professor Wertheim, die al zijn contacten aanwendde voor een verblijfsvergunning, werd de voormalige persona non grata wetenschappelijk medewerker op het Instituut voor Moderne Aziatische Geschiedenis van de Universiteit van Amsterdam. Zijn baas van persbureau Antara, Adam Malik, de latere vice-president in de regering-Soeharto, haalde hem uit de gevangenis. Dat is na diens dood bevestigd. Go toont een foto van Malik en hemzelf in hun jonge jaren. ‘We hebben samen voor de onafhankelijkheid gestreden. We waren vrienden. Malik koos voor de Nieuwe Orde van Soeharto.’ Zijn blik blijft enige tijd rusten op de foto. ‘Het was pijnlijk.’

De coup van ’65 vond plaats midden in de Koude Oorlog. Wereldwijd stonden links en rechts tegenover elkaar, ook in Indonesië. Na de coup waren alle naar schatting twintig miljoen leden van de Partai Kommunis Indonesia (pki) verdacht, stelt mensenrechtenactivist Soei Liong Liem (1943). ‘Maar de pki was een paraplu waar verschillende vakbonden, beroepsverenigingen en vrouwenbonden onder vielen. Veel vervolgden waren lid van een vakbeweging en daardoor automatisch lid van de pki, zonder communist te zijn. Onder de noemer van de strijd tegen de pki zijn destijds vele conflicten binnen de Indonesische samenleving beslecht.’

Zelf studeerde Liem in Jakarta, maar hij zette zijn studie in Europa voort nadat het universiteitsgebouw in brand was gestoken. Hij werkte jarenlang voor mensenrechtenorganisatie Tapol in Londen om de politieke gevangenen van 1965 vrij te krijgen, vertelt hij in zijn Amsterdamse appartement, waarvan de wanden zijn bedekt met boekenkasten vol literatuur over Indonesië.

Dat het begrip communist voor velerlei uitleg vatbaar was, bleek bijvoorbeeld op Noord-Sumatra. Liem vertelt: ‘Daar was een erfenis uit het koloniale verleden. De Nederlanders brachten Javanen over naar Sumatra voor het werk op de rubber-, koffie- en theeplantages, omdat de inheemse bevolking – net als in Suriname – dat weigerde. De Javanen waren lid van de algemene vakbeweging, maar niet per definitie bewust lid van de pki. Eind jaren vijftig heeft Soekarno plantages en fabrieken die nog in Nederlandse handen waren genationaliseerd. Het resulteerde in een klassenstrijd tussen de arbeiders en grondbezitters. Die laatsten huurden het leger in om hun belangen veilig te stellen en de claims van de Javaanse arbeiders op landbouwgrond neer te slaan. De bezittende klasse had in de pki een alibi gevonden om de Javanen te vermoorden. Het was een economische en een etnische strijd.’

‘Bij gebrek aan anticommunisten ter plaatse hebben militaire commando’s op Midden-Java zelf complete dorpen uitgemoord’

Op Midden-Java was de omvang van de moordpartijen nog groter, vervolgt Liem. ‘Daar waren hele gebieden overtuigd communist en dat zag je ook terug in het bestuursapparaat. Bij gebrek aan anticommunisten ter plaatse hebben militaire commando’s zelf het heft in handen genomen en complete dorpen uitgemoord.’ Op Oost-Java lag het conflict weer anders. ‘Landeigenaren, vrome moslims, maakten de seculiere arbeiders uit voor ongelovigen en linkse communisten om hun macht over de grond te behouden. Het leger gaf de vrome moslims carte blanche met de woorden “sla erop los” en keek de andere kant op.’

Cisca Pattipilohy (1926) kan er niet over uit: ‘Zeker een half miljoen slachtoffers, en anderhalf miljoen mensen zijn in de gevangenis gestopt zonder ooit te zijn berecht.’ De al meer dan twintig jaar gepensioneerde bibliothecaresse woont in een licht en ruim nieuwbouwappartement diep in Amsterdam-West. Ze is een prinses van geboorte. Aan de wand hangt een portret van haar grootvader, telg van een Molukse radja-familie die veel bosrijk land had. ‘Feodale families kregen de kans Europees onderwijs te volgen en een carrière op te bouwen onder Nederlands bestuur. Mijn vader had een bouwbedrijf in Batavia, zelf werd ik met de auto naar de christelijke hbs gebracht en speelde Beethoven en Schumann op de piano. Nederlands is mijn moedertaal, ik kon dus nauwelijks praten met onze bedienden.’

