50 jaar affaire-Hueting

‘Ik zeg u dat deze meneer liegt’

Op 17 januari 1969 vertelde Indië-veteraan Joop Hueting in het Vara-programma Achter het nieuws over oorlogsmisdaden in Indonesië begaan door Nederlandse soldaten. Hij doorbrak daarmee het heersende beeld dat ‘onze jongens’ overzee alleen maar vrede en veiligheid hadden gebracht.

Helemaal rechts in de bovenhoek staat in rode balpeninkt ‘brief mag geciteerd’ gekrabbeld. Iets hoger nog, aan de rand van het papier, staan vier cijfers in het groen. De eerste twee refereren aan de datum waarop de brief is geschreven, het derde en vierde cijfer maken duidelijk om het hoeveelste schrijven van die dag het gaat. ‘1813’, dus geschreven op 18 januari 1969, één dag na de Achter het nieuws-uitzending waarin Indiëveteraan Joop Hueting getuigde over oorlogsmisdaden in Indonesië, door hem gezien én begaan. De brief is de dertiende van die dag en zou beslist niet de laatste zijn. Het Vara-programma kreeg in totaal 885 kijkersbrieven naar aanleiding van de drie uitzendingen over oorlogsmisdaden in Indonesië die in januari 1969 op de Nederlandse televisie verschenen.

De meeste van die brieven kwamen van mensen die boos waren, diep gegriefd of verontwaardigd. In sommige werd gescholden; de brievenstroom lijkt soms een oerversie van Twitter. Maar in tegenstelling tot dat hedendaagse medium werd dat schelden nooit anoniem gedaan. Onder vrijwel iedere brief staan naam, adres, postcode en plaats keurig vermeld. Zelfs het telefoonnummer wordt soms genoemd, in die tijd vijf of zes cijfers lang.

Sommige brieven zijn geschreven met lange hanenpoten. Eentje op lijntjespapier dat uit een schriftje is gescheurd. Brief 1813 is daarentegen keurig, getypt in zwarte inkt. Het schrijven van zes kantjes is afkomstig van een oud-soldaat uit Zwolle. Bij lezing van de ervaringen die deze man opdeed in Indonesië wordt duidelijk waarom de Achter het nieuws-redactie overwoog deze brief te citeren. In de vervolguitzending die zij op dat moment nog aan het maken waren, kwamen reacties op het beladen interview met Hueting aan bod. De medewerkers wilden aan wederhoor doen, maar daarnaast hun punt nog eens onderstrepen: wat Hueting vertelde over oorlogsmisdaden in Indonesië waren allerminst fabeltjes.

De veteraan die brief 1813 tikte, vertelt dat hij op 17 augustus 1945 aankwam in Tanjung Priok, even ten noorden van Jakarta. Hij was op dat moment 29 jaar en had zich als oorlogsvrijwilliger aangemeld. Als kok eerste klas had hij naar eigen zeggen weinig met militaire acties te maken gehad. Toch stelt hij dat Hueting zich wat hem betreft nog zeer zacht had uitgedrukt. Hij vertelt over de verkrachting van jonge meisjes, het leegroven van huizen, een kampong die als represaille in brand werd gestoken. Ook getuigt hij over een gebeurtenis waarbij Nederlandse mariniers in Jakarta verschillende Indonesiërs vermoordden met automatische wapens. ‘De slachtoffers waren een twintigtal jonge meisjes tussen de tien en de vijftien jaar en enige oudere mannen en vrouwen, die daar juist een slamatan hadden gehouden.’ Of de daders ooit gestraft zijn voor hun daden is hem onbekend, maar erg waarschijnlijk acht hij het niet. Het voorval haalde de vervolguitzending van Achter het nieuws uiteindelijk niet. Onbekend is waarom niet.

