Interview Michael Haneke

«Ik zet de kijker tegen de muur»

Van de Oostenrijkse filmer Michael Haneke is vanaf deze week «Code inconnu» te zien. Niet zo schokkend als zijn beroemde «Funny Games», maar minstens zo verwarrend. Haneke was op het Rotterdamse filmfestival. «Ik creëer onbehagen.»

«Grauenhaft? Heeft Elfriede Jelinek dat gezegd over Funny Games?» Michael Haneke barst in lachen uit. «Ik wist wel dat ze zich negatief over de film heeft uitgelaten. Niet tegen mij, maar tegen mijn producent, toen hij haar benaderde met het plan mij haar roman Die Klavierspielerin te laten verfilmen. Maar ik denk dat Jelineks oordeel op een misverstand berust. Ze heeft de auteur — ik — verwisseld met het onderwerp dat hij beschrijft. Het is niet der Herr Haneke die zo kil is, het zijn die twee böse Buben in de film.»
Funny Games, Hanekes veelbesproken voorlaatste film, is een psychologisch horrorspel waarin twee jongens een willekeurig Oostenrijks gezin met wrede spelletjes terroriseren en uiteindelijk de dood in drijven. Elfriede Jelinek had in een interview in De Groene de film scherp veroordeeld en hekelde met name de «esthetische kilte» ervan. De beroemde Oostenrijkse schrijfster deelde dit misverstand over Hanekes voorlaatste film met half filmliefhebbend Europa. De andere helft vond de film geniaal, ook al vonden ze alles wat erin te zien was, inclusief de kleinburgerlijkheid van de slachtoffers, nog zo abject.
Met de kilte van het omstreden Funny Games van drie jaar geleden nog in de botten kon het publiek van het Rotterdamse filmfestival de afgelopen week, en kan het Nederlandse bioscooppubliek vanaf deze week kennismaken met Hanekes Parijse multicultikroniek Code inconnu. Ook met deze film zaait Haneke verwarring. Scènes die het ergste doen vermoeden over wat de kijker te wachten staat, krijgen een verrassende wending. De Oostenrijkse regisseur geeft weliswaar een naargeestig beeld van het leven in de metropool, waar de volkeren elkaar amper verdragen, maar hij staat tegelijkertijd lachend in de coulissen: jongens, dit is maar film!

Michael Haneke is een half dagje over in Rotterdam. Hij heeft zijn aandacht alweer bij zijn allernieuwste productie. Verrassend genoeg is dat The Piano Player oftewel Die Klavierspielerin, naar de roman van, jawel, Elfriede Jelinek.
Heeft ze niet tegen die verfilming geprotes teerd?
Haneke: «Überhaupt niet. Ze was er zelfs erg vóór, want ze waardeert mijn meeste films zeer. Onlangs heeft ze The Piano Player, bijna af, gezien en hij is haar goed bevallen, zei ze me. Ik denk dat Funny Games voor Jelinek als kijker te veel van het goede was.» Hij schiet weer in de lach. «Die film was onverdraaglijk — en dat is precies wat hij moest zijn. Laat het publiek vooral woedend worden. Ik wilde niet enkel de Spiessbürger provoceren, ik wilde dieper boren. Iedereen moest in verwarring uit de bioscoop komen, met een wee gevoel in de maag en woede in de buik. Zo zou het mijzelf als kijker ook zijn vergaan. Je kan niet van deze film ‹houden› zoals je van andere films houdt.»
Michael Haneke werd in de oorlog in Duitsland geboren. «Maar dat is toeval. Mijn ouders, beiden acteur, speelden toevallig in de buurt van München toen ik het levenslicht zag. Ze waren Oostenrijkers, maar ach, Oostenrijk hoorde toen immers bij Duitsland.» Hij studeerde in Wenen en heeft jarenlang in Duitsland voor televisie en theater gewerkt, voordat hij ruim tien jaar geleden naar Oostenrijk terugging en speelfilms ging maken. Je zou hem de Elfriede Jelinek van de film kunnen noemen. De schrijfster en de filmauteur zijn lotgenoten in een land waarvan ze het geestelijk klimaat verafschuwen, en ze zijn Wahlverwanten in hun beklemmende, kunstzinnige verbeelding van het menselijk tekort in Oostenrijk, een tekort waarin zij de tragiek van alle westerse welvaartsstaten zien uitvergroot.
