Tien jaar na de Mohammed-cartoons

‘Ik zal mijn principes niet opgeven’

In 2005 plaatste Flemming Rose, kunstchef van de Deense krant Jyllands-Posten, de Mohammed-cartoons die een deel van de islamitische wereld in dodelijke furie deden uitbarsten. Hoe blikt hij terug? ‘Toen dacht ik: we gaan dit winnen. Ik had ongelijk.’

Medium rtr4so9d

Voor iemand die is uitgemaakt voor een racist, een nazi en een moslimhater is Flemming Rose een opmerkelijk kalme man. Schuchter haast. Achter zijn zwarte montuur kijkt hij voortdurend weg. Zijn woorden kiest hij zorgvuldig. Deels gaat hem dat natuurlijk af; als puber rebelleerde hij minder dan zijn leeftijdgenoten, verklaart hij later. Voor het overige heeft hij het geleerd. In september is het precies tien jaar geleden dat hij als chef bij de Deense krant Jyllands-Posten de beruchte cartoon plaatste van een bebaarde man met een bom op zijn tulband. Vanwege deze ‘provocatie’ wordt Rose verantwoordelijk gehouden voor een golf van gewelddadige protesten, rellen en terreuraanvallen. Hij staat al jaren op de dodenlijst van al-Qaeda.

Sindsdien wijken de bewakers niet van zijn zijde. Sterker, sinds de aanslag op de redactie van Charlie Hebdo is de beveiliging weer opgevoerd. Toch is de 57-jarige journalist niet opgehouden deel te nemen aan het debat over de grenzen van de vrijheid van meningsuiting. In dat debat heeft hij een heldere stelling ingenomen: ‘Geen enkel persoon en geen enkele groep heeft recht op een speciale behandeling in de vrije uitwisseling van woorden en ideeën.’

We spreken elkaar in Berlijn tijdens een conferentie van European Students for Liberty. Rose is de keynote speaker. Hij zal vertellen over wat de globalisering betekent voor de vrijheid van meningsuiting. Want stel, je werkt voor een krant in een taal die maar weinig mensen spreken en opeens bereikt de inhoud de andere kant van de wereld, waar veel mensen ongeletterd zijn en waar opvattingen over alles, van normen tot humor, onvergelijkbaar zijn. ‘Als informatie op reis gaat’, waarschuwt Rose, ‘raakt de context verloren.’

De avond ervoor zitten we samen in een verlaten klaslokaal van de Humboldt Universität, vernoemd naar de achttiende-eeuwse filosoof die met zijn vlammende verdediging van individuele vrijheid een inspirator werd voor de invloedrijke John Stuart Mill. Ons gesprek voeren we tegen de achtergrond van een luider wordende roep in het Westen om restricties op te leggen aan wat we zeggen. In West-Europa zijn wetten die beledigingen strafbaar maken gebruikt tegen politici, journalisten, komieken, dominees en zelfs tegen een voetbalsupporter, omdat hij een liedje had gezongen dat voor de tegenpartij weinig flatteus was. (Zijn straf: vier maanden cel.) Nieuw-Zeeland heeft in juli een wet aangenomen om te kunnen optreden tegen internettrollen, de schelders en dreigers op online fora. Iemand kwetsen met woorden lijkt vandaag de grootste misdaad.

‘Het klinkt lief en aardig’, zegt Rose, ‘maar het betekent dat mensen zich over van alles beledigd zullen voelen. Het enige wat je nog hoeft te doen als iemand iets zegt wat jou niet bevalt, is je te beklagen.’

En dat gebeurt al. Een Zweedse artiest moest vorig jaar vier maanden in de gevangenis zitten nadat zijn werk, geëxposeerd in een galerie, was opgevat als een ‘oproep tot racisme’. Een toonaangevende Britse natuurkundige werd gedwongen ontslag te nemen na een onhandig seksistisch grapje. De directeur van Mozilla vertrok onder grote druk van twitteraars omdat hij ooit geld had gedoneerd voor een campagne tegen het homohuwelijk in Californië. Een versiergoeroe die enige vorm van mannelijke overheersing adviseert, wordt de toegang tot steeds meer landen ontzegd.