Na de oorlog ging Pattipilohy Indisch recht en indologie studeren in Leiden. Daar ontmoette ze haar man Mohammed Zain. ‘We leerden dat de Indische koloniale wetten de Europeanen dienden om met de nodige kennis van de Indische culturen een verdeel-en-heerspolitiek mogelijk te maken en zo nodig de verschillende etnische groepen tegen elkaar uit te spelen. Alleen feodalen konden recht doen gelden op land, niet de arme inlandse bevolking. Tegelijkertijd namen we kennis van de marxistisch-socialistische leer en kregen we contact met de Indonesische onafhankelijkheidsbeweging. Begin 1951 zijn we teruggegaan, we wilden meehelpen een onafhankelijk en rechtvaardig Indonesië op te bouwen.’

Haar man zat in de redactie van de linkse krant Harian Rakjat (Volksdagblad – ad). Zelf leidde ze de bibliotheek van een ministerie en tolkte ze tussen 1962 en 1965 op meer dan twintig internationale conferenties voor de African Asian Journalist Organisation in Jakarta. ‘De ontwikkelingslanden wilden eerlijk overleg met de westerse wereld, die rijk werd van ons. Maar we stonden als onopgeleide armen tegenover een hoog opgeleide, rijke overmacht. We hebben die strijd verloren. Erger nog, de groep die van oudsher de macht was toebedeeld, voerde de belangen van het Westen uit. De opkomende middenklasse werd gesteund door de Verenigde Staten en heeft links letterlijk de mond gesnoerd.’

Samen met haar man werd ze in december 1965 opgepakt, zonder concrete beschuldiging. Na een week zonder eten werd ze naar de vrouwengevangenis in Jakarta overgebracht. ‘Wie voor verhoor werd opgehaald kwam gewond en onder de brandwonden van sigaretten terug.’ Haar man zat gevangen op Nusakambangan. ‘Het beruchtste gevangeniseiland uit de Nederlands-Indische tijd.’

Medium indonesie1

Zelf werd Pattipilohy na acht maanden door haar vader vrijgekocht. ‘“Moordenaars!” stond er in grote letters op de muur rond ons huis.’ Haar vader verkocht zijn bezittingen en zou haar vier kinderen meenemen naar Nederland om ze een betere toekomst te geven. ‘“Je kunt de kinderen niet hun vader én hun moeder afnemen”, zei hij.’ Ze strijkt door haar witte haar en zucht. ‘Ik ben meegegaan. Het is de moeilijkste beslissing van mijn leven geweest. Het was zo in strijd met mijn streven en dat van mijn man naar een sociaal en democratisch Indonesië.’

Eens in de drie maanden mocht ze haar man een briefkaart sturen met twintig woorden, en ze kreeg er dan een terug met veertien woorden. ‘Ik weet niet hoeveel kaarten hij heeft geschreven, maar ik heb er niet meer dan zes ontvangen.’ De medaillon die hij uit een kokosnoot sneed en die naar buiten werd gesmokkeld, draagt ze om haar hals. Een verzoekschrift aan de Indonesische regering om hem vrij te krijgen – ‘Hij was immers nergens van beschuldigd’ – bleef onbeantwoord. Hij zat tien jaar gevangen toen ze in 1975 een brief ontving: ‘Gevangene nummer zoveel met die naam is op 3 oktober 1975 aan tbc overleden.’

In haar rotanstoel weet Cisca Pattipilohy zich omringd door stapels boeken en paperassen met titels als Mass Violence in Indonesia 1965-68 en Nationalism and Revolution in Indonesia. Een artikel over de massamoord op Timor ontlokt haar de uitspraak: ‘Zelfs de kerk heeft meegedaan.’ Haat kent ze niet, dat helpt haar onvrede niet, legt ze uit. ‘Maar ze moeten officieel erkennen dat de coup van 1965 noch door Soekarno noch door de communisten is gepleegd. En als ze de communisten dan toch beschuldigen, wat hebben die dan gedaan?’ Ze is druk bezig met het verzamelen van informatie. ‘Er moet beter begrip komen van wat er in 1965 in Indonesië is gebeurd.’