In Die Klavierspielerin terroriseert een moeder haar dochter en leeft deze haar frustraties uit op zichzelf en op een jonge, mannelijke leerling van de muziekschool waar ze lesgeeft, en passant de krochten verkennend van de Weense seks- en vermaakindustrie. Hanekes universum is even «vergletsjerd» als dat van Jelinek, de gebeurtenissen in zijn films zijn net zo onverdraaglijk en de intermenselijke spelletjes minstens zo vilein als die in haar boeken.
In zijn eerste bioscoopfilm, Der siebente Kontinent (1989), laveert een doorsnee Oostenrijks gezin tussen huis, kantoor en autowasstraat, alwaar een affiche van Australië voor hen de droomstaat verbeeldt. Deze zalige staat weet het gezin slechts te bereiken via de totale, minutieus geplande zelfvernietiging. In 71 Fragmente einer Chronologie des Zufalls (1994) volgt Haneke een tiental personages in hun alledaagse sores, tot ieders weg op een fataal moment doodloopt in een bankgebouw. Eenzelfde vorm heeft Haneke gekozen voor Code inconnu, waarin hij allochtone en autochtone Parijzenaars laat ronddolen in een leven waarvan ze geen van allen de sleutel op zak lijken te hebben.
Ook de kijker krijgt moeilijk vat op Code inconnu. Die probeert zich vast te klampen aan elk teken over zin en oorzaak dat de regisseur aanreikt, maar die tekens stichten enkel verwarring. Haneke speelt dit spel met de kijker met klammheimliche Freude uit. Haneke: «Ik creëer onbehagen. Om dat gevoel kwijt te raken, word je niet alleen gedwongen om over de film na te denken, maar ook over je rol als toeschouwer. In Code inconnu zoent het personage dat door Juliette Binoche wordt gespeeld. opeens met een onbekende man in het zwembad, die ze heel goed lijkt te kennen. Dan zie je dat een jongetje dat blijkbaar hun zoontje is, van het balkon dreigt te stappen. Deze scène is veel sneller gemonteerd dan de andere. Het blijkt om een filmopname in de film te gaan. Ik speel bewust een spel met de verwachtingen van de kijker.»
Ook in Funny Games doorbreekt Haneke af en toe de illusie dat het echt is waarnaar je kijkt. Haneke: «Het thema van de film was niet zozeer het geweld, als wel hoe geweld wordt verbeeld.» De regisseur laat een van de daders in de camera zeggen: «U, kijker, bent toch op hun hand? U mag meespelen. Wij wedden dat ze over twaalf uur dood zijn.» Ook het echtpaar moet raden of het dan nog in leven zal zijn.

Haneke geeft de kijker af en toe gelegenheid tot wishful thinking, zoals met het prominent getoonde mes, dat misschien de redding van de slachtoffers kan worden. Maar vervolgens gaat het verhaal weer genadeloos richting ondergang. «Het grappige is dat ik af en toe inbrak in de gebeurtenissen en dat het me toch lukte het verhaal dan zo te manipuleren dat de kijker zich drie minuten later weer helemaal liet meeslepen en het verloop voor de realiteit hield. Dat werd me verweten, dat ik het wantrouwen voedde tegenover wat men als de werkelijkheid van de film beschouwt. Om het in Jelineks termen te zeggen: ik speel met de afwisseling van heet en koud geweld.»
Elfriede Jelinek vond van niet. Zij maakte een onderscheid tussen het geweld in Funny Games, dat louter wordt getoond zoals het zich voordoet — al blijft de fysieke kant van de gruwelijkheden buiten beeld — en haar eigen boeken, die «warm geweld» zouden bevatten, namelijk voorzien van de reinigende reflectie van de schrijfster op de gebeurtenissen. Ze miste, zoals ze in De Groene zei, in de film een catharsis. En ook verschillende critici smeekten om bevrijding uit de ellende door middel van een goed einde.