‘Ik ben niet voor racistische of diep beledigende uitspraken’, verduidelijkt Rose. ‘Ik vind het zelfs afschuwelijk als mensen het doen. Maar je bestrijdt deze mensen niet door ze het te verbieden, maar door een open debat. Als iemand eist dat anderen zijn stelsel van overtuigingen en taboes in acht nemen, vraagt hij niet om respect, maar om onderwerping. Dat is onverenigbaar met een vrije, liberale democratie.’

De publicist Paul Scheffer vertelde hem eens dat islamitische ouders bij een Amsterdamse school hadden geklaagd dat er in de geschiedenislessen aandacht werd besteed aan de holocaust. Daar waren zij op tegen, want die holocaust was verzonnen. Een bezopen standpunt, maar een wet die ontkenning van de systematische jodenvervolging criminaliseert, is volgens hem geen oplossing. ‘Zo’n wet betekent niet dat deze mensen hun mening veranderen’, legt hij uit. ‘Het betekent alleen maar dat ze worden gesterkt in hun overtuiging dat er een joodse samenzwering is. Het toont bovendien een dubbele standaard: er zijn wél wetten die de gevoeligheden van joden beschermen, maar niet die van moslims. Vanwege de onvermijdelijke willekeur in dit soort wetten zijn ze een uitnodiging om je slachtoffer te voelen.’

En dat is het kwalijke gevolg van dit alles, zegt Rose: een slachtoffercultuur, waarin iedereen zich voortdurend gekwetst voelt bij een briesje kritiek. Hij keert zich tegen de trend om overtreders van het fatsoen op sensitiviteitscursus te sturen, zoals bijvoorbeeld gebeurt binnen bedrijven en onderwijsinstellingen, met name in de VS, om mensen bewust te maken van hun vooroordelen en privileges, zodat ze gevoeliger worden voor anderen. Rose suggereert juist dat we een dikkere huid moeten ontwikkelen en dat we eerder wat meer ‘insensitiviteitstraining’ kunnen gebruiken.

Tien jaar geleden viel het oog van Flemming Rose, chef van de kunstredactie van Jyllands-Posten, op een aantal nieuwsberichten die hem verontrustten. In zijn eigen krant had een Deense stand-up-komiek gezegd dat hij geen enkel probleem had om op het podium te urineren op de bijbel. Maar op de koran? Nee, dat zou hij nooit doen. Een Zweeds museum had een erotisch getint schilderij met een citaat uit de koran verwijderd. In Tate Gallery in Londen trok de curator een tentoonstelling terug waarin de bijbel, de talmoed en – o wee! – de koran aan stukken waren gescheurd.

Dat alles riekte naar zelfcensuur in de artistieke sector, oordeelde Rose. Daar wist hij het nodige van, want hij had na zijn studie Russische literatuur als tolk gewerkt bij een Deense vluchtelingenorganisatie. Zo kwam hij in contact met dissidenten, critici van het sovjetregime die het land uit waren geschopt. Hij kreeg bewondering voor deze mensen die bereid waren een hoge prijs te betalen voor hun idealen.

‘Het is zeer problematisch dat mensen vandaag de dag de schuld makkelijk leggen bij de spreker en níet bij de wreker’

Op de krant ontstond een brainstorm toen bleek dat de schrijver van een Deens kinderboek over het leven van Mohammed slechts met grote moeite een illustrator had kunnen vinden. Iemand opperde om Deense cartoonisten te vragen om Mohammed te tekenen zoals zij hem zien. Rose verstuurde een verzoek aan de 42 leden van een vakbond voor illustratoren; de krant kreeg twaalf inzendingen terug. Op sommige daarvan was geen profeet te zien. Eentje tekende een nerveus zwetende cartoonist die heimelijk aan het werk is. Een andere toonde een gealarmeerde profeet die aan de hemelpoort tegen teleurgestelde islamitische zelfmoordterroristen roept: ‘Stop! Stop! Er zijn geen maagden meer!’ Kurt Westergaard tekende een man met een bom op zijn tulband.

Publicatie van de twaalf ingezonden cartoons, direct na de zomer van 2005, ging in Denemarken niet onopgemerkt voorbij. Sommigen vonden het een kinderachtige, onverantwoordelijke provocatie. Enkele verkooppunten weigerden die dag de krant te verkopen. Imams waren niet blij. Drieduizend moslims deden mee aan een protest in Kopenhagen. Enkele politici spraken hun afkeuring uit. Het bleef allemaal beschaafd.