Een andere brief, met de cijfers 2121, is slechts één pagina lang maar minstens zo indrukwekkend. Een veteraan uit Amsterdam vertelt hierin over een oorlogsmisdaad die hij kwalificeert als ‘het ergste geval dat ik me kan herinneren’. De man zat in 1946 en 1947 als oorlogsvrijwilliger bij de ‘mariniers brigade’. Hij beschrijft de gebeurtenis als volgt: ‘Na de eerste politionele actie waren wij met Compagnie E. ergens op Oost Java gelegen in een rijstpellerij – de naam van de kampong is mij niet meer bekend. Op vrij korte afstand van deze kampong was een auto van de mariniers op een landmijn gereden. Alle inzittende mariniers waren hierbij, of zijn hierbij om het leven gebracht door Indonesiërs. Onmiddellijk na dit gebeuren werden wij naar deze plaats getransporteerd om deze streek te zuiveren. Aangezien echter in de onmiddellijke omgeving de mensen waren gevlucht, werden alle huizen in de dichtbij zijnde kampong in brand gestoken. Een dag later echter kregen wij opdracht voor een strafexpeditie. In een gebied van 10km lang en een paar honderd meter breed, moesten alle huizen in brand gestoken worden en alle mannelijke personen boven de 14 jaar worden doodgeschoten. Deze strafexpeditie heeft plaatsgehad. Ik herinner me nog goed, toen wij terugkwamen stonden kleine kinderen bij de brandende huisjes, met de duimen omhoog en riepen “Djumpol Toean” (goed zo mijnheer), terwijl hun vaders en broers op de sawa’s waren doodgeschoten. Blijkbaar niet begrijpende in welk een ellendige toestand ze zich bevonden.’ De oud-soldaat benadrukt dat deze actie zeker geen uitzondering was.

Dit relaas kregen de kijkers van de vervolguitzending op 25 januari, zo’n tweeënhalf miljoen in totaal, wel voorgeschoteld. Achter het nieuws vond de veteraan bereid om zelf zijn verhaal te doen voor de camera, zij het zonder vermelding van zijn naam.

Achter het nieuws had de eerste uitzending met Hueting laten beginnen met propagandabeelden van het polygoonjournaal uit de oorlogsjaren. Hierin is onder andere te zien hoe Nederlandse soldaten in jeeps door een Indonesisch dorp rijden, met kinderen langs de weg die de soldaten begroeten met hun duimen omhoog. Een polygoon voice-over – hoekige uitspraak, geknepen klank – vertelt de kijker ondertussen hoe ‘onze jongens’ vrede en veiligheid komen brengen in de archipel, tot opluchting en blijdschap van de lokale bevolking, het standaardverhaal dat de Nederlandse regering tijdens de oorlog en in de twee decennia daarna ogenschijnlijk succesvol aan de man bracht. Het contrast tussen deze zoetige beelden en de gruwelijke details uit het relaas van Hueting kan haast niet groter, moeten de redacteuren hebben gedacht. Maar bij het verhaal van de Amsterdamse oud-soldaat worden de beelden van die kleine Indonesische kinderen, die met hun duimen omhoog staan, een inktzwart spiegelbeeld van die Nederlandse propaganda. Televisiekijkers werden zo voor de tweede keer hard geconfronteerd met het daderschap van Nederlandse soldaten. Welke veteranen hadden nog meer vuile handen?

Joop Hueting had al eerder zijn verhaal gedaan, in de Volkskrant van donderdag 19 december 1968. Dat interview stond op bladzijde 15, verstopt tussen reclames. Een aantal gruwelijke gebeurtenissen stond pas in het tweede deel van het artikel, dat iets meer dan een halve pagina besloeg. Hoewel de boventitel van het stuk duidelijk stelde dat het ging om Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië zorgde het voor weinig reuring, het bleef bij een aantal lezersbrieven aan de Volkskrant. Maar op de redactie van Achter het nieuws werd het artikel met opwinding gelezen. Het was redacteur Hans Jacobs die er bij zijn collega’s op aandrong om ook op televisie aandacht te besteden aan deze kwestie. Diezelfde dag nog zocht de redactie contact met Hueting. Op 20 december werd er een interview opgenomen bij de veteraan thuis.

Het doel was duidelijk. Achter het nieuws wilde de oorlogsmisdaden die door Nederlandse soldaten waren begaan in Indonesië stevig op de kaart zetten. Hoofdredacteur Herman Wigbold had, zo blijkt uit onderzoek van Mirjam Prenger naar televisiejournalistiek in de jaren vijftig en zestig, naam gemaakt met een aantal polemische documentaires, waarbij hij de kijker overdonderde met strakke montages. Zijn stijl was vernieuwend en werd door velen als fris beschouwd, hoewel zeker niet iedereen ervan gecharmeerd was. Eén ding was zeker: Wigbold wist als geen ander hoe hij een controverse moest creëren. Zo werden er bij het gesprek tussen Jacobs en Hueting twee cameramannen ingezet, terwijl interviews gewoonlijk werden gedraaid met slechts één camera. Wigbold verklaarde later in de Haagse Post dat er hierdoor gesneden kon worden in het interview, zodat de beelden harder over zouden komen. Verder programmeerde hij het interview direct vóór de vijftigste aflevering van het veelbekeken programma Mies en scène.