Haneke: «Ik moet toegeven dat Jelineks kritiek me verbaast — meer dan die van de critici. Het beroep van filmrecensent beschermt nu eenmaal niet tegen onwetendheid. Maar eerlijk gezegd, ik geef toe dat ik ook weleens naar een theaterstuk voor abonnementhouders ga, zo'n middelmatig stuk waaraan je een lekker gevoel overhoudt. Dat is heel legitiem en menselijk. Maar zelf zet ik de kijker het liefst tegen de muur. Ik bied hem geen prettige oplossing uit de misère, waarbij de daders worden bestraft. Maar ik bied wel degelijk een catharsis. Dat is immers een moment van wijsheid, van inzicht hoe het toegaat in de samenleving. Zo leuk eindigde het verhaal van Oedipus, het klassieke voorbeeld van een plot met een catharsis, toch ook niet?
Iedereen die op dit moment met kant-en-klare oplossingen aan komt zetten voor maatschappelijke problemen, is een leugenaar, iemand die ons in slaap wil sussen. Ik houd mijn publiek niet voor de gek, zoals Amerikaanse films doen, die elk gevaar in honderd minuten oplossen. Alles komt goed! Voor die verdoving betaalt het publiek graag en daarmee verdient Hollywood veel geld. Maar een romanschrijver zou niet serieus worden genomen als hij met oplossingen en een vrolijk einde aan zou komen zetten. Het is typisch iets wat van film wordt verlangd. Film wordt niet als kunst beschouwd.»

Het blijft verbazen dat Jelinek Die Klavierspielerin, haar autobiografisch getinte meesterwerk uit 1983, aan hem heeft toevertrouwd. De regisseur zal toch «koude» beelden hebben moeten vinden bij al die «warme» talige reflecties? «Het verhaal vertel ik tamelijk precies. Maar inderdaad, in elke zin neemt Jelinek stelling tegenover haar personages. Dat heb ik blijkbaar redelijk opgelost door nieuwe handelingen te verzinnen voor de karakters, die daarmee een beetje anders zijn geworden. Eigenlijk is The Piano Player nu een parodie op een melodrama.»
Michael Haneke had het scenario gebaseerd op Die Klavierspielerin al tien jaar geleden geschreven, zij het niet met de bedoeling dat zelf te gaan verfilmen. Een andere regisseur zou het met een Amerikaanse cast verfilmen. Dat lukte niet. En na Code inconnu werd Haneke door de producent die de filmrechten van het boek had, zelf voor de regie gevraagd. «Ik zei dat ik het alleen zou doen als Isabelle Huppert de titelrol zou spelen. Zij is de enige die deze rol aankan. The Piano Player is in Wenen verfilmd, maar met een volledig Franse cast — enkel vanwege Huppert.»
Ze heeft al eerder een heftige Oostenrijkse gespeeld, in de Ingeborg Bachmann-verfilming «Malina» van Werner Schroeter.
«Precies. En voor die film had Jelinek het scenario geschreven.»
Wordt het niet wat veel Frans dat de klok slaat? Zo veel Oostenrijkers zien we niet op het witte doek.
«Het is grotendeels toeval. Juliette Binoche belde me op dat ze graag met me wilde werken. En Parijs is het Mekka van auteursfilmers zoals ik. Ik was al langer van plan iets te doen over de migratie van arme naar rijke landen, en dat is in een land met een koloniaal verleden als Frankrijk nu eenmaal beter te filmen dan in Oostenrijk. In het Weense straatbeeld zie je wat sporen van leven uit het oosten maar niet uit het zuiden. Ik wilde beide. Ik heb in Parijs enkele maanden in Afrikaanse en Oost-Europese milieus rondgekeken en daaruit is Code inconnu ontstaan. Ik blijf overigens ook in Oostenrijk filmen, hoor. Maar doet het er iets toe? Ook Funny Games kan zich toch overal afspelen?»
Ja, maar in Oostenrijk lijkt alles nog meer op scherp te staan.
«Ik heb me lange tijd niet willen afvragen waarom kunstuitingen in Oostenrijk altijd zo heavy zijn. Bernhard, Jelinek, misschien ikzelf als filmauteur. Ik vermoed dat het komt doordat Oostenrijkers wereldkampioen onder-het-tapijt-vegen zijn. Het tapijt is heel schoon, het ziet er picobello uit, maar je mag er niet onder kijken. De belangrijke kunstenaars hebben zich altijd gedwongen gevoeld daartegen te polemiseren. Bij ons moet je schreeuwen om een beetje op te vallen en dan wordt er nog niet naar je geluisterd. Wij kennen geen ‹staats auteurs› die alom gerespecteerd worden in het land. Maar in het buitenland slaat onze kunst wel heftig in.»
