‘ik zet de deur open voor god’

FLANEURS OP Scheveningen kennen zijn ‘strandbeesten’: fragiel ogende constructies van elektriciteitsbuis, voorzien van een kop en een staart en nogal breekbare poten waarop ze verrassend doelmatig en ontroerend blijken te kunnen bewegen. Lezers van de Volkskrant kennen zijn rubriek Reflectie, die eens per veertien dagen verschijnt in het wetenschapskatern. Een selectie van die columns werd vorig jaar gebundeld onder de titel Klimmen in lucht. Ze staan vol lucide invallen en krankzinnige gedachtensprongen zoals je die ook bij Gerrit Krol, Edward de Bono en Charlotte Mutsaers vindt. Theo Jansen schrijft, hij maakt beeldend werk, doceert en speelt op een viersnarige gitaar. Maar het meest van al is hij een bricoleur, iemand die in z'n eentje uitvindt, construeert of uitprobeert.

Theo Jansen is geboren in 1948, op zo'n honderd meter van het Scheveningse strand. Daar is hij ook opgegroeid. ‘Vanuit mijn woonkamer keken we op zee uit’, vertelt hij. 'Als kind heb ik daar veel gespeeld. Nu ben ik opnieuw veel op het strand, om aan mijn beesten te werken. Mensen die op het platteland getogen zijn, voelen zich als ze wat ouder worden het prettigst als ze weer terug kunnen naar het platteland. Als je op de scheidslijn van land en zee bent opgegroeid, verlang je daar altijd naar terug. Naar die ruimte, aan de ene kant het land waar al die mensen wonen, en aan de andere kant: helemaal niets. Alleen maar water.’
Hij wilde liever piloot worden. In plaats daarvan studeerde hij natuurkunde aan de Technische Universiteit in Delft - een studie waar hij in bleef steken. Zijn natuurwetenschappelijke achtergrond verraadt zich in de logica. In zijn columns wikkelt een zelfgecreëerde probleemstelling zich veelal naar een verrassend einde. Ook in het beeldend werk zijn sporen van zijn natuurwetenschappelijke opleiding terug te vinden. Ooit construeerde Jansen een vliegende schotel en een schildermachine. In zijn atelier in een voormalige Delftse lagere school, met een uitzicht op de Grote Kerk dat Johannes Vermeer zou hebben verrukt, staat een machine waarmee hij uit elektriciteitsbuis snel een groot aantal 'gewrichten’ voor zijn strandbeesten kan maken.
JANSEN: 'IK BEN natuurkunde gaan studeren omdat ik er allerlei romantische ideeën over had, de Maagdenburger halve bollen en zo. De praktijk was anders. Ik was geen ijverige student; schilderen en tekenen namen veel tijd in beslag. Toen het ernaar uitzag dat ik m'n studie zou afmaken, ben ik overgeschakeld op schilderen. In het begin schilderde ik heel figuratief, bijna fotorealistisch. Ik tekende op foto’s rasterlijntjes en het geheel schilderde ik netjes over. Ik ben een autodidact, al heb ik een tijdje schilderlessen gehad van iemand die gespecialiseerd was in oude technieken. Eigenlijk wilde ik schilderen zoals Vermeer en de gebroeders Van Eyck.
Ik probeerde altijd iets meetkundigs in m'n schilderijen te stoppen. Uit tweedimensionale plaatjes probeerde ik als het ware de driedimensionale werkelijkheid te reconstrueren. Met perspectieflijnen bouwde ik de situatie op zo'n schilderij in mijn atelier na - een werkwijze die wel wat lijkt op die van Vermeer of Dürer. Vermeer stak spelden in het doek en Dürer maakte perspectiefkastjes en -raampjes. Pas op de Academie in Den Haag, waar ik inmiddels een jaar of acht het vak Optica en Perspectief geef, begon ik het perspectief werkelijk te doorgronden. Tegenwoordig raak ik minder vaak een penseel aan, hoewel ik soms de verleiding niet kan weerstaan. Ik maak nog wel de tekeningetjes bij mijn columns voor de Volkskrant.’
