Ik zal je wat vertellen over vrouwen

Hij knalt er lekker in, de nieuwe roman van Walter van den Berg.

‘Mijn broer had nog gezongen op de avond dat hij iemand doodsloeg.’ Het is de openingszin, de eerste zin uit de mond van Cor, een van de zes vertellers, telkens met naam en datum vermeld boven de hoofdstukken in kwestie. Cor is wel de enige ik-verteller, en dit gecombineerd met het feit dat hij ook schrijver is van professie, ‘meneertje vwo’ in de ogen van broer Ron, en op cruciale momenten opduikt, maakt hem in zekere zin de godfather van de vertelling. De man achter de knoppen.

En wat heeft deze Cor de touwtjes strak in handen. Schuld is een actuele stadstragedie van klassieke allure, die zich over krap een decennium uitstrekt en schoksgewijs wordt verteld door de verschillende betrokkenen. Allereerst dus broer Ron, de prototypische sjacheraar, geen geld, geen huis, maar wel een zoon voor wie hij eigenlijk niet kan zorgen. Ron is de ideale prooi voor het type creatieve schuldeiser dat witte Mo wordt genoemd sinds hij met Marokkanen begon om te gaan. ‘Mo heette Edwin voor hij Mo werd, maar alleen zijn moeder en de officier van justitie noemden hem nog zo.’ Witte Mo loopt ook in de winter op badslippers, en consequent met een slepend been, een gewoonte die hij twintig jaar eerder heeft afgekeken van zwarte jongens. ‘(…) er waren toen wel meer witte jongens die die sleep overnamen, maar Mo was blijven slepen’. Zoon Kevin, zestien, getraumatiseerd door een moeder die hem in de steek heeft gelaten; hij kan ook niet meer bij zijn vader Ron wonen sinds die in hun huis een stel Polen heeft ondergebracht om daar nog een slaatje uit te kunnen slaan. Kevin probeert op zijn manier aan schuldenverlichting te doen door wat criminele zaakjes voor witte Mo op te knappen. En dan is er het jonge stel Marco en Sandra; Marco die sinds hij terug is uit Afghanistan niet echt zijn handen thuis kan houden, en Sandra die of ze nu wil of niet door Ron gered dreigt te worden.

Het is moeilijk om een verhaal dat zo sterk realistisch getoonzet is als deze roman, zo stevig verankerd lijkt in een nabije en tegelijkertijd schimmige wereld, zoveel lijkt te openbaren ook van gangstermores waarvan je alleen maar kunt vermoeden dat een deel van Amsterdam erdoor wordt geregeerd, om zo’n roman dus niet alleen maar met de spreekwoordelijke open mond – o, gaat dat zo, met die scooterjongens, en de laptops, en de iPhones, en de rottweilers – te lezen. Alles speelt zich af in opslagruimtes achter die stalen roldeuren waar Amsterdam-Nieuw-West van vergeven is, en hoe bevredigend is het dat die even een stukje worden opengeschoven.

‘Ik wilde weg van alles wat gewoon was. Gewoon was het moeras waar je in bleef steken als je bezig was iets groots te doen’

Dat je vervolgens met die mond open naar binnen kijkt, zegt natuurlijk alles over de kracht waarmee dit boek is geschreven. In klinkklare taal en in scherp gesneden scènes werkt de schrijver langzaam naar de climax toe, en laat hij alles op z’n plaats vallen. Er is een hilarisch telefoongesprek tussen Marco en zijn Sandra – ‘Dus ik laat mijn kont er bijna afschieten in fokking Afghanistan omdat jij een nieuwe keuken wilt’ – pijnlijke non-gesprekjes tussen Kevin en zijn vader in McDonald’s – ‘Ik zal je wat vertellen over vrouwen (…) Vrouwen zijn niet zo slecht als je nu denkt, hoor’ – en er is de trieste vendetta die Kevin is begonnen tegen overspelige vrouwen. ‘Het was niet goed, maar het hielp.’ Werkelijk geen enkel personage is vrij te pleiten, tegelijkertijd is ieder op z’n eigen wijze slechts speelbal van het lot. En excelleren ze in het elkaar de schuld geven.

Misschien is Cor, de schrijver, uiteindelijk nog wel de grootste lul, al was het maar omdat hij zelf de eerste zou zijn om dat toe te geven. ‘(…) ik wilde weg van alles wat gewoon was. Gewoon was het moeras waar je in bleef steken als je bezig was iets groots te doen. En de handen die je naar beneden trokken in dat moeras waren de handen van je familie (…).’ Hij heeft zich toch ook weer naar beneden laten trekken, gewoon, omdat hij geld nodig had. Voor vijfhonderd euro laat hij zich inhuren door zijn broer, en vanaf dat moment is hij in feite medeplichtig.

‘Lekker dan’, zegt zijn broer tegen hem als ze samen het graf van hun moeder bezoeken en hij hoort wat ‘meneertje vwo’ aan het schrijven is. ‘Ben je mij allemaal shit aan het toeschuiven.’ De ontroerende apotheose van dit rauwe noodlotsdrama van goede bedoelingen, domme pech en lafhartig wegkijken moet dan nog komen. Héle sterke shit van Van den Berg, dit verhaal over menselijkheid.