De groep International People’s Tribunal 1965 (ipt 1965), een vijftiental overlevenden van de massamoord – wetenschappers en ballingen – verzamelt zich die middag bij Cisca Pattipilohy thuis. Ze bereiden een tribunaal voor naar het voorbeeld van het Bertrand Russell-tribunaal over de Vietnamoorlog in 1957 en het Palestina-tribunaal in 2010. In november 2015 zullen deskundigen, rechters, aanklagers en bekende persoonlijkheden zich in Den Haag buigen over de massamoord van 1965, getuigen horen en een oordeel vellen. ‘Hiermee willen we de Indonesische overheid dwingen onderzoek te doen’, zegt Saskia Wieringa, voorzitter van de Stichting ipt 1965. De hoogleraar antropologie, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, probeert het onderwerp van de massamoord in 1965 ‘al dertig jaar’ op de Nederlandse politieke kaart te zetten. Ze schreef er zelfs de roman Het Krokodillengat over, maar kreeg geen gehoor.

Wieringa’s betrokkenheid dateert uit de jaren zeventig, toen ze onderzoek deed naar de vrouwenorganisatie Gerwani die in de jaren vijftig een sterke positie had. Hoe kwam het dat van die grote organisatie niets meer over was? Dat was de vraag van haar promotieonderzoek. Wieringa: ‘De pki had de coup wel gepleegd, maar de vrouwen van Gerwani hadden de lont aangestoken, zo staat nog altijd in de schoolboekjes. Deze “communistische hoeren” zouden de generaals hebben verleid, gecastreerd en vermoord. Ook al heeft autopsie niets hiervan aangetoond, de gruwelijke beelden van het docudrama dat tot 1998 elk jaar verplicht op elke middelbare school in Indonesië werd vertoond, zijn diep geworteld. De slachtpartij is midden in het centrum van Jakarta in een groot reliëf verbeeld.’

De zaak werd omgedraaid: de slachtoffers werden de daders, waarmee weer een nieuwe groep – ditmaal de vrouwen van Gerwani – ten prooi viel aan de genocide van 1965. Wieringa promoveerde, maar mocht Indonesië tot het terugtreden van Soeharto in 1998 niet meer in. Pas na zijn overlijden, in 2008, kwam er ruimte voor een Nationaal Instituut voor de Mensenrechten, Komnas ham. In 2012 bracht het instituut een rapport uit met een heldere conclusie: in 1965 heeft grootschalige schending van de mensenrechten plaatsgevonden in Indonesië. Het Openbaar Ministerie in Jakarta wees het rapport wegens onvoldoende bewijs van de hand, evenals de aanbeveling tot nader onderzoek.

Het rapport toont niettemin aan dat de rol van oud-president Soeharto veel groter was dan tot nu toe is aangenomen. Toch is dit belangrijke feit niet terug te vinden in de Indonesische pers, ontdekte een van de leden van de groep ipt 1965. ‘Zelfcensuur en angst’, meent Wieringa. ‘Je buren zijn immers de daders.’ Een tribunaal in Indonesië zelf, naar het voorbeeld van Zuid-Afrika of Cambodja, zit er voorlopig nog niet in, vreest ze. ‘De aanpak van de kwestie staat op de politieke agenda van de nieuwe president Jokowi en het leger heeft weliswaar aan macht verloren, maar er zijn nog steeds een paar notoire mensenrechtenschenders in de presidentiële generaalsentourage die de zaak graag in de doofpot houden.’

Het succes van en de Oscarnominatie voor de documentaire The Act of Killing (2012) van Joshua Oppenheimer en de Grote Juryprijs in Venetië plus de openbare vertoning in Jakarta eerder dit jaar van opvolger The Look of Silence bieden niettemin enig perspectief.

‘Mijn oom is zonder enige vorm van proces vermoord en zijn huis werd direct door de militairen in beslag genomen’

De groep ipt 1965, met inmiddels vertegenwoordigingen in Jakarta, Melbourne en Amsterdam, verzamelt materiaal over het aantal slachtoffers – de massagraven zijn nog niet opengegaan, maar de cijfers variëren van een half tot drie miljoen –, ooggetuigenverslagen en het tot nu toe onbekende aantal ballingen, naar schatting enkele duizenden. Het materiaal is terug te vinden op de website die op 17 december op het Instituut voor Sociale Geschiedenis is gepresenteerd.