Het interview was meteen na het achtuurjournaal te zien. Hueting vertelde onder meer hoe hij en andere soldaten van de militaire inlichtingendienst Indonesiërs hadden gemarteld. De veteraan, die november vorig jaar overleed, sprak kalm en opvallend beeldend. Hueting legde uit hoe er gefolterd werd met behulp van elektriciteit, hoe krijgsgevangenen werden afgemaakt, hoe vrouwen en kinderen in een dorp door Nederlanders met een mitrailleur werden vermoord. Hoe een Indonesische man tijdens een verhoor geslagen en getrapt werd, om vervolgens met een touw om zijn enkels aan een balk omhoog te worden getakeld en hoe in de val die daarop volgde zijn hoofd op de betonvloer kletterde, ‘totdat het bloed zo ongeveer overal uitkwam en er een krakend geluid uit dat hoofd kwam’.

Wat de Achter het nieuws-uitzending had veroorzaakt moet in die late vrijdagavond al enigszins duidelijk zijn geworden: er belden tientallen vooral verontwaardigde kijkers naar de Vara. Maar pas in de volgende dagen zou de deining in de publieke opinie echt zichtbaar worden. Alle kranten besteedden in de week na de uitzending ruime aandacht aan de getuigenis van Hueting. De Telegraaf plaatste meteen al een stuk in de zaterdagkrant. Hierin kwam onder anderen de secretaris van de federatie van Nederlandse oud-strijdersorganisaties aan het woord – ‘Wij protesteren met hevige kracht tegen deze beschuldigingen’ – en mocht de oud-voorzitter van het Oud-Strijders Legioen in Dordrecht zijn zegje doen – ‘De uitzending is verschrikkelijk en buiten iedere proportie’.

‘Zinloos en misselijk’ was de kop van het artikel dat De Telegraaf een paar dagen later publiceerde. Daarin werd gesteld dat er heus wel ‘dieptreurige zaken’ waren voorgevallen in de oorlog, maar dat het beeld dat ‘de heer Huetink’ presenteerde ‘vals en onrechtvaardig’ was. Vervolgens werd opgesomd hoe moeilijk de Nederlandse soldaat het wel niet had in Indonesië. In De Telegraaf van 29 januari stelde oud-brigadier-generaal Roelofsen het nog stelliger: van enige oorlogsmisdaden was geen enkele sprake. ‘Ik acht geen Nederlandse marinier, en ook geen Nederlandse soldaat, in staat om in koelen bloede een vrouw neer te schieten.’ Nederlanders waren geen daders, dat kon gewoon niet.

‘Ik acht geen Nederlandse marinier, en ook geen Nederlandse soldaat, in staat om in koelen bloede een vrouw neer te schieten’

Joop den Uyl, fractievoorzitter van de Partij van de Arbeid, drong er bij minister-president Piet de Jong op aan om verregaand onderzoek te doen naar oorlogsmisdaden, viel er diezelfde week in de Volkskrant te lezen. Op deze manier moest er ‘zo groot mogelijke klaarheid’ gegeven worden: wat was er waar van de beschuldigingen. Den Uyl bracht een motie in stemming die een nota afdwong bij de regering. De Jong gelastte hierop onderzoek. Er werd een commissie samengesteld die in drie maanden deze klus klaarde – er was duidelijk bevolen tot haast. Op 3 juni werd het onderzoek gepresenteerd. Opvallend: in die zomer van 1969 werd het vervolgens doodstil rond de kwestie van oorlogsmisdaden.