U wordt wel een moralist genoemd die met zijn films zou willen aantonen dat kijken naar geweld de vatbaarheid voor het plegen van geweld groter maakt — de aloude discussie rond geweldfilms.
«Ook dat is een misverstand. Het werkt anders met geweld. Daar heb ik een aardig voorbeeld van. Toen ik na vele jaren in Duitsland te hebben gewoond naar Oostenrijk terugkeerde en het journaal aanzette, was ik geshockeerd. Er kwamen toevallig allemaal rampen en oorlogen aan bod en die werden in de headlines aangekondigd met een vlot muziekje eronder. Ik dacht dat er een of ander technisch defect was maar de volgende dag ging het precies zo. En nu valt het me al niet eens meer op dat in Oostenrijk de treurige werkelijkheid als amusement wordt verkocht.
Zo is het ook met geweld: dat verliest zijn afschrikking door de voortdurende ‹ontwerkelijking› in de media, zowel in fictiefilms als in het nieuws. Het gevaar bestaat dat geweld niet meer als iets wordt waargenomen dat ook in het echt bestaat. En daartegen polemiseer ik in mijn films. Maar geweld werkt natuurlijk niet zo dat iemand Funny Games ziet, vervolgens ergens witte handschoentjes koopt en dan een paar mensen om zeep helpt.» Hij schatert.

Die witte handschoentjes trokken zijn puberdaders aan om hun morbide familiespelletje van de juiste, griezelige rekwisieten te voorzien — precies zoals dat hoort volgens de codes van de doorsnee Hollywood-film. «Je hebt dat beroemde geval van een moordend paar in Amerika, dat zich voor de rechter beriep op de film Natural Born Killers. Volgens mij was dat een meesterlijke schaakzet van hun advocaat, om ze daarmee gedeeltelijk vrij te pleiten van hun verantwoordelijkheid. Kijk, zo pervers gaat het er tegenwoordig aan toe.»

«Grauenhaft? Heeft Elfriede Jelinek dat gezegd over Funny Games?» Michael Haneke barst in lachen uit. «Ik wist wel dat ze zich negatief over de film heeft uitgelaten. Niet tegen mij, maar tegen mijn producent, toen hij haar benaderde met het plan mij haar roman Die Klavierspielerin te laten verfilmen. Maar ik denk dat Jelineks oordeel op een misverstand berust. Ze heeft de auteur — ik — verwisseld met het onderwerp dat hij beschrijft. Het is niet der Herr Haneke die zo kil is, het zijn die twee böse Buben in de film.»
Funny Games, Hanekes veelbesproken voorlaatste film, is een psychologisch horrorspel waarin twee jongens een willekeurig Oostenrijks gezin met wrede spelletjes terroriseren en uiteindelijk de dood in drijven. Elfriede Jelinek had in een interview in De Groene de film scherp veroordeeld en hekelde met name de «esthetische kilte» ervan. De beroemde Oostenrijkse schrijfster deelde dit misverstand over Hanekes voorlaatste film met half filmliefhebbend Europa. De andere helft vond de film geniaal, ook al vonden ze alles wat erin te zien was, inclusief de kleinburgerlijkheid van de slachtoffers, nog zo abject.
Met de kilte van het omstreden Funny Games van drie jaar geleden nog in de botten kon het publiek van het Rotterdamse filmfestival de afgelopen week, en kan het Nederlandse bioscooppubliek vanaf deze week kennismaken met Hanekes Parijse multicultikroniek Code inconnu. Ook met deze film zaait Haneke verwarring. Scènes die het ergste doen vermoeden over wat de kijker te wachten staat, krijgen een verrassende wending. De Oostenrijkse regisseur geeft weliswaar een naargeestig beeld van het leven in de metropool, waar de volkeren elkaar amper verdragen, maar hij staat tegelijkertijd lachend in de coulissen: jongens, dit is maar film!