Nursyahbani Katjasungkana is ook aanwezig bij de vergadering in Amsterdam. Zij was eerder hoofdaanklaagster voor de Indonesische troostmeisjes bij het Tokio-tribunaal en voorvechtster van de rechtsgang in de zaak over de vergiftiging van mensenrechtenactivist Munir tijdens een vlucht van Garuda Indonesia in 2004. Ze was ooggetuige van de massamoord van 1965 in haar geboortedorp op Oost-Java. ‘Ik was nog een kind en zag de rivier rood gekleurd van het bloed, er dreven hoofden in het water. Mijn oom was parlementslid voor de pki. Hij is zonder enige vorm van proces vermoord en zijn huis werd direct door de militairen in beslag genomen.’ Tijdens haar studie rechten moest ze een verklaring tekenen waarin stond dat je familie niets met het communisme te maken had. ‘Ik heb de naam van mijn oom verzwegen.’

Katjasungkana is algemeen coördinator van ipt 1965 en wordt bijgestaan door een team van nationale en internationale juristen die de aanklacht, waaronder een massagraf bij haar geboortedorp, zullen formuleren. Crowdfunding moet het nodige geld bijeenbrengen om het tribunaal te doen plaatsvinden. De eerste twee ton van een Nederlandse ngo zijn binnen. Het tribunaal zal niet alles oplossen, weet Wieringa: ‘Maar we hopen Indonesië te dwingen een rechtsgang te starten en de slachtoffers en hun kinderen van blaam te zuiveren. Tot 1998 werd op hun identiteitskaart aangegeven dat ze (kind van) ex-politieke gevangenen waren. Studeren aan de staatsuniversiteit en een overheidsbetrekking waren uitgesloten.’ Een extra aandachtspunt vormt de situatie van de ballingen verspreid over de hele wereld van wie na 1965 het paspoort werd ingetrokken. ‘Ze werden van de ene op de andere dag stateloos.’

Het Nederlandse paspoort van Asahan Aidit (1940) staat zelfs op een andere naam. ‘Met mijn echte naam kom ik Indonesië niet in.’ In kaki outdoorbroek en sweatshirt staart Aidit vanaf de bank van zijn eengezinswoning, waar de gordijnen aan de straatkant zijn gesloten, naar de braakliggende achtertuin. Zijn vader stond tijdens de Tweede Wereldoorlog aan het hoofd van de guerrilla tegen de Japanners op het eiland Biliton, zijn broer Dipa Nusantara Aidit werd leider van de Partai Kommunis Indonesia. Asahan zat in Jakarta al jong in de Krug, (het Russische woord voor Kring – ad), vertelt hij in gebrekkig Nederlands, al beheerst hij wel het vakjargon. ‘Ik leerde over de bevrijding van het Indonesische proletariaat en de reactionaire bourgeoisie.’

Aidit studeerde in navolging van zijn twee oudere broers Russisch in Moskou en organiseerde er politieke bijeenkomsten voor Indonesische studenten. Het nieuws over de staatsgreep van 30 september 1965 las hij in Moskou in de krant. ‘Ik kon het niet geloven. Soeharto beweerde dat de coup door de pki was gepleegd. Hoe was dat mogelijk? De pki had geen wapens, het waren geen militairen. Ik begreep er niets van.’ Zijn broer zat even eerder nog in Peking en zou met een ‘hoge partijdelegatie’ naar Vietnam gaan. ‘Maar er kwam een telegram van Soekarno, die ernstig ziek zou zijn. Mijn broer keerde direct terug naar Jakarta. Ze hebben hem gearresteerd en vermoord.’

Als broer van de leider van de pki werd Aidits paspoort ongeldig verklaard. De diplomatieke betrekkingen met de Sovjet-Unie waren verbroken, bovendien vond Moskou al eerder dat de pki onder te grote invloed stond van de Chinese Communistische Partij. ‘Een groot probleem’, verzucht Aidit met afhangende schouders. ‘Ik heb mijn studie afgemaakt en ben een jaar later naar Vietnam gegaan om van daaruit de strijd voort te zetten.’

Een foto op de achterflap van een van de drie romans in het Indonesisch waarin hij zijn levensverhaal heeft verwerkt, toont de 27-jarige onverschrokken, knappe jongeman van toen. De militaire training, ‘theorie en praktijk’, in de jungle niet ver van Hanoi was zwaar. ‘Een guerrillaopleiding?’ Hij lacht bij wijze van understatement. ‘Zo kunt u het wel noemen.’ Hij heeft er ‘alles’ geleerd, maar aan het front tegen de Amerikanen vechten was buitenlanders niet toegestaan. Acht jaar lang heeft hij de oorlog meegemaakt. ‘Elke dag, ieder uur, ieder kwartier werden we gebombardeerd. Tot de overwinning in 1975.’

