Het messiascomplex

‘Ik zegen je, mijn zoon’

De verschillende varianten ervan hebben één ding gemeen: het individu met het messiascomplex torst het leed van de wereld op zijn schouders en is ervan overtuigd dat redding mogelijk is – door hem, de uitverkorene.

Zondagochtend in Brussel. De regen kronkelt over het raam van de studeerkamer. Beneden rappen de jongens van het sushirestaurant mee met de radio terwijl ze hun visjes in de rijst rollen. In de verte hoor ik de klokken van Église Saint Croix aan Place Flagey.

Met dat geluid word ik, zoals ze zeggen, teruggeworpen in de tijd: ik ben weer twaalf, een koorknaapje, pulkend aan zijn partituur. We zingen een hoogmis. De pastoor preekt over lammeren en leeuwen, maar ik denk aan Nintendo en Magic-kaarten. Als ik opkijk van mijn bladmuziek zie ik een halflege kathedraal St. Bavo in Haarlem. Ik weet precies bij welke zuil mijn moeder zit. Verveeld glijdt mijn blik over het orgel, de protserige ornamenten, het glas-in-lood. Mijn aandacht blijft steeds steken bij de muurschildering boven de uitgang: een schele Jezus. En ik herinner me: tijdens die oersaaie diensten houdt Hij me gezelschap. ‘Hoe lang moeten we nog, schele Jezus?’ vraag ik aan Hem. Hij antwoordt altijd heel geduldig: ‘Nog even volhouden.’ Of: ‘Niet lang meer, kleine jongen.’

Praatte ik destijds echt met Hem? Of bestond Hij alleen maar in mijn fantasie? Wat ik daarover als twaalfjarige dacht weet ik niet meer; tegenwoordig ben ik geneigd te geloven dat ik tegen mezelf sprak. Schele Jezus als afgesplitste stem in mijn hoofd, een ‘auditieve hallucinatie’, de menselijke geest die zichzelf geruststelt – ook daarin schuilt een vorm van troost. Cruciaal was dat er altijd een ‘ik’ was die tegen een ‘Hem’ sprak. Nooit hoorde ik alleen nog Zijn stem, laat staan dat ik Zijn stem dreigde te verwarren met de mijne.

Voor sommige mensen is dat anders. Bij hen wordt het onderscheid tussen innerlijke stemmen troebel, of verdwijnt helemaal. Zo iemand noemen we psychotisch. In sommige gemeenschappen is het heel gewoon om een tijdje bezeten te raken door een religieuze figuur, een geest of demon, maar niet bij ons. Wie zich in onze samenleving identificeert met iemand als Jezus – zeker met iemand als Jezus – en in de buurt is van iemand die zich identificeert als psycholoog of psychiater, loopt het risico om te worden opgenomen in een instelling. Het is zelfs een vrij veel voorkomende waan: geloven dat je een profeet bent, of een andere reddersfiguur. En er is een naam voor: het messiascomplex.

We kennen allemaal wel iemand die het leed van de wereld op z’n schouders torst. De onverbeterlijke wereldverbeteraar, of iemand die het tot een levensdoel gemaakt heeft om anderen te helpen. Het is degene die meent anderen te móeten redden – dat kan een partner zijn, een specifieke groep mensen, zelfs de hele wereld.

Soms is dat dus heel letterlijk zo: als iemand écht gelooft dat hij Jezus is, of Mohammed, of Boeddha. Het is de sjofele meneer die op het parkbankje naast je komt zitten en zegt: ‘Ik zegen je, mijn zoon.’ In zo’n geval is tijdelijke opname en een snufje Haldol soms geen gek idee. Het kan zelfs een beetje wreed zijn om zo iemand niet te redden van zijn redderswaan: voor je het weet heeft hij zich maandenlang uitgehongerd, apostelen om zich heen verzameld en een sekte gesticht. Wat er allemaal kan gebeuren als zo iemand niet op het juiste moment wordt geholpen, is mooi te zien in de documentaire Wild Wild Country op Netflix, over de spirituele goeroe Bhagwan Shree Rajneesh en zijn malle volgelingen. Zo iemand heeft wat wel een ‘open’ messiascomplex genoemd wordt.