Michael Haneke is een half dagje over in Rotterdam. Hij heeft zijn aandacht alweer bij zijn allernieuwste productie. Verrassend genoeg is dat The Piano Player oftewel Die Klavierspielerin, naar de roman van, jawel, Elfriede Jelinek.
Heeft ze niet tegen die verfilming geprotes teerd?
Haneke: «Überhaupt niet. Ze was er zelfs erg vóór, want ze waardeert mijn meeste films zeer. Onlangs heeft ze The Piano Player, bijna af, gezien en hij is haar goed bevallen, zei ze me. Ik denk dat Funny Games voor Jelinek als kijker te veel van het goede was.» Hij schiet weer in de lach. «Die film was onverdraaglijk — en dat is precies wat hij moest zijn. Laat het publiek vooral woedend worden. Ik wilde niet enkel de Spiessbürger provoceren, ik wilde dieper boren. Iedereen moest in verwarring uit de bioscoop komen, met een wee gevoel in de maag en woede in de buik. Zo zou het mijzelf als kijker ook zijn vergaan. Je kan niet van deze film ‹houden› zoals je van andere films houdt.»
Michael Haneke werd in de oorlog in Duitsland geboren. «Maar dat is toeval. Mijn ouders, beiden acteur, speelden toevallig in de buurt van München toen ik het levenslicht zag. Ze waren Oostenrijkers, maar ach, Oostenrijk hoorde toen immers bij Duitsland.» Hij studeerde in Wenen en heeft jarenlang in Duitsland voor televisie en theater gewerkt, voordat hij ruim tien jaar geleden naar Oostenrijk terugging en speelfilms ging maken. Je zou hem de Elfriede Jelinek van de film kunnen noemen. De schrijfster en de filmauteur zijn lotgenoten in een land waarvan ze het geestelijk klimaat verafschuwen, en ze zijn Wahlverwanten in hun beklemmende, kunstzinnige verbeelding van het menselijk tekort in Oostenrijk, een tekort waarin zij de tragiek van alle westerse welvaartsstaten zien uitvergroot.
In Die Klavierspielerin terroriseert een moeder haar dochter en leeft deze haar frustraties uit op zichzelf en op een jonge, mannelijke leerling van de muziekschool waar ze lesgeeft, en passant de krochten verkennend van de Weense seks- en vermaakindustrie. Hanekes universum is even «vergletsjerd» als dat van Jelinek, de gebeurtenissen in zijn films zijn net zo onverdraaglijk en de intermenselijke spelletjes minstens zo vilein als die in haar boeken.
In zijn eerste bioscoopfilm, Der siebente Kontinent (1989), laveert een doorsnee Oostenrijks gezin tussen huis, kantoor en autowasstraat, alwaar een affiche van Australië voor hen de droomstaat verbeeldt. Deze zalige staat weet het gezin slechts te bereiken via de totale, minutieus geplande zelfvernietiging. In 71 Fragmente einer Chronologie des Zufalls (1994) volgt Haneke een tiental personages in hun alledaagse sores, tot ieders weg op een fataal moment doodloopt in een bankgebouw. Eenzelfde vorm heeft Haneke gekozen voor Code inconnu, waarin hij allochtone en autochtone Parijzenaars laat ronddolen in een leven waarvan ze geen van allen de sleutel op zak lijken te hebben.
Ook de kijker krijgt moeilijk vat op Code inconnu. Die probeert zich vast te klampen aan elk teken over zin en oorzaak dat de regisseur aanreikt, maar die tekens stichten enkel verwarring. Haneke speelt dit spel met de kijker met klammheimliche Freude uit. Haneke: «Ik creëer onbehagen. Om dat gevoel kwijt te raken, word je niet alleen gedwongen om over de film na te denken, maar ook over je rol als toeschouwer. In Code inconnu zoent het personage dat door Juliette Binoche wordt gespeeld. opeens met een onbekende man in het zwembad, die ze heel goed lijkt te kennen. Dan zie je dat een jongetje dat blijkbaar hun zoontje is, van het balkon dreigt te stappen. Deze scène is veel sneller gemonteerd dan de andere. Het blijkt om een filmopname in de film te gaan. Ik speel bewust een spel met de verwachtingen van de kijker.»