EEN VAN DE eerste 'machines’ die Jansen construeerde was een schildermachine: een verfspuit gekoppeld aan een lichtgevoelige cel. De verfspuit bewoog heen en weer langs een muur en zette de ontvangen lichtimpulsen om in lijnen.
Jansen: 'De schildermachine betekende een cesuur, dit keer tussen schilderen en technische kunst. Toen ik op het idee van die schildermachine kwam, was de behoefte om te schilderen plotseling helemaal verdwenen. Het was een soort echtscheiding. Op een gegeven moment heb je een andere liefde en dan kun je niet meer terug.
Ik heb het visioen gehad dat ik ontzettend rijk zou worden met die machine. Ik zou er patent op aanvragen en eerst Nederland en daarna de wereld veroveren. Later bleek dat iemand twintig jaar eerder in Japan patent had aangevraagd op het principe van het omzetten van licht in verf. Ik heb wel een aantal jaren van die machine geleefd, want ik ging veel naar kunstmanifestaties. Daar demonstreerde ik hoe dat ding werkte. De schildermachine verraadt mijn voorliefde voor het romantische in de natuurkunde: dat negentiende-eeuwse aanschouwelijke en de glans van metalen - niet te vergelijken met de twintigste-eeuwse natuurkunde. Die is mij veel te abstract. Wat mij bezighoudt, is de functie van een machine: ik wil dat de door mij gemaakte dingen werken, en dan ook nog zo goedkoop en efficiënt mogelijk. Vreemd genoeg is mijn ontwerpproces vaak helemaal niet zo efficiënt. Wat ik heb gemaakt is per ongeluk kunst geworden. Dat vind ik zo bewonderenswaardig aan andere kunstenaars: ze weten bij voorbaat dat ze kunst maken. De kunstenaar in mij is verlegen. Als er aanspraak op hem wordt gemaakt, trekt hij zich terug.’
JOUW WERKWIJZE heeft een hoog trial and error-gehalte.
'Als je snel ergens wilt komen, ga je eerst in de bibliotheek kijken, of er bijvoorbeeld in de vorige eeuw niet een schildermachine is uitgevonden. Of je maakt strandbeesten van aluminium en zonnecellen. Dan heb je snel een beest op het strand staan, maar dan maakt het niet veel uit wie het heeft gemaakt, iemand van de universiteit in Delft of jij. Als je de snelweg niet neemt, zoals ik, maar van het talud afspringt en door de bosjes gaat, dan levert dat moeilijkheden op, maar je krijgt ook de echte uitvluchten te zien. Je bereikt je doel misschien wel nooit, maar de reis is de moeite waard.’
Hoe ben je op het idee voor je 'strandbeesten’ gekomen?
'Het begon met een stukje voor de Volkskrant, waar ik min of meer toevallig - via een open sollicitatie - als columnist terecht was gekomen. In die tijd ging ik vaak naar Scheveningen, naar de buurt waar ik vroeger woonde, om inspiratie op te doen. Meestal ging ik op het strand wandelen. Ik heb toen een brief geschreven aan de mensen die nu in mijn ouderlijk huis wonen, of ik een paar weken mijn oude kamer kon huren - dat is vrij gewoon in Scheveningen: kamers verhuren. Dat lukte niet. Een week later werd ik gebeld door een buurvrouw. Daar was ik welkom. Ze wilde van geen huur weten. Ik kreeg een sleutel en ik heb er een maand of drie vertoefd. Om de veertien dagen liet ik me op het Scheveningse strand uitwaaien en op die bovenkamer schreef ik die stukjes, met uitzicht op de tuintjes waar ik vroeger als kind had gespeeld. Op een gegeven moment schreef ik een stukje over de wandelende tak. Van daaruit ben ik, gestimuleerd door een boek van Richard Dawkins, De blinde horlogemaker, over de evolutie gaan nadenken. Ter adstructie daarvan begon ik te spelen met primitieve computerbeestjes en die zijn langzamerhand tot strandbeesten geëvolueerd.’