Maar Deense imams en vertegenwoordigers van moslimorganisaties wilden dat de Deense overheid zich actiever met de affaire zou bemoeien en openlijk afstand zou nemen. Ze dienden een klacht in wegens blasfemie en belediging. Om steun te vergaren, bezochten ze rond de jaarwisseling het Midden-Oosten. Dat zorgde voor een dramatische wending. Straatprotesten in islamitische landen liepen uit de hand. Ruim tweehonderd doden werden er geteld. Er vonden aanslagen plaats op Deense ambassades, maar ook op die van andere Europese landen. Diplomatieke missies werden gesaboteerd, christelijke kerken beschadigd en er volgde een internationale boycot van Deense producten. Premier Anders Rasmussen noemde de controverse het ergste incident in internationale relaties in de Deense naoorlogse geschiedenis.

In Denemarken kwamen er doodsbedreigingen aan het adres van Jyllands-Posten en de cartoonisten. Sommigen doken onder. Dagbladen over de hele wereld die de cartoons hadden getoond bij hun berichten over de ontstane rel werden bedreigd of geëvacueerd; in Rusland en Maleisië gingen redacties tijdelijk dicht, in Jordanië en Jemen werden hoofdredacteuren gearresteerd en opgesloten. In Italië, Zweden en Libië sneuvelden ministers die zich met de cartoonaffaire bemoeiden. Staatsomroep Danmarks Radio vroeg Rose doodleuk hoeveel bommen nog moesten afgaan voor hij excuses zou aanbieden.

Hij hééft excuses aangeboden. Voor het feit dat mensen zich beledigd voelden. Hij heeft gezegd dat het niet zijn bedoeling was om mensen te kwetsen. Rose gaf aan de verantwoordelijkheid voor publicatie van de cartoons te accepteren, maar ook dat hij geen verantwoordelijkheid wenste te nemen voor het geweld dat volgde.

‘Ik denk dat het zeer problematisch is dat mensen vandaag de dag de schuld gemakkelijk leggen bij de spreker en níet bij de wreker’, vindt Rose. ‘Zij stellen een belediging gelijk aan moord. Het is toch absurd dat we erop moeten wijzen dat er een onmetelijk verschil tussen die twee bestaat?’

Wij onderscheiden ons van dieren doordat wij verstand hebben, het vermogen om te redeneren, zegt Rose licht geïrriteerd om het feit dat zulke basale informatie überhaupt ter sprake gebracht moet worden. ‘Voor ons is er geen direct verband tussen een stimulus en onze reactie. Wanneer wij ergens mee worden geconfronteerd, zijn wij mensen in staat om een besluit te nemen over hoe we reageren.’ Daarom is vrije meningsuiting zo belangrijk, redeneert hij. Wij mensen hebben een taal waarmee we elkaar verhalen vertellen. Die verhalen maken ons tot wie we zijn. ‘Als je inbreuk doet op ons recht om de verhalen te vertellen die wij juist achten, is dat niet alleen een overtreding van een politiek principe, maar ook een overtreding van de menselijke natuur.’

Rose beseft dat critici beweren dat ze recht hebben op waardigheid en dat ze daarom niet alles hoeven te accepteren wat er over hen wordt gezegd. ‘Maar ik meen oprecht’, stelt hij, ‘dat je de menselijke waardigheid meer helpt via het recht om jezelf te uiten dan via het recht om kwetsende opmerkingen te vermijden. Ik geloof in onze morele autonomie.’

De term ‘menselijke waardigheid’, uit een wetsartikel van de VN, wordt vaak aangehaald door mensenrechtenorganisaties die het opnemen voor ‘kwetsbare minderheden’ en restricties van de vrije meningsuiting bepleiten. ‘Weet je wie de geestelijk vader was van dat wetsartikel?’ vraagt Rose. En geeft zelf licht geamuseerd het antwoord: ‘De afgevaardigde van Stalin.’

Met zijn suggestie voor ongevoeligheidstraining krijgt Flemming Rose twee weken na zijn bezoek aan Berlijn de handen op elkaar in het Haagse perscentrum Nieuwspoort. Hij is daar op uitnodiging van zijn vriend Afshin Ellian. Hij ontmoette de Leidse rechtsfilosoof in 2009 toen die ook permanent bewaking nodig had.