De secretaris van het onderzoek was de jonge jurist Cees Fasseur, toen nog geen ervaren historicus maar een beginnende rijksambtenaar. Meer dan wie dan ook is Fasseur in de afgelopen halve eeuw vereenzelvigd met deze Excessennota, zoals het onderzoek al snel genoemd werd. Fasseur deed daar zelf aan mee, hij sprak meermaals en uitvoerig over het overheidsonderzoek. Die zomerse stilte in 1969, stelde Fasseur altijd, was toeval. In een uitzending van Andere tijden uit 2002 over de Excessennota vertelt hij dat er een persconferentie belegd was om de nota te presenteren, maar dat er ander nieuws was dat de aandacht volledig opeiste: een opstand op Curaçao. ‘Half Willemstad was in de as gelegd. Eigenlijk een geschenk uit de hemel voor de afloop van het excessenonderzoek.’

In zijn memoires Dubbelspoor uit 2016 herhaalt Fasseur deze lezing. ‘Op dezelfde dag, 2 juni 1969, waarop de Excessennota door minister-president De Jong in een persconferentie werd gepresenteerd (waarbij ik achter de tafel als zijn secondant mocht optreden), was er ander groot nieuws. Op Curaçao was een staking volledig uit de hand gelopen. In Willemstad hadden stakers huizen en winkels geplunderd en in brand gestoken. Uiteindelijk moesten Nederlandse mariniers met veel machtsvertoon de orde herstellen. Deze gebeurtenissen verdrongen het nieuws over vroeger koloniaal geweld van de voorpagina’s van de Nederlandse kranten.’

Die laatste bewering is feitelijk onjuist. De gebeurtenissen op Curaçao waren in de dagen daarvoor uitgebreid besproken in alle Nederlandse kranten, maar op de dag van de presentatie van de nota was het nieuws te lezen dat de orde op het eiland was hersteld. Op 3 juni, de dag na de persconferentie, haalde de nota wel degelijk de voorpagina’s van alle grote Nederlandse kranten.

Toeval is dus geen valide verklaring voor die plotse stilte. Historicus James Kennedy geeft in zijn boek Nieuw Babylon in aanbouw een andere reden: desinteresse. Het koloniale verleden zou te ver zijn weggezakt. Maar ook die uitleg wringt. In een artikel uit 1972 stelden de onderzoekers Liesbeth Stam en Ben Manschot dat er in de vier weken na de eerste Achter het nieuws-uitzending maar liefst 464 krantenartikelen over oorlogsmisdaden in Indonesië verschenen. Collectieve desinteresse valt moeilijk te rijmen met dat aantal. Ook uit de kijkersbrieven die naar Achter het nieuws werden gestuurd blijkt geen desinteresse: er wordt gesproken over discussies in huiskamers, de klas, het openbaar vervoer en op het werk. Maar als toeval en desinteresse geen bevredigende verklaringen zijn voor die zomerse stilte, wat was er dan wél aan de hand?

De allereerste brief was van een veteraan uit Maastricht. Brief 1701 is twee kantjes lang en staat geschreven op belijnd papier uit een multomap. Met blauwe pen heeft de oud-soldaat aan het einde van het schrijven zijn naam en handtekening, adres en telefoonnummer gezet. Daaronder staat ‘In Indië geweest van 1945 t/m 1948’ geschreven – de man wilde maar aangeven dat hij recht van spreken had. Zijn boodschap: ‘Ik heb uw uitzending gevolgd van ’t achter nieuws, over Indië waarin die mijnheer ’t heeft over dat de Ned. Militairen oorlogsmisdaden hadden gepleegd in Indië. Maar ik zeg u dat deze mijnheer dat liegt. Geen enkele Ned. Militair heeft zich daar aan schuldig gemaakt.’

In veel andere kijkersbrieven is vergelijkbaar sentiment te horen. Wat Hueting en andere veteranen in de uitzendingen verklaarden klopte niet. Dat kon simpelweg niet, redeneerden verschillende veteranen. Zulke beschuldigingen kwamen totaal niet overeen met hun eigen ervaringen.

Een citaat uit brief 1817 van een oud-soldaat uit Zeist: ‘Daar ben ik me ruim 2 jaren ook in Indonesië geweest, heb tal van acties meegemaakt, ben ontelbare malen mee op patrouille geweest. Heb ervaren, wat angst, zweet en bloed is. Heb bij mijn weten nooit en te nimmer aan lafhartige moordpartijen meegedaan, ook niet aan wraakacties en beging ook geen oorlogsmisdaad en hiermee spreek ik voor ons hele Bataljon 1-9.R.I..’

