Terug naar Ieper

‘Ik zeg vaarwel klein vrouwtje’

Honderd jaar geleden, op 11 november 1918 om elf uur ’s ochtends, zwegen in Vlaanderen de kanonnen. Dat was het einde van de Eerste Wereldoorlog. Kees ’t Hart bezoekt Ieper en leest getuigenissen van gevallenen en nabestaanden.

Gewonden bij Ieper tijdens de Eerste Wereldoorlog © Robert Hunt Library / Windmill books / Getty Images

Wie Ieper per trein vanuit de richting Gent binnenrijdt ziet vlak voor het station een paar oorlogskerkhoven: honderden witte kruisjes in boerenland, omringd door een stenen muur, een poortje, een laag gebouwtje, een groot kruis. Tekenen van beschaving. Op een dag, ruim dertig jaar geleden, bezochten we met onze kinderen de invasiestranden aan de Franse kust. Daar direct achter liggen de kerkhoven van gesneuvelde geallieerden. Duizenden witte kruisen in een krachtig en strak verband neergelegd. Onze zoon, destijds een jaar of acht, keek er verbijsterd naar en vroeg: ‘Liggen onder al die kruisen jongens?’ Lange stilte.

Ik ben een slagveldneuroot, dat moge duidelijk zijn, iemand die wil weten hoe het was, hoe het voelde om erbij te zijn. En om te overleven natuurlijk. Ik stond op het slagveld van Agincourt waar in 1410 strijd werd gevoerd tussen Franse en Engelse ridderlegers. Plus boogschutters. Niks meer te zien. Een paar bordjes. Ik bezocht onlangs het slagveld van Jena, waar in oktober 1806 minstens dertigduizend man sneuvelden. Heuvelachtig landschap, mistig die dag. Geen spoor te bekennen van een begraafplaats. Wel een belachelijk obelisk-achtig gedenkteken, plus een vervallen museumpje waar ik niet in durfde. Belandden de gesneuvelden in massagraven? Ik probeerde me hiervan een voorstelling te maken. Een jaar of tien geleden liep ik samen met een amateurarcheoloog rond in Mook, op zoek naar resten van de slag op de Mookerheide in 1574.

We zijn een week eerder in Ieper dan de grote herdenkingsviering daar die zondag 11 november live op de Belgische televisie zal worden uitgezonden, met de Belgische koning erbij, vertegenwoordigers van het Engelse koningshuis, generaals, met kransleggingen en toespraken. Het is de tweede keer dat mijn vrouw en ik in Ieper zijn. Mijn tweede herdenking zal ik maar zeggen.

‘Op 11 november 1918 om elf uur ’s ochtends zwegen de kanonnen.’ Zo kun je het plechtig nalezen in de nabeschouwingen in vooral Belgische, Franse en Engelse kranten. De kanonnen zwegen honderd jaar geleden, alsof het mensen waren die eindelijk hun kop hielden. Drie jaar geleden woonden we een dag of veertien in Ieper en we fietsten dagenlang tussen de kerkhoven door, langs de frontlijnen die met rode en blauwe tekens op 138 speciaal geplante bomen langs de weg zijn aangegeven. Blauw voor de Geallieerden, rood voor de Duitsers. Daar lagen tijdens de Eerste Slag om Ieper de Duitsers, en daar de Britten of de Fransen. Soms op enkele meters van elkaar. Later verplaatste de frontlijn zich en lagen na de Derde Slag daar de Duitsers en daar de Britten en de Canadezen. Driehonderd meter verderop.

We lopen van het station naar het hotel, vlak bij de markt van Ieper waar het grote oorlogsmuseum is, In Flanders Fields, de naam ontleend aan het gedicht van John McCrae dat ik, ook al zal ik het altijd blijven ontkennen, niet zonder tranen kan lezen:

In Flanders Fields the poppies blow
Between the crosses, row on row
That mark our place; and in the sky
The larks, still bravely singing, fly
Scarce heard amid the guns below

Ieper, het ultieme slagveld. Het werd tijdens de Eerste Wereldoorlog geheel aan flarden geschoten, alles weg, en vlakbij vonden de verschrikkelijkste veldslagen plaats. Met aan beide zijden honderdduizenden doden, daar is Jena niks bij. Churchill wilde destijds na de oorlog de ruïnes van Ieper intact laten, als een monument, maar dat vond men in België toch net een brug te ver. Ik heb drie jaar geleden toen we er veertien dagen verbleven niet eens geprobeerd me een voorstelling van zoveel doden te maken, iedere vergelijking schoot te kort, ieder beeld was een gotspe. En ook nu weer ben ik niet van plan me te verdiepen in de bizarre (ir)rationaliteit van dit alles.