Voor de verlosser is er geen verschil tussen helpen en redden, en hij beseft niet dat hulp één stap verwijderd is van dwang

Maar de term messiascomplex wordt ook gebruikt voor iets anders, iets minder tastbaars, namelijk: de onbewuste overtuiging dat iemand een redder of verlosser is. In zo’n geval gaat het om een mind set, een levenshouding. We spreken dan van een ‘verborgen’ messiascomplex. Je ziet het vaak terug bij mensen die werken in de zorg of politiek: beroepen waar mensen verantwoordelijk zijn voor het welzijn van anderen. Het zijn de mensen bij wie hun identiteit compleet is gaan draaien om de zorg die ze verlenen: de gladde talkshow-psychiater, of die ene zure verpleegster die zichtbaar geniet van het kleine beetje macht dat ze over je heeft.

Een open complex is een onmiskenbare vorm van psychose, met vaak de hele bijbehorende rataplan: hallucinaties, angsten, paranoïde gedachten. De verborgen variant heeft meer weg van narcisme. En net als bij narcisme is het niet per se iets slechts: waar zouden we zijn zonder de onuitputtelijke zorgverleners van de samenleving? Zoals altijd in de psychologie schuilt het gevaar in de overdrijving: als een manier van denken is doorgeschoten, of rigide is geworden. In zo’n doorgeschoten variant van het verborgen messiascomplex plaatst de verlosser zich boven anderen. Stiekem vindt hij zichzelf dan heel wat beter dan al die gemankeerde zondaars zoals u en ik. Voor hem is er geen verschil meer tussen helpen en redden, en hij beseft niet dat hulp slechts één stap verwijderd is van dwang. Hulp is in beginsel democratisch, redding hiërarchisch – je kunt alleen iemand redden in een asymmetrische relatie. Zo’n houding wreekt zich meestal relatief snel, aangezien zelfs de meest hulpbehoevende mensen op een gegeven moment schoon genoeg krijgen van zo’n arrogante dwingeland. Je ziet dat het best terug in de politiek. De messiaanse politicus ensceneert niet zelden onbewust zijn eigen kruisiging: ‘Als dat dan de situatie is, dan wil ik, als hoogste persoon in deze politieke orde, de politieke verantwoordelijkheid nemen.’

Hoewel de verborgen verlosser waarschijnlijk vaker voorkomt, spreekt de psychotische messias meer tot de verbeelding. The Three Christs of Ypsilanti (1964) is een klassieker in de psychologische literatuur. De Amerikaanse psychiater Milton Rokeach beschrijft daarin het verhaal van drie patiënten die heilig geloven dat ze Jezus zijn. Rokeach had het even briljante als wrede idee om de heren twee jaar lang bij elkaar te zetten en alles samen te laten doen: eten, slapen, zelfs de was. Doel van het experiment was om de mannen met elkaars illusie te confronteren en ze te helpen inzien dat geen van hen de ware verlosser kon zijn: er is maar één Jezus, tenslotte. Leuk geprobeerd, het levert bij vlagen een hilarisch boek op, maar het tegenovergestelde gebeurde natuurlijk: de mannen begonnen het personeel te wantrouwen en werden niet beter, maar wel vrienden, vrolijk verenigd tegen Rokeach en de verplegers, die ze hun gekoesterde illusie wilden afnemen. Onlangs werd er een matige film over gemaakt met in de hoofdrol Richard Gere als de psychiater.