Ook in Funny Games doorbreekt Haneke af en toe de illusie dat het echt is waarnaar je kijkt. Haneke: «Het thema van de film was niet zozeer het geweld, als wel hoe geweld wordt verbeeld.» De regisseur laat een van de daders in de camera zeggen: «U, kijker, bent toch op hun hand? U mag meespelen. Wij wedden dat ze over twaalf uur dood zijn.» Ook het echtpaar moet raden of het dan nog in leven zal zijn.


Haneke geeft de kijker af en toe gelegenheid tot wishful thinking, zoals met het prominent getoonde mes, dat misschien de redding van de slachtoffers kan worden. Maar vervolgens gaat het verhaal weer genadeloos richting ondergang. «Het grappige is dat ik af en toe inbrak in de gebeurtenissen en dat het me toch lukte het verhaal dan zo te manipuleren dat de kijker zich drie minuten later weer helemaal liet meeslepen en het verloop voor de realiteit hield. Dat werd me verweten, dat ik het wantrouwen voedde tegenover wat men als de werkelijkheid van de film beschouwt. Om het in Jelineks termen te zeggen: ik speel met de afwisseling van heet en koud geweld.»
Elfriede Jelinek vond van niet. Zij maakte een onderscheid tussen het geweld in Funny Games, dat louter wordt getoond zoals het zich voordoet — al blijft de fysieke kant van de gruwelijkheden buiten beeld — en haar eigen boeken, die «warm geweld» zouden bevatten, namelijk voorzien van de reinigende reflectie van de schrijfster op de gebeurtenissen. Ze miste, zoals ze in De Groene zei, in de film een catharsis. En ook verschillende critici smeekten om bevrijding uit de ellende door middel van een goed einde.
Haneke: «Ik moet toegeven dat Jelineks kritiek me verbaast — meer dan die van de critici. Het beroep van filmrecensent beschermt nu eenmaal niet tegen onwetendheid. Maar eerlijk gezegd, ik geef toe dat ik ook weleens naar een theaterstuk voor abonnementhouders ga, zo'n middelmatig stuk waaraan je een lekker gevoel overhoudt. Dat is heel legitiem en menselijk. Maar zelf zet ik de kijker het liefst tegen de muur. Ik bied hem geen prettige oplossing uit de misère, waarbij de daders worden bestraft. Maar ik bied wel degelijk een catharsis. Dat is immers een moment van wijsheid, van inzicht hoe het toegaat in de samenleving. Zo leuk eindigde het verhaal van Oedipus, het klassieke voorbeeld van een plot met een catharsis, toch ook niet?
Iedereen die op dit moment met kant-en-klare oplossingen aan komt zetten voor maatschappelijke problemen, is een leugenaar, iemand die ons in slaap wil sussen. Ik houd mijn publiek niet voor de gek, zoals Amerikaanse films doen, die elk gevaar in honderd minuten oplossen. Alles komt goed! Voor die verdoving betaalt het publiek graag en daarmee verdient Hollywood veel geld. Maar een romanschrijver zou niet serieus worden genomen als hij met oplossingen en een vrolijk einde aan zou komen zetten. Het is typisch iets wat van film wordt verlangd. Film wordt niet als kunst beschouwd.»


Het blijft verbazen dat Jelinek Die Klavierspielerin, haar autobiografisch getinte meesterwerk uit 1983, aan hem heeft toevertrouwd. De regisseur zal toch «koude» beelden hebben moeten vinden bij al die «warme» talige reflecties? «Het verhaal vertel ik tamelijk precies. Maar inderdaad, in elke zin neemt Jelinek stelling tegenover haar personages. Dat heb ik blijkbaar redelijk opgelost door nieuwe handelingen te verzinnen voor de karakters, die daarmee een beetje anders zijn geworden. Eigenlijk is The Piano Player nu een parodie op een melodrama.»
Michael Haneke had het scenario gebaseerd op Die Klavierspielerin al tien jaar geleden geschreven, zij het niet met de bedoeling dat zelf te gaan verfilmen. Een andere regisseur zou het met een Amerikaanse cast verfilmen. Dat lukte niet. En na Code inconnu werd Haneke door de producent die de filmrechten van het boek had, zelf voor de regie gevraagd. «Ik zei dat ik het alleen zou doen als Isabelle Huppert de titelrol zou spelen. Zij is de enige die deze rol aankan. The Piano Player is in Wenen verfilmd, maar met een volledig Franse cast — enkel vanwege Huppert.»