Uit brief 2604 van een oud-soldaat uit het dorp Creil in de Noordoostpolder: ‘Zelf ben ik bijna drie jaar als dienstplichtig soldaat in Indonesië geweest en wel op West en Oost Java. ’K heb het merendeel van die tijd op buitenposten doorgebracht en van zulke excessen was bij ons niets bekend.’

Een zinsnede uit brief 3013, van een veteraan uit Eindhoven: ‘Laat het publiek weten van de wederopbouw waaraan wij met al onze ijver en krachten gewerkt hebben. Het herstel van het wegennet in de steden en in het binnenland. Het herstel van de totaal verlamde economie. Het herstel van de volksgezondheid, kortom van een door vijanden vermorzelde natie.’

Is er reden om te twijfelen aan wat deze en andere veteranen vertellen? Jawel, andere leden van Bataljon 1-9.R.I. verklaarden later in detail dat er door het legeronderdeel wel degelijk oorlogsmisdaden zijn gepleegd. Maar Indonesië is een grote archipel en de omstandigheden en lokale verhoudingen waren zeer verschillend tijdens de oorlog, die bovendien vier jaar duurde. Sommige soldaten werden niet of nauwelijks geconfronteerd met vijandigheid en de gewelddadigheid van guerrillaoorlog en contraterreur. Sommige soldaten losten letterlijk geen schot. Maar dat sluit allerminst uit dat Nederlandse soldaten op andere plekken en momenten wel degelijk gruwelijkheden begingen.

Een getuige vertelde hoe zijn broer ‘als een vis werd geroosterd’ na overgoten te zijn met benzine die vervolgens werd aangestoken

Paul Bijl schrijft in zijn boek Emerging Memory dat daderschap een concept is dat in de herinnering aan het koloniale verleden in Nederland niet voorhanden is. Wie de kijkersbrieven aan Achter het nieuws onder ogen krijgt ziet deze stelling bewezen. Daderschap was voor veel briefschrijvers een concept dat simpelweg niet viel te linken aan Nederland of Nederlandse soldaten. Vaker schreven veteranen over de moeilijke omstandigheden waarin ze verkeerden. Hoe er bij een aantal divisies gebrek was aan goede kleren en wapens. Over hoe Nederlandse soldaten in stukken gesneden werden teruggevonden door hun medesoldaten. Hoe een aantal militairen na de oorlog last kreeg van ‘zenuwziekte’ – zoiets als posttraumatische stressstoornis was toen nog niet bekend. Ook wordt gewezen op de ‘werkelijk verantwoordelijken’: de politici die de oorlog bevalen. Nederlandse soldaten worden zo vaker beschreven als slachtoffers dan als daders.

Aan het einde van de jaren zestig was in Nederland volop de oorlog in Vietnam in beeld. Het bloedbad dat Amerikaanse soldaten hadden aangericht in My Lai zou pas in november 1969 in de publiciteit komen, maar toch moet het de gemiddelde nieuwsconsument in januari al duidelijk zijn geweest dat er op grote schaal wreedheden werden begaan in het Zuid-Aziatische land. In de brieven wordt echter nauwelijks verwezen naar Vietnam. Schrijvers noemen de Tweede Wereldoorlog veel vaker; meermaals wordt het in brand steken en uitmoorden van kampongs vergeleken met de razzia in Putten.

Uit andere brieven spreekt vooral de twijfel. Nederlanders die zich gedroegen als SS’ers, zou het? De schrijver van brief 2311 uit Alkmaar: ‘Wij Nederlanders zijn geen S.S.’ers en stonden daar voor betere idealen!’ Brief 2006: ‘dat in deze jaren een soort moordorgie in Indonesië heeft gewoed en dit land “overvallen” werd, analoog aan de overval van Hitler bijvoorbeeld op Nederland. U weet toch wel beter; ieder die een klein beetje op de hoogte is van de toenmalige omstandigheden zal U anders kunnen vertellen.’ Brief 2716: ‘In stilte hoor ik de nog in leven zijnde N.S.B.-ers al lachen en ook de Duitsers kunnen zich sinds uw uitzendingen in de handen wrijven.’