Tegenwoordig is Three Christs hét schoolvoorbeeld van een ethisch twijfelachtig experiment met kwetsbare mensen. Je blijft als lezer inderdaad achter met de indruk dat het boek weliswaar gaat over drie mannen die menen dat ze Jezus zijn, maar eigenlijk over vier mensen met een messiascomplex. Uiteindelijk zag Rokeach dat zelf ook in, in een herdruk schreef hij: ‘Met mijn experiment heb ik niemand genezen, alleen mijzelf van de goddelijke illusie dat ik anderen door manipulatie zou kunnen veranderen.’

De woorden ‘messias’ en ‘christus’ betekenen allebei ‘gezalfde’. Zalving is een oud-oosters ritueel om iets te heiligen. ‘Complex’ is een term uit de psychiatrie die een onbewuste oriëntering of preoccupatie aanduidt. Een messiascomplex is dus zoiets als een mentale preoccupatie met heilig-zijn. De term komt voort uit de botsing van twee zienswijzen: een religieus wereldbeeld en de medisch-seculiere kijk op de mens. Voor het gemak kunnen we stellen: met de psychiatrische bril op kun je zeggen dat elke profeet uit de geschiedenis een messiascomplex moet hebben gehad. Maar voor alle duidelijkheid: dat staat los van de vraag of ze ook daadwerkelijk in contact stonden met iets transcendents – die vraag kunnen we overlaten aan de theologen.

De eerste psychoanalytische beschrijving van een messiascomplex is te vinden bij Freud in zijn bespreking van de dagboeken van Daniel Paul Schreber, een Duitse rechter die last had van paranoïde wanen. De rechter geloofde onder meer dat hij door een hogere instantie werd geïnstrueerd door middel van goddelijke stralen en dat God hem langzaam in een vrouw aan het veranderen was. In Schrebers beschrijvingen zag Freud een preoccupatie met religie, geslacht en seksualiteit, en hij wierp de hypothese op dat Schrebers fantasieën hun oorsprong hadden in de verdringing van homoseksuele gevoelens over zijn vader en broer. Hoewel hij de term messiascomplex zelf niet gebruikt, deden enkele van Freuds volgelingen dat wel.

Iemand in een psychose voelt zich terecht bijzonder: hij voelt, ziet en denkt dingen die er voor anderen niet zijn

De mooiste literaire verbeelding van een messiascomplex is van de Amerikaanse sciencefictionauteur Philip K. Dick. In zijn autobiografische boek VALIS (1981) verbindt hij de open en verborgen versies van het messiascomplex. Het verhaal gaat over een schrijver, duidelijk gebaseerd op Dick zelf, die lijdt aan de compulsieve neiging anderen te helpen. De hoofdpersoon stort in als een goede vriendin zelfmoord pleegt: ondanks verscheidene pogingen heeft hij haar niet kunnen redden. Kwetsbaar door het verlies wordt hij overvallen door een reeks toevallige gebeurtenissen die in zijn hoofd worden omknoopt tot een grandioos reddersverhaal, met voor zichzelf een glansrijke hoofdrol. Het is een geweldige truc: Dick gebruikt de psychose van de hoofdpersoon als opening van het bovennatuurlijke deel van zijn roman. Het blijft onduidelijk wat er nu echt gebeurt en wat zich enkel afspeelt in het hoofd van de protagonist. Op een gegeven moment maakt dat niet meer uit en zit je als lezer in het verhaal. Zo dwingt Dick je door zijn beschrijving van de psychose in een onvrijwillige suspension of disbelief. En daarmee is het niet alleen een van de mooiste illustraties van de twee versies van het messiascomplex, alsook een illustratie van hoe ze soms samengaan, maar ook een waarachtige verbeelding van de beklemmende ervaring van een psychose.