Ze heeft al eerder een heftige Oostenrijkse gespeeld, in de Ingeborg Bachmann-verfilming «Malina» van Werner Schroeter.
«Precies. En voor die film had Jelinek het scenario geschreven.»
Wordt het niet wat veel Frans dat de klok slaat? Zo veel Oostenrijkers zien we niet op het witte doek.
«Het is grotendeels toeval. Juliette Binoche belde me op dat ze graag met me wilde werken. En Parijs is het Mekka van auteursfilmers zoals ik. Ik was al langer van plan iets te doen over de migratie van arme naar rijke landen, en dat is in een land met een koloniaal verleden als Frankrijk nu eenmaal beter te filmen dan in Oostenrijk. In het Weense straatbeeld zie je wat sporen van leven uit het oosten maar niet uit het zuiden. Ik wilde beide. Ik heb in Parijs enkele maanden in Afrikaanse en Oost-Europese milieus rondgekeken en daaruit is Code inconnu ontstaan. Ik blijf overigens ook in Oostenrijk filmen, hoor. Maar doet het er iets toe? Ook Funny Games kan zich toch overal afspelen?»
Ja, maar in Oostenrijk lijkt alles nog meer op scherp te staan.
«Ik heb me lange tijd niet willen afvragen waarom kunstuitingen in Oostenrijk altijd zo heavy zijn. Bernhard, Jelinek, misschien ikzelf als filmauteur. Ik vermoed dat het komt doordat Oostenrijkers wereldkampioen onder-het-tapijt-vegen zijn. Het tapijt is heel schoon, het ziet er picobello uit, maar je mag er niet onder kijken. De belangrijke kunstenaars hebben zich altijd gedwongen gevoeld daartegen te polemiseren. Bij ons moet je schreeuwen om een beetje op te vallen en dan wordt er nog niet naar je geluisterd. Wij kennen geen ‹staats auteurs› die alom gerespecteerd worden in het land. Maar in het buitenland slaat onze kunst wel heftig in.»
U wordt wel een moralist genoemd die met zijn films zou willen aantonen dat kijken naar geweld de vatbaarheid voor het plegen van geweld groter maakt — de aloude discussie rond geweldfilms.
«Ook dat is een misverstand. Het werkt anders met geweld. Daar heb ik een aardig voorbeeld van. Toen ik na vele jaren in Duitsland te hebben gewoond naar Oostenrijk terugkeerde en het journaal aanzette, was ik geshockeerd. Er kwamen toevallig allemaal rampen en oorlogen aan bod en die werden in de headlines aangekondigd met een vlot muziekje eronder. Ik dacht dat er een of ander technisch defect was maar de volgende dag ging het precies zo. En nu valt het me al niet eens meer op dat in Oostenrijk de treurige werkelijkheid als amusement wordt verkocht.
Zo is het ook met geweld: dat verliest zijn afschrikking door de voortdurende ‹ontwerkelijking› in de media, zowel in fictiefilms als in het nieuws. Het gevaar bestaat dat geweld niet meer als iets wordt waargenomen dat ook in het echt bestaat. En daartegen polemiseer ik in mijn films. Maar geweld werkt natuurlijk niet zo dat iemand Funny Games ziet, vervolgens ergens witte handschoentjes koopt en dan een paar mensen om zeep helpt.» Hij schatert.


Die witte handschoentjes trokken zijn puberdaders aan om hun morbide familiespelletje van de juiste, griezelige rekwisieten te voorzien — precies zoals dat hoort volgens de codes van de doorsnee Hollywood-film. «Je hebt dat beroemde geval van een moordend paar in Amerika, dat zich voor de rechter beriep op de film Natural Born Killers. Volgens mij was dat een meesterlijke schaakzet van hun advocaat, om ze daarmee gedeeltelijk vrij te pleiten van hun verantwoordelijkheid. Kijk, zo pervers gaat het er tegenwoordig aan toe.»