De kanonnen zwegen, nou mooi hoor. De omgeving van Ieper, Ieper zelf ook, is honderd jaar later één groot gedenkgebied. Wanneer je er rondfietst, kom je honderden begraafplaatsen tegen. Klein en groot. Soms verscholen achter een kerk of een boerderij, vaak genoeg ook opzichtig tentoongesteld en aangekondigd met een of ander imposant gedenkteken. Ze allemaal bezoeken lukte in veertien dagen niet, maar we hebben er veel betreden. In de gloeiende hitte. Af en toe namen hardop voorlezen, voortdrentelen naar een volgende. Leeftijden uitrekenen, denken aan van alles en nog wat. Allemaal jongens. Hoofdzakelijk Britse begraafplaatsen, Franse gesneuvelden werden meestal naar Frankrijk overgebracht en daar begraven. Soms lagen er bloemen bij een kruis. Van wie? Waarom?

We bezochten ook een Duitse begraafplaats, daarvan zijn er weinig, we bezochten er een bij Langemark waar verschrikkelijk is gevochten. Wat moesten we er? Suizende stilte. Langs de begraafplaatsen drentelen, de Duitsers hadden geen kruisen maar platte stenen. Namen hardop voorlezen, het beeldenpaar van Käthe Kollwitz bekijken dat ze voor haar gesneuvelde zoon liet plaatsen. Een paar Duitse vrijwilligers waren de graven aan het verzorgen omdat ze verwaarloosd waren. Dit was een zaak van vrijwilligers, zij verbleven hier een week en daarna kwamen er anderen. Rustige mannen met kalme blik. Even koffie drinken. Denken aan het enthousiasme waarmee ook deze jongens de oorlog in gingen. Proberen hier een voorstelling bij te maken. \

Ewoud Kieft schreef er een huiveringwekkend boek over, Oorlogsenthousiasme: Europa 1900-1918. Iedereen was enthousiast over de oorlog, oorlogsverheerlijking was normaal. Kieft laat zien dat dit enthousiasme geen randverschijnsel was, geen afwijking van een stel halve garen. Iedereen verlangde naar oorlog, je was een uitzondering als je er vraagtekens bij zette. Ik was vast en zeker ook enthousiast geweest, we zullen die moffen wel even een lesje leren. Iemand als de filosoof Bertrand Russell die ertegen was, was een outcast.

‘Vlak bij me lag een man met een klein gaatje in zijn voorhoofd, en dicht bij hem kroop een ander rond bij wie het bloed uit zijn been spoot’

Er moest iets gebeuren, dat was de algemene tendens, de wereld was in verval, oorlog was de beste oplossing. Dit enthousiasme bleef lang doorsudderen. Zelfs nadat de eerste honderdduizenden gesneuveld waren, drong nauwelijks door wat deze oorlog betekende. Langzamerhand begonnen slagveldverhalen door te sijpelen, eerst nog de heldhaftige, de verhalen dus die de censuur hadden overleefd, maar later de verhalen over de plotselinge dood, het lijden, de verschrikkingen. En zelfs toen bleef het enthousiasme en de vaderlandsliefde dooretteren. Maar niet meer bij iedereen.

In Ieper schreef ik destijds de eerste versie van een verhaal rondom een mitrailleur. Ik bezit loden soldaatjes die ik als jongetje van tien zelf goot. Daaronder bevindt zich een mannetje achter een mitrailleur. Uit de Eerste Wereldoorlog, dat is duidelijk. Welk type mitrailleur? Duits? Engels? In Ieper ging ik op zoek naar achtergrondinformatie. Welke rol speelden mitrailleurs op de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog? Ik maakte kennis met Piet Chielens, directeur van het museum In Flanders Fields, en zijn vrouw Annick Vandenbilcke, ook zij werkt in het museum. Zij maakten me wegwijs in de gigantische literatuur over mitrailleurs, praatten me bij over de vele herdenkingen die vanaf 2014 in Ieper en elders rondom de oorlog plaatsvonden en nog steeds plaatsvinden. Piet vertelde dat men in 1914 de oorlog nog in ging op paarden, soldaten waren gekleed in kleurige uniformen zodat ze elkaar beter konden zien. Mitrailleurs maakten voorgoed een einde aan alle illusies over heldhaftig gedrag. Duizenden soldaten stierven al tijdens de eerste aanvalsgolven nadat ze opgewekt het mitrailleurvuur in liepen. Dat was niet afgesproken toen ze afscheid namen van hun geliefden.