In Nieuwspoort, bij de presentatie van Freedom of Speech under Attack onder redactie van Ellian en zijn collega Gelijn Molier, zit Rose achter een tafeltje. Hij spreekt lovende woorden over het boek. Net als in Berlijn oogt hij wat ongemakkelijk. Verlegenheid, zegt hij zelf. Misschien speelt ook mee dat zijn aanwezigheid bij openbare bijeenkomsten zoveel impact heeft op de organisatoren en bezoekers. De vijftig aanwezigen merken aan den lijve dat het veiligheidsprotocol inderdaad ver gaat. Ze doen er vooral giechelig over.

Je suis Charlie. Hij kan dat niet meer horen. ‘Bullshit. Alleen zíj waren Charlie. Daarom zijn zíj dood en de anderen niet’

Toch zijn de dreigingen zeer reëel. Dat bleek al in februari, toen in Kopenhagen tijdens een bijeenkomst met een Zweedse kunstenaar die ook op de dodenlijst prijkt een bezoeker omkwam bij een schietpartij. Later in het voorjaar veranderde De Balie in Amsterdam in een onneembare vesting vanwege een bezoek van Kurt Westergaard. Twee dagen na die bijeenkomst, op een expositie van anti-islamitische cartoons in Texas, met Geert Wilders als spreker, openden twee schutters het vuur op de bewaking. Beiden werden door de politie doodgeschoten.

In de afgelopen jaren zijn er zeker zeven aanslagen op Rose, Westergaard en de redactie van Jyllands-Posten verijdeld. Zes jaar geleden belde de Deense veiligheidsdienst Rose om te zeggen dat twee mannen van Pakistaanse afkomst van plan waren hem te vermoorden. Ze waren in Chicago opgepakt, het ticket naar Kopenhagen hadden ze al op zak. Westergaard zat op nieuwjaarsdag 2010 met zijn kleindochter televisie te kijken toen een Somalische moslim zijn huis binnentrad met een bijl. De nu tachtigjarige cartoonist wist op tijd te ontsnappen naar de gepantserde badkamer. Het duurde een paar minuten voordat de politie kwam. Het meisje, toen vijf jaar, bleef ongedeerd.

Op de redactie werkt Rose tegenwoordig als chef buitenland. De krant is goed voor hem geweest, vindt hij. Zijn collega’s waren dat ook. ‘Ik begrijp het als collega’s om me heen kritiek hebben op mijn stellingname in het debat. De strijd die ik voer, gaat mij persoonlijk aan het hart, maar ik realiseer me dat dit niet het geval is voor anderen. Zij hebben een gezin, ze moeten hun kinderen van school halen, hun echtgenoten zijn bezorgd. Ik begrijp dat.’

Zelden heeft hij hierover een aanvaring gehad. ‘Misschien één of twee keer’, zegt hij. ‘Ik ben oprecht dankbaar voor de steun die ik krijg, want ik snap heel goed dat er collega’s zijn die me liever niet op kantoor zouden zien.’ Hij wijst erop dat zijn bewakers twee soorten reacties oproepen: o fijn, er is bewaking, we worden beschermd, of het tegendeel: o jee, er is bewaking, we worden bedreigd.

Maar bij Charlie Hebdo was toch ook bewaking? ‘Ja, maar zij waren laks’, zegt Rose fel. ‘Als er een tijdje niets gebeurt, kun je te veel ontspannen en de regels loslaten. Dat is bij hen gebeurd. Toen twee mannen met kalasjnikovs binnenvielen, zat de bewaker niet bij de deur, waar hij had moeten zitten. Hij zat aan tafel, met alle anderen. Want dat is wat er gebeurt als je de regels veronachtzaamt. Iemand zegt: hé, kom erbij, neem ook een kop koffie, er is taart. Ik ken dat gevoel heel goed. Je ontwikkelt een soort vriendschap met de bewakers. Je praat met ze. Ze weten veel van je. Dat is lastig voor beide partijen. Ondanks de hechte band moeten zij zich professioneel blijven opstellen. Ze moeten hun werk altijd serieus nemen. Altijd.’

Rose noemt het ‘hinderlijk’ dat hij voortdurend bewakers om zich heen heeft, maar hij haalt er z’n schouders over op. ‘Ik moet me nu eenmaal neerleggen bij deze situatie. Dat probeer ik te doen. Ik zal mijn principes niet opgeven en ik blijf geloven wat ik geloof. Wat komt, dat komt. Ik probeer gewoon niets stoms te doen als het op veiligheid aankomt. Ik ben erg behoedzaam. In het begin hoopte ik dat de dreiging op een dag weg zou gaan. Dat ik zonder bewaking verder zou kunnen. Ik heb me inmiddels gerealiseerd dat dit niet zo is. Ik ben blij dat ik niet ergens in de twintig was toen ik om die cartoons vroeg.’