Hoe ontstaat een messiascomplex? De verborgen variant heeft waarschijnlijk een soortgelijke oorsprong als narcisme. Even kort door de bocht: de narcist heeft in zijn jeugd een structureel gebrek aan aandacht gehad, en zich systematisch gekleineerd gevoeld. Als volwassene dealt hij daarmee door in fantasie anderen klein te maken. In de heftigste variant is een narcist een soort poppenspeler die altijd de touwtjes in handen wil hebben: anderen zijn voor hem een soort marionetten, hooguit toeschouwers in zijn grandioze schouwspel. Voor iemand met het verborgen messiascomplex zijn anderen weliswaar geen marionetten, maar wel een soort zielepietjes. Minder griezelig dan bij narcisme dus, maar de ander wordt wel op een vergelijkbare manier van hem afhankelijk gemaakt. In plaats van te kleineren verleent de verborgen messias compulsief zorg, maar het is zorg die uiteindelijk voortkomt uit een controlebehoefte.

De ontstaansgeschiedenis van de psychotische variant van het messiascomplex is ingewikkelder. Analytici begrijpen een psychose als een primitieve psychische toestand, een terugkeer naar de vroegste vorm van kinderlijke beleving: als er nog geen verschil is tussen zelf en ander, met als belangrijkste kenmerk een afbraak van de ego-structuur: het cognitieve filter waardoor de werkelijkheid in het dagelijks leven aan ons verschijnt. Dat komt voor bij ernstige aandoeningen als schizofrenie, maar soms ook tijdelijk bij relatief gezonde mensen door extreme uitputting, of bij het gebruik van hallucinogene middelen, zoals paddo’s of lsd. In een psychose komen er veel meer en heftigere impulsen bij iemand binnen: de binnen- en buitenwereld overspoelen de menselijke geest. Er is geen structurerende kern meer – things fall apart; the centre cannot hold.

Op zo’n moment klinkt de sputterende Puch van de buurjongen ineens als onweer bij heldere hemel; de schittering van de avondzon op het IJsselmeer voelt als messteken in de ogen. Om vat te krijgen op zulke overweldigende ervaringen worden de scheuren in de textuur van de ervaring in allerijl opgevuld met archaïsche verhalen en symbolen, waarmee de geest probeert in alle verwarring toch nog enige narratieve samenhang aan te brengen. Geen wonder dat mensen in een psychose dikwijls spreken in religieuze termen, en zich uitverkoren voelen: religieuze verhalen lenen zich bij uitstek voor de verklaring van buitengewone fenomenen; daarnaast voelt iemand in een psychose zich terecht bijzonder: hij voelt, ziet en denkt dingen die er voor anderen niet zijn. Dat kan heel eenzaam voelen, maar ook de indruk geven dat hij in een speciale relatie staat tot het geheel der dingen, uitverkoren is dus. Zo verklaren onderzoekers het zogenaamde ‘religieuze egocentrisme’ in psychoses.

De Hongaars-Brits-Amerikaanse journalist en psychoanalyticus Nandor Fodor bestudeerde mensen met een messiascomplex. In People Who Are Christ (1955) beschrijft hij de psychische paden die leiden naar zowel open als verborgen versies van het complex. Fodor was een begenadigd schrijver en het verhaal staat vol interessante anekdotes, casussen en opmerkelijke conclusies. Zo beweert de analyticus onder andere dat vrouwen even vatbaar zijn voor een open messiascomplex als mannen; de mooiste casus gaat over een vrouw die zich Jezus waant. Het verhaal gaat zo: als klein meisje was zij altijd al gefascineerd door Hem. Ze was onder de indruk van zijn lange haren en slanke gestalte, en ze vermoedde dat Hij onder zijn lendendoek waarschijnlijk geen piemel had. Toen ze zich later in haar leven meer man dan vrouw begon te voelen, identificeerde ze zich met de Jezus uit haar jeugd. Het waren de jaren veertig: voor de vrouw was het acceptabeler om als messias door het leven te gaan dan om te omarmen dat ze een man was in een vrouwenlichaam. Geheel conform de tijdgeest beschrijft Fodor de casus van de vrouw als een geval van penisnijd die uitmondde in een psychotische waan; tegenwoordig zouden we het verhaal van de vrouw waarschijnlijk uitleggen als een ingewikkelde vorm van genderdysforie.