Ieper, België, 2016. Herbegrafenis van een anonieme Britse soldaat en twee Australische gesneuvelden © Antony d’Ypres / Hulton Archive / Getty Images

Voordat we opnieuw naar Ieper gingen, las ik De geschreven oorlog, samengesteld en verantwoord door Piet Chielens, Pieter Trogh en met medewerking van Dries Chaerle en Annick Vandenbilcke. Een pak van een boek, een ongehoorde bloemlezing uit verslagen, brieven, gedichten, documenten en belevenissen van getuigen. Vaak afkomstig uit de archieven van het museum, maar ook uit dagboeken, romans en brieven die elders verschenen. Algemene beschouwingen over de oorlog ontbreken, geen debat over de schuldvraag, maar wel onopgesmukte beschrijvingen van hoe het eruitzag, wat mensen meemaakten. Hoe het rook en voelde. Precies wat ik altijd wil weten.

Het boek reisde wekenlang met me mee. Ruim duizend pagina’s met de verschrikkelijkste, raarste en ontroerendste verhalen van het front. Ook van gerenommeerde schrijvers als Ernst Jünger, Cyriel Buysse, Jean Cocteau, Marcel Proust en Céline, maar vooral van soldaten, verpleegsters, vluchtelingen, generaals, familieleden, dorpsbewoners, voorbijgangers, gevangenen, thuisblijvers en zelfs van gefusilleerden vlak voor ze voor het vuurpeloton belandden. Niet de officiële geschiedschrijving, maar berichten van getuigen en thuisblijvers, ook die van Duitsers. Chronologisch gerangschikt. Soldaten, officieren, pacifisten, journalisten, Duitse jongens, Engelse jongens, rare kletsmeiers, goedpraters, nationalisten, warhoofden, geliefden en verliefden.

Deze anthologie is een levenswerk en een meesterwerk. Niet alleen zochten de samenstellers de getuigenissen minutieus bij elkaar, waarbij men vooral koos voor de diversiteit van de verslaggeving, maar bij ieder bericht is de vindplaats aangegeven, de omstandigheid waaronder de brief of tekst werd geschreven, plus ook nog een korte of langere biografie van de schrijver of schrijfster. Een waar monnikenwerk. En precies deze toelichtende beschrijvingen geven de bloemlezing haar grote kracht. Je leest waar iedereen vandaan kwam, wat hij of zij deed, waar hij of zij was, waar en wanneer en hoe hij sneuvelde, of overleefde. Zo krijg je een beeld van de gezichten van de oorlog.

Veel frontsoldaten schreven bijvoorbeeld juist wanneer er bombardementen plaatsvonden of vlak voor zij zelf ten aanval moesten trekken. Schrijven gaf ze het gevoel dat ze in ieder geval nog leefden, zolang je kon schrijven was je nog aanwezig. En steeds de opgewekte toon in de brieven, men wil het thuisfront niet lastigvallen met sombere of vreselijke verhalen. Met steeds van die vrolijke groeten aan iedereen, aan dorpsgenoten, vrouw en kinderen. ‘Groet haar, ze moet ijverig zo doorgaan. Groet ook Hänschen, groet en dank aan Germania. Tot ziens!’ Of de brieven en briefjes van het thuisfront. Denise Lamour mag eindelijk een brief aan haar vader Georges schrijven: ‘Ook bid ik goed voor jou en je soldaten. Jean wordt ’s nachts veel wakker en weent dan, maar ja, hij is nog klein, hè. Ik hoop dat alles goed met je gaat, en ik zoen je met heel mijn hart, Denise.’