Je suis Charlie. Hij kan dat zinnetje niet meer horen. ‘Bullshit. Alleen zíj waren Charlie. Daarom zijn zíj dood en de anderen niet.’

Het nieuws over de aanslag in Parijs kwam niet als een verrassing. ‘Maar ik was natuurlijk wel geschokt.’ Hoofdredacteur Charb ontmoette hij eens tijdens een debat. Met tekenaar Wolinski had hij samengewerkt aan een stripboek. In 2007 was Rose opgeroepen als getuige in de rechtszaak die tegen Charlie Hebdo was aangespannen vanwege cartoons die zouden aanzetten tot religieuze haat. Hij was erbij tijdens de wereldpremière in Cannes waar de documentaire over die rechtszaak werd getoond.

‘Charlie was in Europa de enige publicatie die ondanks alle dreigingen haar redactionele lijn heeft doorgezet’, zegt Rose met bewondering. Zijn eigen krant was in 2010 gestopt met het afbeelden van cartoons van Mohammed. In dat jaar werden in Kopenhagen vijf mannen gearresteerd die volgens de politie onderweg waren om een aanslag te plegen op de redactie. De volgende dag verscheen de krant niet. Rose heeft zijn hoofdredacteur nooit afgevallen vanwege zijn besluit om te stoppen met de cartoons. ‘In een ideale wereld zou ik die cartoons wel hebben laten zien. Niet om te provoceren, maar om te laten zien waar het om gaat: dit zijn de plaatjes waarom deze mensen ons aanvallen.’

Sommige hoofdredacties draaiden eromheen, vindt hij. Ze kwamen met smoesjes om de cartoons niet te tonen. Dan zeiden ze: ach, we weten nu wel hoe die cartoons eruitzien, dus die hoeven we niet nog eens te laten zien. Onzin, vindt Rose. ‘Lezers weten ook hoe Barack Obama eruitziet, maar telkens als hij ergens een speech geeft, moet er weer een foto van hem bij.’ De echte reden is uiteraard angst. En Rose was blij dat zijn hoofdredacteur daar eerlijk over durfde te zijn. ‘Het was een opluchting voor hem’, zegt Rose. ‘Hij hoefde niet meer te liegen. De reacties waren positief. Mensen vonden het prettig dat hij eerlijk was.’

Tien jaar later is de publieke opinie over Rose wat veranderd. De mensen die destijds vonden dat hij het verkeerd zag, geven nu toe bewondering te hebben voor de wijze waarop hij al die tijd is omgegaan met de druk. En, denkt Rose, ‘ze zullen zich inmiddels ook wel realiseren dat ík dit niet heb afgeroepen. We hebben meer aanslagen gezien. Dit was een confrontatie die tóch zou zijn gekomen.’

Maar de toegenomen steun voor hem persoonlijk en de openlijke solidariteit met Charlie Hebdo noemt hij fragiel. ‘Ik vrees dat de steunbetuigingen meer een ritueel zijn dan een teken van oprechte rouw. Al die mensen die de straat op gingen, deden dat uiteindelijk niet zozeer uit steun voor Charlie, maar om het geweld af te keuren. Daarom denk ik niet dat deze aanslag zoveel zal veranderen in onze houding ten opzichte van de vrijheid van meningsuiting. De strijd voor die vrijheid voer je niet in een eenmalige massademonstratie, maar in de dagelijkse keuzes die journalisten, schrijvers en kunstenaars maken over wat ze wel en niet publiceren.’

Over het verloop van die strijd is Rose weinig optimistisch. ‘Tien jaar geleden dacht ik nog: we gaan dit winnen. Mijn krant was de grootste en meest invloedrijke krant in Denemarken, dus wie kon ons iets maken? Vandaag moet ik concluderen dat ik ongelijk had. Om deze strijd te winnen, hebben we de steun van de grote meerderheid in de samenleving nodig. En die hebben we bij lange na niet.’


Beeld: (1) ‘Ik ben niet voor racistische of diep beledigende uitspraken. Maar je bestrijdt deze mensen niet door ze het te verbieden, maar door een open debat’ (Mathias Bojesen/Scanpix/Reuters)