Uiteindelijk concludeert Fodor dat aan alle versies van het complex, zowel de open als verborgen varianten, een kinderlijk verlangen vooraf gaat: de wens om exclusieve aandacht van een ouder te krijgen. De psychotische messias voelt zich door zijn religieuze waan op een uitzonderlijke manier verbonden met het anterieure, het voorouderlijke; de verborgen messias probeert door zijn zorg voor anderen de gunst van een verinnerlijkte ouderfiguur te winnen. Fodor zegt het zelf zo: meestal is het onbewuste doel van iemand met een messiascomplex om plaats te nemen aan de rechterhand van de vader – of moeder.

Net als een individu kan ook een groep afglijden in psychotisch denken. Als er in een samenleving achter elkaar veel zekerheden wegvallen, en er geen betrouwbare autoriteiten meer lijken te zijn, kunnen ook groepen in een gedachtestroom terechtkomen waarin het verschil tussen wat waar is en wat onwaar verdwijnt, waarin de werkelijkheid wordt opgedeeld in termen van goed en kwaad, en waarin sommige mensen kwetsbaar worden voor vijandigheid en zondebokdenken. Onder zulke omstandigheden kan ook een groep ontvankelijk raken voor een messiaanse belofte van narratieve cohesie.

Sociologen hebben zulke processen beschreven na de val van de Sovjet-Unie, toen er in Rusland talloze minuscule religieuze sektes ontsproten in het vacuüm dat het communisme achterliet. Maar je ziet het nu ook dichter bij huis, in het Westen, waar door de overspoelende informatie-overvloed van het internet het vertrouwen in voorheen gezaghebbende instituties als de overheid en de media razendsnel afkalft, en waarin paranoia de nieuwe norm lijkt te zijn. In zo’n kwetsbare toestand, waarin de wereld chronisch onoverzichtelijk is geworden, kan al te gemakkelijk worden gezocht naar leiders die de beangstigende complexiteit van de realiteit bereid zijn te reduceren tot archaïsche tegenstellingen. We spreken dan van een geïnverteerd messiascomplex: de hulpeloze beweging van een groep op zoek naar iemand die orde kan herstellen, een verlosser. Zo’n groep is onbewust op zoek naar iemand met een messiascomplex, waardoor de pathologie van groep en individu ineen kunnen haken. In zo’n monsterverbond worden de kritische faculteiten van alle deelnemers opgeschort en nemen verdrongen gedachteprocessen de overhand. Op zo’n moment zie je hoe gevaarlijk en aanstekelijk een messiascomplex kan zijn: voor je het weet sta je op een rally met je rode petje te juichen als je leider een gehandicapte nadoet.

Dat zo’n dynamiek tussen leiders en volgers soms religieuze vormen aanneemt is niet zo verwonderlijk: Freud zag religie zelf als een collectieve psychose, een sprookjesachtig wensdenken waarmee de ondraaglijke willekeur van de realiteit wordt ontkend en bezworen. In ons allemaal zitten zulke neigingen tot zelfbegoocheling, zoals er waarschijnlijk in iedereen een al dan niet verborgen verlosser schuilgaat. In mij in elk geval wel: jaren geleden keek ik door de ogen van schele Jezus naar mezelf; wat ik zag was een jongetje dat zich stierlijk verveelde en gered wilde worden. Een analyticus zou zeggen dat de fantasie me hielp om de tijd te doden en de schijnbaar eindeloze kerkdiensten uit te zitten. Mogelijk stond schele Jezus zelfs voor de autoritaire stem van het superego die me onderwierp aan het gezag van mijn ouders, school en kerk. Daar zit ongetwijfeld wat in, maar er is, als ik het goed zie, ook een andere uitleg: schele Jezus hing niet voor niets boven de uitgang van de kathedraal. Misschien wees Hij me gewoon de weg.