Over dat vreemde oorlogsenthousiasme vind je een lang gedicht van Jean Balde, pseudoniem van Jeanne Alleman, geliefde van André Lafon die als verpleger aan het front werkte en in 1915 aan roodvonk bezweek. Daarin de volgende regels: ‘Ik zag de opeengepakte massa voor me die augustusdag,/ hoe ze aan kwamen gelopen over de stenen straatweg,/ bloemen in de geweerloop, bloemen op het voorhoofd/ door vele handen van de stoep en van balkons gestrooid.’ En van de filosoof Edmund Husserl tref je een klein verslagje aan over zijn bezoek aan zijn zoon, die gewond was geraakt. Hij kan het niet nalaten de schoonheid van Brugge te bezingen: ‘Op de Grote Markt en in de hoofdstraat veel militaire bedrijvigheid, maar wat een vredige stilte als je de zijstraten in loopt! Ik heb er twee uur lang rondgezworven en ben zo opgegaan in een fabelachtig droomland.’ Gewoon ontkennen dus van wat er gaande is.

Merkwaardig blijven de vele vermeldingen over het mooie en vaak ook slechte weer tijdens de veldslag, of over het fraaie landschap dat helaas langzamerhand in een modderachtige brij veranderde. En over het bombardement dat er zo schitterend uitziet, ‘net als bij ons tijdens het vuurwerk met oud en nieuw’. Een esthetische blik bleef iedereen vergezellen, daar viel blijkbaar niet aan te ontkomen. En steeds terugkerende pogingen het slagveld zo precies mogelijk te beschrijven, opdat het thuisfront er geen vergissingen over maakt. Ralph Hale Mottram, zoon van een bankbediende uit Norwich, schrijft bijvoorbeeld: ‘Ik werd direct getroffen door het kenmerkende van het moderne landschap – het enorme kabaal, voortdurende explosies, het verlaten landschap, alles volkomen onbeweeglijk.’ En verderop: ‘Toen was er ineens een enorme ontploffing waardoor ik meters ver werd geworpen. Ik krabbelde overeind en forceerde me om te lachen. Vlak bij me lag een man met een klein gaatje in zijn voorhoofd, en dicht bij hem kroop een ander rond bij wie het bloed uit zijn been spoot.’

Dat lachen, dat is waar het om gaat, ik zou ook hebben gelachen, ik weet het zeker, want zo iets raars als in de loopgraven maak je uiteraard maar zelden mee. Let ook op de tamelijk plechtige bewoordingen waar alle ooggetuigen last van hebben, allemaal bedoeld om de verschrikkingen te bezweren en de dood op afstand te houden. En vaak zetten zowel soldaten als generaals erbij dat ze nog leven, want anders zouden ze deze brief aan hun geliefde of hun ouders niet geschreven hebben. Galgenhumor.

‘Vaarwel leve Frankrijk nu heb ik mijn schuld ingelost – ik heb mijn werk als officier volbracht – ik kan sterven...’

Charles Edmonds beschrijft hoe hij allerlei krankzinnige bezweringen bedacht die moesten voorkomen dat hij geraakt werd. Als je een bepaald liedje foutloos weet te fluiten ben je veilig. Of je moet de derde plank van boven van een loopgraaf drie keer aantikken voordat de granaat inslaat, dan overkomt je niks. Clément Edouard Pasquier schrijft door nadat hij zwaargewond is geraakt, een ultieme poging om de dood te bezweren: ‘Ik ben gewond geraakt aan mijn bovenbeen – ik weet niet of ik het zal overleven – in ieder geval houd ik eraan om het heldhaftig gedrag te vermelden van de ziekendragers die gevallen zijn terwijl ze mij naar de hulppost vervoerden.’ En dan zijn laatste zinnen (letterlijk in bloed geschreven) waarbij hij toch nog heldhaftig voor het vaderland wenst te sterven. Ik probeer dit zo rustig mogelijk over te typen: ‘Als ik niet terugkeer zeg ik vaarwel klein vrouwtje lieve schat en aan mijn twee schattebouten – ik zou zo gelukkig zijn jullie nog eens even te zien – vaarwel liefste moeder en jij mijn tweede moeder en mijn beste vader en iedereen van wie ik hou – het is mijn wens om in Poitiers begraven te worden zodat ik niet eenzaam achterblijf – vaarwel leve Frankrijk nu heb ik mijn schuld ingelost – ik heb mijn werk als officier volbracht – ik kan sterven…’

