Opheffer

IK ZAL HEM MISSEN

Hij was communist; hij werd katholiek. Hij was getrouwd; hij bleek homoseksueel. Hij was Nederlander; hij werd Belg. Hij debuteerde als Simon van het Reve; hij veranderde in Gerard Reve. Als hij sadist was, wilde hij masochist zijn. Als hij masochistisch deed, wilde hij de sadist zijn. (Dit noemde hij het revisme.) In de kerk bestreed hij het katholicisme. Als homoseksueel bestreed hij «die vreselijke nichtentroep». Hij schreef racistische gedichten, en zei dat hij natuurlijk geen racist was. Hij hield van God, maar werd voor het gerecht gesleept omdat hij God lasterde.

Als je hem vroeg waar zijn werk over ging, antwoordde hij: «Verlossing.» Ik zat tegenover hem op de bank in zijn huis in Machelen en vroeg: waarvan wil je dan verlost worden?

Hij lachte en antwoordde: «Ik zeg altijd: later, als ik voor U sta, zal ik alles bekennen.» Meer zei hij er niet over.

Gerard moest verlost worden van zijn paradoxale, innerlijk tegenstrijdige gevoelsleven, en daarom was hij een ironicus bij uitstek. De ironie immers draagt de tegenstrijdigheid in zich.

We zaten aan tafel brood met hesp te eten. Joop schonk witte wijn. Gerard zei: «De dokter zei: u moet geopereerd worden. Ik zei hem: of ik ga dood, of ik blijf leven, dus ik zit altijd goed.»

Ironie als levenshouding.

Wat je niet kunt uitdrukken, kan mogelijkerwijs gesuggereerd worden door het tegendeel te beweren.

«Waarom heb je God een ezel genoemd, Gerard?»

«God, de dood en de liefde zijn één, dus als een ezel heel erg lief is, dan kan hij ook God zijn, hè… begrijp je wel?»

Ik lachte.

«Die Blauwe moet steeds lachen, Joop, zie je dat ook…»

Hij was goed gehumeurd.

«Dan is een ezel ook de dood», zei ik.

«Nu probeert hij weer slim te zijn», zei Gerard.

Hij was al lichtelijk aan het dementeren, maar nog zo dat hij het zelf doorhad.

«Soms zeg ik vliegtuig, en dan bedoel ik ziekenhuis… En in het vliegtuig… ziekenhuis bedoel ik… was ik na de operatie mijn eigen naam vergeten. Dus ik ging steeds naar de balie en vroeg: zuster, hoe heet ik eigenlijk? En als ik dan een heel mooie naam hoorde, dan wist ik dat ik het was… Later heb ik een briefje met mijn naam in mijn zak gestopt. Dat was reuze handig, want dan hoefde ik alleen maar naar de balie om te vragen: zuster, weet u ook waar mijn zak is?»

Ironie als levensnoodzaak. Ironie om de zaken aan te kunnen. Het onbegrijpelijke mysterie kan alleen maar benaderd worden door middel van de ironie, want is die er niet, dan kan er ook niets worden gerelativeerd en wordt alles ondraaglijk.

Het zit zelfs in zijn zinnen.

Het archaïsche taalgebruik – de taal van een ambtenaar, het afstandelijke vocabulaire van de notaris, doorbroken met een vreemd beeld, een schokkende mededeling, een geile intentie – ironie. Ironie, omdat alles in zijn leven in het tegendeel veranderde. Hoe kun je leven in een paradox als er geen ironie zou zijn?

«Eigenlijk geloof ik niets», zei hij eens.

Al in De avonden weet Maurits Duivenis niet of wat Frits zegt nu waar is of niet. Frits weet het zelf niet.

Zo wist Gerard het ook niet. Waarom zou je niet het één kunnen denken en tegelijkertijd het ander? Waarom zou je niet van God kunnen houden, terwijl je denkt dat God niet bestaat? Onlogisch? Maar je kunt toch ook van je moeder houden en van jongens? Je kunt toch ook bloedgeil worden van een mooie knaap, terwijl je hem haat? Het katholicisme begreep de onlogica van Gerards denkwereld, terwijl hij, net als zijn broer Karel, een intelligent en logisch denker was. Maar juist omdat hij zo logisch kon denken, bood het katholicisme hem lucht voor zijn mystieke aandoeningen.

De mystiek zat in de humor, in de constante relativering, in de ironie als attitude.

«Of je blijft leven, of je gaat dood, dus ik zit altijd goed.»

Broer Karel vertelde dat Gerardje als kind vaak zat te lezen in Openbaringen. Het eerste wat je opvalt als je die Openbaringen van Johannes opslaat is: «Weest niet bevreesd, Ik ben de eerste en de laatste, en de levende, en Ik ben dood geweest en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheden, en Ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk. Schrijf dan hetgeen gij gezien hebt en hetgeen is en hetgeen na dezen geschieden zal» (Johannes 9: 20).

We dronken witte wijn en daarna rode wijn en daarna alles door elkaar, geloof ik.

Gerard probeerde me voortdurend aan het lachen te maken, wat gemakkelijk was, want ik lachte graag.

«Fijn hè, dat we straks dood mogen. Wat ga jij dan doen?»

Ik vond alles leuk.

Soms was hij serieus.

«Wat vind jij het mooiste boek uit de bijbel?»

«Het boek Job», zei ik, en ik vertelde hem waarom ik dat als humanist mooi vond. Ik deed heel geleerd.

«Jij bent de eerste humorist die het boek Job goed vindt», zei hij. En toen: «Je moet katholiek worden. Dat kost niets. Nou ja, wat je er zelf voor over hebt. Liever ietsje meer dan ietsje minder natuurlijk, want het zijn katholieken.»

Ik zal hem missen.