ZIJN STRANDBEESTEN lijken de Nederlandse kust te behoeden voor verdere afkalving. Een duin ontstaat uit een hoopje zand, maar de wind en de stijging van de zeespiegel bedreigen de duinvorming. Hoe krijg je meer zand op de duinen? 'Er zouden’, zegt Jansen, 'beesten moeten bestaan die het harde zand van het strand afschrapen en daarvan hoopjes opwerpen op het zachte zand. Zodra er ergens een hoopje zand ligt, waait daar weer zand tegenaan en groeit het duin. Om dat te bereiken heb ik een paar beesten bedacht die het ecologisch evenwicht op het strand moeten beïnvloeden. Zij zijn gemaakt van elektriciteitsbuis, satéstokjes en tie-raps. Ze halen hun energie uit de wind; ze hoeven niet te eten. Op hun rug zitten vinnen die de windenergie omzetten in beweging.’
Die strandbeesten hebben dus nut?
'Jazeker. Er zit ook humor in - dat je in je eentje, als een Don Quichote, het stijgen van de zeespiegel te lijf gaat. Mensen worden erdoor geraakt. Mijn beesten hebben inderdaad ook een effect. Ze bewegen misschien niet echt vanzelf - in de video die we van de strandbeesten gemaakt hebben, zie je niet dat ik een heel groot beest aan een nylondraadje voorttrek - maar ze zouden in principe ook op de wind kunnen bewegen.’
Jouw strandbeesten zijn even imaginair als de machines van Duchamp of Picabia. Die werken ook alleen doordat ze een beroep doen op de verbeelding.
'Daar zorgt mijn alter ego, de kunstenaar, voor. Mijn andere ego is altijd bezig om een werkende machine te maken. Ik droom van die elektriciteitsbuis, prachtig spul om mee te werken. In Nederland zijn we opgevoed met die buis. Als kind heb je daar al papieren pijltjes mee geblazen. Grappig genoeg vond ik een keer een dubbelloops blaaspijpje - een soort mitrailleur van plasticbuis - tussen mijn spullen op het strand. Die had een strandtenthouder er neergelegd. Hij dacht waarschijnlijk: o, daar heb je weer zo'n buisje van die Jansen.’
Zou het aardig zijn om strandbeesten te posteren langs de hele Nederlandse duinenrij?
'Dat behoort tot de mogelijkheden. Ik heb nu een machine geconstrueerd waarmee ik de beesten heel snel in elkaar kan zetten, al zou het misschien ook een karweitje voor gedetineerden kunnen zijn. Uit dat productieproces komt dan weer een bepaalde selectie met bepaalde mutaties voort, want die machine wordt gestuurd door machinecodes. Uiteindelijk krijgen alle beesten een streng op hun rug: hun eigen machine- en assemblagecode, als een soort DNA-streng. Die bouwstrengen laten zich ook makkelijk kopiëren. Zo kunnen de beesten zich met elkaar kruisen en nazaten produceren. Zo krijg je als het ware een zichzelf vermenigvuldigende kudde.’
Met jouw strandbeesten heb je een nieuwe diersoort uitgevonden.
'Ik probeer een vorm van leven te scheppen. Ik probeer God na te doen. Ik zou the man who fell to earth kunnen zijn. Ik probeer de evolutie na te doen, om te begrijpen hoe die zich voltrokken heeft.’
GERRIT KROL HEEFT God ooit in termen van toeval gedefinieerd.
'Alsof toeval uit een ander soort signalen bestaat, afkomstig uit een andere ruimte, een ander heelal. Alles wat je bedenkt, kan een ander ook bedenken. Het begint pas bijzonder te worden als je in je hoofd een verkeerde verbinding legt waardoor je een fout maakt. Zo ontstaan grapjes. Niemand weet waarom een grapje leuk is. Door een toevallige verkeerde reactie wordt het komisch of mooi. Dit mechanisme zit ook in ons denken. Je kunt je gedachten beschouwen als een mutatie. Afwijkende gedachten zijn in de meeste gevallen niet leuk of nuttig, maar in één procent daarvan wel. Daaraan ligt intuïtie ten grondslag: wat je wel of niet naar buiten moet brengen. Dat is een mooi beeld van wat God zou kunnen zijn: die signalen uit het andere heelal.’
Waarvan jij de creator bent?
'Ja. Maar uiteindelijk regeert het toeval. Dan is het toch weer God die het doet. Ik heb wel de eer de deur voor Hem open te zetten.’