Of neem het verhaal over de executie van Herbert Chase nabij het trappistenklooster van Sint Sixtus, vlak bij Ieper. Chase had zijn post verlaten tijdens de laatste gasaanval in 1915 van de Tweede Slag bij Ieper. De summiere processtukken zijn erbij gevoegd. Piet Chielens vertelde me dat de kogelgaten van de executie daar nu nog bij het klooster te zien zijn, drie jaar geleden is er zelfs een herdenking gehouden. Getuige broeder Edmundus Joye schrijft: ‘Om 4.30 deze morgend hoorden wij in ’t bosch 25 schoten tegelijk, als waar het een school geweest. (…) Reeds eenige dagen zat hij in het bosch gevangen in een klein tentje. ’s Avonds tevoren als men zijn doodvonnis aflas waren zij reeds bezig zijn graf te delven. Hij werde gewonden in een sargie en zoo begraven zonder doodskist. Drie onzer vluchtende priesters hebben vergeefsche pogingen aangewend om hem te bekeeren. Hij was protestants, meen ik.’

Ik kom in de bloemlezing een paar getuigenissen tegen van Vera Brittain (1893-1970) die wanhopig wacht op berichten van het front van haar broer Edward en later ook op die van haar geliefde Roland. Ik genoot van de laconieke kracht en de meedogenloos opgewekte toon van haar schrijfwerk waarin ze niemand spaart, ook zichzelf niet. En ik las haar fraaie boek Testament van de jeugd waaruit de getuigenissen afkomstig zijn. Daarin bijvoorbeeld de volgende adembenemende zin: ‘Het zal niet al te veel verbazing wekken dat ik de oorlog in eerste instantie vooral beschouwde als een uiterst ongelegen hinderpaal voor mezelf in plaats van een wereldwijde catastrofe.’ Dit uiterst geestig verwoorde gevoel van verongelijkt misprijzen gaat snel over wanneer ze een opleiding tot verpleegster volgt, daadwerkelijk gewonden gaat verplegen en haar broer en geliefde en nog een stel andere vrienden in de oorlog jammerlijk verliest.

Haar beschrijving van het moment vlak voor ze het bericht van de dood van haar geliefde krijgt te horen is van een grote ingehouden schoonheid waar ik nog steeds de emotionele kracht van probeer te doorgronden. ‘De volgende ochtend was ik net klaar met aankleden en legde ik de laatste hand aan mijn pastelblauwe blouse van crêpe de Chine toen het langverwachte bericht kwam dat er telefoon voor me was. Ervan overtuigd dat ik eindelijk de stem zou horen waarop ik vierentwintig uur had gewacht, haastte ik me blij door de gang. Maar het bericht was niet van Roland, maar van Clare; het was niet om door te geven dat hij die ochtend was aangekomen, maar om me te informeren dat hij op 23 december in een veldhospitaal was bezweken aan zijn verwondingen.’

Ieper, België, 1918. Zoeken naar oorlogsmaterieel en andere spullen op een slagveld © Christopher Furlong / Getty Images)

We gaan in Ieper eerst naar de Menenpoort waar op de muren duizenden namen van gesneuvelde Britse soldaten zijn gebeiteld. Mijn vrouw maakt een paar foto’s van neergelegde kruisjes met een klaproos en van de grotere klaprozen met papieren kransen. Daarna gaan we naar het museum waar ik met Piet en Annick heb afgesproken. Op het plein voor het museum torent een reusachtig blinkend wit reuzenrad hoog boven het middeleeuws gereconstrueerde plein en zijn gebouwen uit. We halen eerst herinneringen op aan ons vorige verblijf. Piet reed ons destijds een dag rond langs de frontlinies en vertelde dat er nog steeds onontplofte granaten werden gevonden. Als boeren ze vonden deponeerden ze die in uitgespaarde nissen van elektriciteitspalen langs de weg zodat de mijnendienst ze later kon ophalen. Hij had het nog niet gezegd of we reden langs zo’n paal, en ja, er lag een forse granaat in. Weet je nog Piet! Die had je er natuurlijk een uur daarvoor zelf neergelegd! Mijn vrouw maakte er een foto van, we waren diep onder de indruk.