Konden Nederlandse soldaten daders zijn, zoals de Duitsers dat waren? Wat bleef er dan over van het Nederlandse slachtofferschap? In brief 2942 schrijft de vrouw van een veteraan uit Grijpskerk in Groningen: ‘Ik ben getrouwd met een oorlogsvrijwilliger van het Groninger bataljon, die al dat gepraat waanzin vond, nooit iets dergelijks heeft meegemaakt en het dan ook niet geloven kan. Maar weet u wat de Vara bij mij bewerkt heeft? Dat ik hem vanaf dat ogenblik met argusogen aankijk, diep in mijn hart denkend, of het wel waar is dat hij nooit iets gedaan heeft.’ Het was de fundamentele twijfel aan de Nederlandse onschuld die niet alleen deze vrouw, maar ook het overgrote deel van de Nederlandse bevolking na de uitzending van het interview met Hueting bezighield.

Aan deze onzekerheid kwam een einde toen de Excessennota werd gepresenteerd. In veel van de krantenberichten van 3 juni 1969 is de opluchting tussen de regels door te lezen. De nota beschreef 110 gevallen van geweldpleging of moord. De conclusie was dat er geen wreedheden op structurele schaal hadden plaatsgevonden. Opmerkelijk, want op basis van de gebruikte bronnen kon zo’n uitspraak helemaal niet gedaan worden. Toch werd het beeld dat de Nederlandse krijgsmacht zich als geheel correct had gedragen in de pers ruimhartig overgenomen. Er werd gemeld dat er zeker wel wat was voorgevallen, verschrikkelijke excessen zelfs. De Volkskrant wees daarbij naar het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger en schreef dat dit voor een groot deel uit vrijwilligers uit de inheemse bevolking bestond. Volgens de krant traden deze soldaten mede ‘door hun ras emotioneler op’ dan de witte Nederlandse soldaten. Ook in andere dagbladen werd vooral gewezen naar het Knil.

Premier De Jong was ‘erg onder de indruk van de feiten’. Het onderzoek had een slotwoord waarin hij stelde dat er tegenover de negatieve feiten ‘een overdaad aan positief materiaal’ bestond. Hij had het over ‘daden van zorgzaamheid en opofferingsgezindheid voor de Indonesische bevolking’. Volgens de kvp’er had 99,8 of zelfs 99,9 procent van de soldaten zich goed gedragen. Iedereen kon opgelucht ademhalen. Nederland ging over tot de orde van de dag.

In de dagen nadat de Excessennota openbaar werd gemaakt, trok Achter het nieuws-redacteur Pier Tania naar Zuid-Celebes. Samen met een cameraman maakte hij daar reportages op plekken waar geweldsmisdrijven hadden plaatsgevonden. Ook interviewde Tania Indonesische getuigen en nabestaanden. Deze beelden werden vertoond op 30 juni, in een anderhalf uur durende uitzending. Opnieuw was deze datum uitgekiend: één dag na de uitzending zou er in de Tweede Kamer een debat plaatsvinden over de Excessennota. De beelden waren confronterend. Een Indonesische vrouw vertelde hoe haar man en zwagers werden vermoord door kapitein Raymond Westerling, van wie bekend was dat hij ongekend had huisgehouden op Celebes. Een andere getuige vertelde hoe zijn broer ‘als een vis werd geroosterd’ na overgoten te zijn met benzine die vervolgens werd aangestoken.

Het tweede deel van de documentaire bestond uit een interview met Westerling zelf. Gesproken werd over het invoeren van een ‘zelfontworpen’ standrecht, over executies en geweld op Celebes – Westerling deed geen moeite om zijn daden te verhullen. Hij had carte blanche gekregen. Van wie? vroeg redacteur Hans Jacobs. ‘Van kolonel De Vries, de lokaal gezaghebber in Borneo’, stelde Westerling. Jacobs: ‘Wie waren er verder op de hoogte hiervan?’ Iedereen in de militaire top, zei Westerling. ‘Ze zijn op de hoogte geweest reeds vanaf het begin van de operatie. Van hoe en wat.’ Gold dat ook voor de burgerautoriteiten? ‘Zeer zeker’, reageerde de oud-officier resoluut.