Hij was inmiddels klaar voor de strijd in eigen land. ‘We hoopten dat de Vietnamezen ons zouden helpen om daar te gaan vechten, maar dat bleek een illusie. We hoopten dat de Chinese Communistische Partij ons zou helpen, maar hoewel het contact met Indonesië aanvankelijk was verbroken, liet China de handelsbelangen prevaleren en gaf het land toe aan de eis van Soeharto: alle Indonesiërs in China moesten het land verlaten.’

Een buitenlander mocht niet aan de slag in het nieuwe Vietnam. Asahan pakte de studie weer op en promoveerde op de vergelijking tussen Vietnamese en Indonesische spreekwoorden, maar mocht nog steeds niet aan het werk. Hij wilde naar het buitenland, maar ook dat was onmogelijk. ‘Ik had geen nationaliteit en dus geen paspoort.’

De meeste ballingen zijn na het gedwongen aftreden van Soeharto in 1998, met een Nederlands paspoort, verschillende keren teruggegaan naar hun familie, maar voelden zich niet op hun gemak. Prinses Cisca Pattipilohy gaat regelmatig terug, maar spreekt nooit met lotgenoten. ‘Dat is doodgevaarlijk. Niemand wil geassocieerd worden met iemand van ipt 65.’ Historicus Go is beducht voor de rechtse islamitische beweging die het vroeg of laat opnieuw op de Chinezen gemunt zal hebben.

Mensenrechtenactivist Liem gaat sinds 2000 regelmatig terug en is optimistischer: ‘Indonesië maakt op het moment jaarlijks ruim vijf procent groei door. De welvaart stijgt voor iedereen. China betaalt meer voor de olie en de steenkool dan het Westen.’ Hij ziet weinig kans op steun in Nederland voor een volkstribunaal over de massamoord van 1965: ‘De tijden zijn veranderd. Tijdens het Oost-Timor-tribunaal over de mensenrechtenschendingen van het Indonesische leger in 1981 was het schuldgevoel ten aanzien van Indonesië nog groot. Het was de tijd van de socialist Jan Pronk en ook vvd-Kamerlid Erica Terpstra zette zich in voor de mensenrechten.’ Hij wordt er wel eens verdrietig van, zegt hij. ‘Het is geen issue meer. Nu gaat Rutte met een zwik ondernemers naar Jakarta.’

In een onverdraaglijke scène in de documentaire The Look of Silence kruipt de hoogbejaarde blinde vader van de hoofdpersoon zoekend over de grond en roept angstig uit dat hij de weg kwijt is. De dementerende vader is de traumatiserende gebeurtenissen vergeten. Hij zit gevangen in angst, maar kan zich de oorzaak niet herinneren. Daarom gaat zijn zoon op zoek naar de daders. De familie van een van de daders ontkent en wordt zelfs kwaad, maar de dochter van een andere dader biedt namens haar vader excuses aan en omhelst de hoofdpersoon.

‘Ze zouden ons vermoorden’, zegt de beul in The Act of Killing. ‘Daarom moesten wij hen vermoorden.’ Pas tegen het eind van de film verzucht hij: ‘We hebben ze vermoord terwijl ze misschien niets hebben gedaan?’

Asahan Aidit schenkt nog eens thee in en serveert speculaasjes op een bordje. In 1983 gaf de Vietnamese overheid hem ten slotte een paspoort en een vliegticket naar Nederland. ‘Ik heb geluk gehad’, zegt hij met een blik op het versleten tapijt. ‘Mijn leven is gespaard. Ik zat in Moskou. Ik was jong, ik was idealistisch. Helaas zijn al mijn idealen op een teleurstelling uitgelopen. Alles is voor niks geweest.’

Twee keer is hij teruggekeerd naar zijn geboortedorp op het eiland Biliton. ‘Mijn ouders waren al gestorven, mijn oudste broer is vermoord, maar ik wilde mijn broer zien die dertien jaar lang de strafgevangenis op het eiland Buru heeft overleefd. De laatste keer in 2005 arriveerde er de tweede dag een vrachtwagen met soldaten in ons dorp. Mijn familie was er niet gerust op. Of ik maar niet beter kon vertrekken?’


Informatie over het International People’s Tribunal 65: 1965tribunal.org


Beeld: (1) 17 november 1965, Midden-Java, Indonesië. Jonge nationalisten gaan samen met een legereenheid op zoek naar communisten (Betmann / Corbis). (2) The Look of Silence (Final Cut for Real / Dalton Distribution)