Piet en Annick vertellen over de herdenkingen van de afgelopen jaren. De belangstelling voor het museum was in het begin overweldigend, ze nam wel even iets af, maar er bleef toch een grote stroom van bezoekers. Die neemt nu eerder toe dan af. Steeds meer Engelse scholieren bezoeken het museum en maken de dagelijkse Last Post mee, die sinds 1928 onder de Menenpoort wordt geblazen. Het lijkt erop dat het daar steeds drukker wordt. Er is af en toe Brits militair vertoon, veel Engelse kadetten komen naar Ieper en er hangt soms een lichte vorm van nationalisme rond de herdenking daar, maar er is geen sprake van zwaar aangezet vlagvertoon of militaristisch getamboereer. Piet vertelt dat er op de herdenkingsdag bij de Menenpoort twee Last Posts zullen zijn, een om elf uur ’s ochtends, op het moment van de wapenstilstand, ‘als de kanonnen zwijgen’, maar ook een op het gewone dagelijkse tijdstip om acht uur ’s avonds. Val Carman, artist in residence van het museum, organiseert die dag een optocht met lege stoelen die het verlies van de families thuis symboliseren.

’s Avonds zijn we al om half acht bij de Menenpoort. Drie jaar geleden waren we er iedere avond, dat was in juli, het was toen nog licht. Nu begint de avond te vallen, wat een spookachtig effect geeft. In de verte het verlichte draaiende reuzenrad. Er zijn al honderden bezoekers, de stemming is sereen, verderop staan de tientallen bussen waarmee iedereen is aangevoerd. Dit is opnieuw een verhevigd schouwspel waarover ik me altijd zorgen maak. Beklemming maakt zich van me meester, net als iedere keer drie jaar geleden. Ik wil hier helemaal niet zijn, hier onder de poort van dit reusachtige gedenkpaleis. Maar ik ben er wel.

Er zijn zeker duizend bezoekers, niet veel meer dan drie jaar geleden. Veel scholieren, die bij ons in de buurt vrolijk met elkaar staan te ginnegappen. Eentje krijgt de slappe lach en verdwijnt naar achteren. Veel kinderen van een jaar of tien, ze zitten voor ons op de grond. Ik wil helemaal geen plechtigheden, ik wil heel stil staan. Het wordt steeds drukker, we staan op een mooie plek en kunnen alles goed zien. Een man neemt het woord en vraagt om stilte tijdens de ceremonie. Dan wurmen op het moment dat de kerktoren in de verte acht uur begint te slaan zes klaroenblazers van de Ieperse brandweer zich langs ons. Zes blazers! Drie jaar geleden waren het er drie of vier. Ze lopen achter elkaar naar voren, stellen zich naast elkaar op en beginnen na een zacht commando van een van hen te spelen.

Hartverscheurend, net als drie jaar geleden, ik dring tranen terug, lijd aan zelfhaat. Ze blazen lang, zowel schel als indringend en dan ineens zachter, ik kan de melodielijn meeneuriën, maar doe het niet. Na afloop stilte. Een man stapt naar voren en houdt in het Engels een kleine toespraak, ik kan het niet volgen, maar ik weet wat er gaat komen. Hij eindigt zijn toespraakje zoals altijd met de zin: ‘We will remember them.’ En daarna fluisteren de aanwezigen, zacht als de wind, de woorden mee: ‘We will remember them.’ Ik zeg ze niet mee, schaam me daar weer voor.

Dan begint de kranslegging, ook een vast onderdeel van het programma. Tientallen mannen, vrouwen, jongens en meisjes, individuen, groepjes, lopen naar voren en leggen een krans. Ieder om de beurt. Pas nu is het afgelopen. De trompetters die de hele tijd in de houding hebben gestaan wurmen zich terug langs ons en blijven vlak bij ons staan. Ik kan ze aanraken. Rustige Belgische mannen, straks gaan ze vast en zeker een sigaretje roken. Ik herken er twee van drie jaar geleden. Ik grijp mijn kans en zeg tegen een van hen dat ik er drie jaar geleden vaak bij was. ‘Toen speelde u altijd met drie of vier man, is dat veranderd?’ ‘Nee, nee’, zegt hij, ‘we spelen gewoonlijk met z’n drieën of vieren, maar af en toe laten we wat jongere blazers meespelen, dat willen ze, om alvast eraan te wennen.’ ‘Het was weer schitterend’, zeg ik.


Ewoud Kieft, Oorlogsenthousiasme: Europa 1900-1918, De Bezige Bij, 2014, 352 blz., € 29,90.Piet Chielens, Pieter Trogh en anderen, De geschreven oorlog, Manteau/De Bezige Bij, 2016, 1009 blz., € 39,95. Vera Brittain, Testament van de jeugd, De Bezige Bij, 2016, 635 blz., € 24,99