Deze vierde Achter het nieuws-uitzending over oorlogsmisdaden in Indonesië was misschien wel het meest onthullend. Niet alleen om de woorden van Westerling. Hoofdredacteur Herman Wigbold haalde in het slotwoord van de uitzending het rapport van de onderzoekers W.J.H. Stam en C. van Rij aan. Dit onderzoek was in 1949 door de regering ingesteld, maar pas in 1954 brachten Stam en Van Rij verslag uit. Hun conclusie: de militaire, justitiële en burgerlijke autoriteiten in Nederlands-Indië waren op de hoogte en medeverantwoordelijk voor de oorlogsmisdaden op Zuid-Celebes. Het onderzoek werd evenwel nooit gepubliceerd en ook het parlement werd niet op de hoogte gesteld van deze conclusie. Maar in de Excessennota werd het rapport veelvuldig geciteerd, inclusief conclusie. Ook in de kranten die op 3 juni 1969 berichtten over de nota werd het rapport gretig aangehaald. Wigbold wilde met het rapport van Stam en Van Rij de schuldvraag nadrukkelijk op de agenda zetten. Moest de Nederlandse regering haar verantwoordelijkheid niet nemen? Maar ophef bleef deze keer uit en er was in de pers maar weinig aandacht voor de documentaire.

Joop den Uyl citeerde op 1 juli 1969 tijdens het debat in de Tweede Kamer eveneens het rapport van Stam en Van Rij. Was de toenmalige regering op de hoogte? wilde hij weten. Den Uyl stuurde aan op een parlementaire enquête, maar zijn voorstel haalde geen meerderheid. Het hele onderzoek van Stam en Van Rij kon volgens de regering ook niet openbaar gemaakt worden – namen van genoemde mensen moesten beschermd worden, de beschreven incidenten waren te bloederig, het rapport zou een scheef beeld geven. De Jong wilde ook geen militairen vervolgen – amnestieregeling, verjaring van de feiten. Het oordeel was aan de historici, zo besloot de minister-president.

Een sprong in de tijd: het rapport van Stam en Van Rij raakte in de decennia daarna in de vergetelheid, om in 2012 te worden herontdekt door het ncrv-programma Altijd wat. De conclusie van Stam en Van Rij, die in 1969 al in de Excessennota en in verschillende kranten had gestaan, werd gepresenteerd als nieuws. Historicus Ad van Liempt gaf duiding bij dit ‘nieuws’ en legde uit waarom de Nederlandse regering nooit over was gegaan tot vervolging van Raymond Westerling. In zo’n rechtszaak zou boven tafel komen dat de Nederlandse regering al die tijd op de hoogte was. Van Liempt trok die conclusie op basis van de uitspraak van Westerling over kolonel De Vries, uit het Achter het nieuws-interview van 30 juli 1969 – Van Liempt verwees er expliciet naar. Zeker zo opvallend was de uitspraak van Van Liempt dat het ‘allergrootste merendeel’ van de Nederlandse soldaten geen bloed aan de handen had. ‘Maar een heel klein deel wel.’ Van Liempt kon dat op dat moment niet weten, in 2012 was nog geen onderzoek voorhanden dat antwoord gaf op de vraag of de oorlogsmisdaden in Indonesië structureel waren. Later in de uitzending bevestigde Van Liempt dat hiaat, in tegenspraak met zijn eerdere beweringen.

De uitspraken van Cees Fasseur en Ad van Liempt zijn tekenend voor de houding die veel historici lange tijd hebben gehad in de omgang met de oorlogsmisdaden: niet meten, wel denken te weten. Het was uiteindelijk een promovendus uit het Zwitserse Bern die daar verandering in bracht. Met de publicatie in 2016 van De brandende kampongs van Generaal Spoor, de Nederlandse vertaling van zijn onderzoek, plaatste Rémy Limpach het Nederlandse daderschap opnieuw in de volle aandacht. Extreem Nederlands geweld bleek niet incidenteel, zoals premier De Jong had bezworen, maar wel degelijk structureel te zijn geweest.

Een nieuw overheidsonderzoek naar de oorlog in Indonesië, gestart in 2017, zal uitwijzen of de Nederlandse samenleving vijftig jaar na de beruchte Achter het nieuws-uitzendingen wel klaar is om het eigen daderschap onder ogen te zien.


Dit artikel kwam tot stand met medewerking van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid