Amartya Sen over de bbp-obsessie, betrokkenheid en altruïsme

‘Ik zie een verslappen van het denken’

Hij is de meest gelauwerde ontwikkelingseconoom ter wereld. Een gesprek met Amartya Sen over sluimerende ongelijkheid.

Medium sen 5d

In The Penguin Dictionary of Third World Terms (uitgebracht begin jaren negentig toen ‘Derde Wereld’ nog een gangbare term was) komt zijn naam voor onder het lemma ‘hongersnood’ – ‘recentelijk heeft de Indiase econoom A.K. Sen een controverse over dit onderwerp aangejaagd’. Het woordenboek verwijst naar Sens onderzoek waaruit blijkt dat hongersnood niet het gevolg is van een algemeen voedseltekort maar van het plotseling afsnijden van toegang tot bestaande voedselvoorraden. Een hongersnood, betoogt Sen, is een fatale uitkomst van politieke keuzes die niet worden weersproken. Daarom komen er in democratieën geen hongersnoden voor. Het is deze stelling die Sen beroemd maakte en die tot de dag van vandaag standhoudt.

Het Derde Wereld-woordenboek is alleen nog antiquarisch verkrijgbaar. Het nut ervan is ingehaald door Wikipedia en een nieuwe geopolitieke balans. Maar als de uitgever zich aan een nieuwe druk zou wagen, dan krijgt Amartya Kumar Sen zonder twijfel een eigen lemma. Er zijn weinig intellectuelen die een grotere invloed hebben gehad op ons denken over armoede, ontwikkeling en ongelijkheid. Sens pleidooi dat armoede moet worden gezien als iets dat veel complexer is dan het aantal mensen dat onder een vastgestelde armoedegrens leeft, vormt het uitgangspunt van het hedendaagse denken over armoedebestrijding. Het gaat om toegang tot onderwijs, tot gezondheidszorg. Het gaat om de mogelijkheden je als individu te ontplooien, om een veilig en betekenisvol bestaan te leiden. Niet geld is de maat der armoede, in de visie van Sen, maar capabilities zijn dat: het vermogen van mensen om doelstellingen in hun leven te verwezenlijken. En voor al die dingen is inkomen slechts één van de vele instrumenten.

De invloed van de capabilities-aanpak reikt ver. Het idee dat een mensenleven waardig wordt gemaakt door mogelijkheden en niet door geld was het uitgangspunt van de millenniumdoelen. De jaarlijkse Human Development Index van de Verenigde Naties is een seniaanse manier van naar de wereld kijken. In navolging van Sen is er een wereldwijde school van capability-filosofen ontstaan. Martha Nussbaum (die samen met Sen aan de wieg stond van deze manier van denken) betoogt dat capabilities zoals lichamelijke gezondheid, politieke inspraak en de mogelijkheid om sociale verbanden aan te gaan met anderen als grondrecht wettelijk verankerd moeten worden.

Amartya Sen willen ontmoeten betekent geduld oefenen. In augustus 2012 streek ik neer als correspondent in New Delhi, in India. Er bleek een toevallig verband te bestaan tussen mijn nieuwe woonoord en het werk van Sen. Ik woonde in ‘Niti Bagh’, een jaren-zestigkolonie gebouwd voor functionarissen van de rechterlijke macht. Niti, een term uit het Sanskriet, betekent zoveel als deugdzaamheid, zowel van het individu als van instituten. Sen gebruikt het veelvuldig in zijn werk, samen met nyaya, dat verwijst naar goede uitkomsten van handelingen. Rechtvaardig handelen en rechtvaardigheid bereiken zijn twee verschillende dingen, leert Sen.

En dus ging er een interviewaanvraag de deur uit, met het verzoek te spreken over openbare deugd in het huidige India. Twee jaar lang lukte het niet. Waar Sen was, was ik niet, en omgekeerd. Gedurende het academisch jaar zijn de Verenigde Staten zijn thuisbasis, waar hij hoogleraar is aan Harvard. In India is hij bij voorkeur niet in de zomer, wanneer de temperatuur en de luchtvochtigheid genadeloos zijn. En dan zijn er de tientallen lezingen en plechtigheden tussendoor. Uiteindelijk vindt de ontmoeting plaats op vijfhonderd meter van de redactie van De Groene Amsterdammer, in een guur Amsterdam en in een ander politiek klimaat. India is van leider gewisseld. De Congrespartij van de Nehru-Gandhi-dynastie is verpletterend verslagen door de conservatieve hindoepartij bjp. En het mondiale debat staat ineens in het teken van het onderwerp waar Sen altijd al aandacht voor heeft gevraagd: de destructieve gevolgen van grote ongelijkheid in een samenleving.

De opengeslagen Financial Times van deze dag trekt zijn aandacht, nog voor hij is gaan zitten. Er staat een stuk van de econoom Martin Wolf op de opiniepagina. Kop: ‘India has a real chance to excel on growth’. Wolf jubelt dat met de juiste economische hervormingen India een bbp-groei van wel zeven of acht procent kan halen. Zulke verhalen zijn tegen het zere been van Sen. Zijn hele carrière lang pleit hij tegen de bbp-obsessie van economen en overheden. Groeicijfers op zichzelf zijn betekenisloos. Het gaat om wat die groei mogelijk maakt in een individueel mensenleven. Om hoe vruchten van die groei zijn verdeeld.

Ook de conventionele opvatting dat groei nodig is om te kunnen betalen voor sociale voorzieningen, zoals onderwijs en gezondheidszorg, wordt door Sen omgekeerd. Het gaat precies andersom, betoogt hij: een gezonde, goed opgeleide bevolking is een noodzakelijke voorwaarde voor economische voorspoed. Hij werpt nog een blik op het artikel in The Financial Times – ‘Typisch Wolf’ – en gaat op zijn gemak zitten.

Engelse thee, loeisterk met een scheut melk, blijkt te ingewikkeld voor de Amsterdamse horeca en dus wordt het bruisend water. Als Indiër is hij gewend dat de ongeopende fles even wordt aangeboden, zodat de gast kan voelen of de drank goed gekoeld is. Hier gelden andere mores en er ontstaat een onhandig tafereel waarbij het lijkt alsof de ober Sens bestelling wegtrekt op het moment dat hij ernaar reikt. Sen is in Nederland voor een lezing. Een volle zaal in debatcentrum de Rode Hoed hing gisteren aan zijn lippen. Sen sprak de jaarlijkse lezing uit van het International Institute of Asian Studies, onderdeel van de Universiteit Leiden. Hij hield een pleidooi voor goedkope, universele gezondheidszorg. In plaats van te doen alsof gezondheidszorg een kostenpost is die een overheid in de richting van een bankroet jaagt, betoogde Sen dat publieke gezondheidszorg, zeker in arme landen, ‘een haalbare droom’ is.

Hij wil een dubbel punt maken, licht Sen toe: ‘Toegankelijke gezondheidszorg is enorm waardevol op zichzelf, maar staat ook model voor mijn stelling dat publieke diensten belangrijk zijn om een land vooruit te helpen. Dat wordt momenteel op veel plekken in de wereld vergeten.’ Sen vertelt over de correspondent van The Financial Times in New Delhi (de FT is vandaag duidelijk Sens schietschijf). ‘Die was het zelden met mij eens, totdat zijn vrouw naar het ziekenhuis in Delhi moest. Toen pas ontdekte hij wat een vreselijk systeem de Indiase gezondheidszorg is. Echt, het is een van de ergste ter wereld. En er is geen gebrek aan geld in India. Het is het onvermogen om coherent en systematisch na te denken over een onderwerp als gezondheidszorg.’

Er zijn volgens Sen talloze voorbeelden van landen die laten zien hoe het wél kan. Thailand, Bangladesh, Rwanda – allemaal naties die ondanks beperkte economische middelen er toch in slagen om betaalbare gezondheidszorg aan te bieden aan grote delen van de bevolking. Ze worden ervoor beloond met goede groeicijfers, een uitvloeisel van de simpele logica dat een gezonde bevolking een productieve bevolking is.

Thailand is een van Sens favoriete voorbeelden. In 2001 introduceerde de regering daar het ‘30 bath algehele-dekking-programma’. Iedere Thai kreeg toegang tot medische zorg, met de belofte dat hij of zij nooit meer dan dertig bath (minder dan één euro) per behandeling hoefde te betalen. Het gevolg was dat de gemiddelde levensverwachting steeg tot 74 jaar, de kindersterfte terugliep tot elf op de duizend geborenen en dat het verschil in kindersterfte tussen rijke en arme delen van het land nagenoeg verdween.

‘Er begint een tegenreactie op austerity-regeringen te ontstaan. Vergeet niet, democratie heeft uiteindelijk die macht. Een afrekening komt altijd’

Sen vergelijkt dit soort prestaties met zijn moederland India, dat wat betreft economische groei Thailand in de afgelopen decennia voorbijstreefde. Toch is de gemiddelde levensverwachting daar 66 jaar en de kindersterfte 180 op de duizend. India ontbeert een functionerend zorgstelsel met toegang voor iedereen.

Europa lijkt juist steeds meer afstand te nemen van het publieke stelsel. Hier gaat de ontwikkeling de andere kant op, van publieke naar private gezondheidszorg.

‘Het publieke denken in het Westen staat zwaar onder druk, dat klopt. Daar kun je op twee manieren naar kijken: de wereld is veranderd en de markteconomie is komen bovendrijven als dominante kracht waarvoor er geen alternatieven lijken te zijn. Het uitgangspunt is kapitalisme met een noodverbandje hier en daar. Maar je kunt ook zeggen dat het in fases gaat. Alfred Hirschmann beschrijft dat in zijn boek Shifting Involvements. In de naoorlogse jaren was er in Europa en de Verenigde Staten een sterke toewijding aan publieke dienstverlening. We leven nu in een wereld waarin het bijzonder lastig is om voor het belang van publieke goederen te pleiten, maar dat betekent dat het weer terug kan komen.’

Hoe dan ook lijkt het verschil tussen het Westen en de rest van de wereld op een aantal punten te vervagen. Neem het probleem van stille honger waar u veel over schrijft. Oxfam rapporteerde onlangs dat miljoenen Britse gezinnen in voedselarmoede leven.

‘Ondervoeding heeft altijd bestaan, ook in westerse landen. Het is de vraag of er aandacht voor is, of het naar voren komt in het publieke debat. Weet je wat het opvallende is? Er is één moment in de geschiedenis waarop ondervoeding bijna geheel verdwenen was in Groot-Brittannië. In de jaren veertig, toen er in feite voedselschaarste was. Toen werd een systeem van rantsoenering en prijsbeheersing ingesteld. Het gevolg was een enorme terugval in ondervoeding. Dit illustreert een breder punt: de vrije markt is niet bij voorbaat de beste manier om schaarse middelen te verdelen.’

Ondervoeding in een samenleving waar de supermarkten uitpuilen. Is er sprake van een ‘paradox of plenty’?

‘Ik zou het eerder een verslappen van het denken willen noemen. Kijk, ik ben een door de wol geverfde academicus die gelooft dat de oorzaak van de meeste problemen een gebrek aan denken is. Hetzelfde zie je in het Europese austerity-beleid. Dat is gebrekkig denken van onthutsend niveau. Gedachteloos wordt het denken uitbesteed aan financieel-economen, in plaats van aan politiek-economen. De eerste groep is bijna zonder uitzondering voor flinke bezuinigingen, de tweede groep in groten getale tegen. De financiële experts zijn slim op hun terrein, maar niet als het gaat om het welzijn van een land. Een duurzaam financieel systeem komt er alleen als je de bevolking mee krijgt. Het tegenovergestelde is gebeurd. Maar nu begint er een tegenreactie op de austerity-regeringen te ontstaan. Dat zie je aan Griekenland, aan Spanje, aan Portugal. Vergeet niet, democratie heeft uiteindelijk die macht. Het volk mag dan niet constant geconsulteerd worden, een afrekening komt altijd.’

Medium sen2

Sen is inmiddels 82, maar niets wijst op een verslappen van zijn denken. Hij is overladen met meer eretitels dan er aan een gemiddelde studeerkamermuur passen, waaronder een Nobelprijs, de Amerikaanse National Medal of the Humanities en meer dan honderd eredoctoraten. Universiteiten overal ter wereld halen de Indiase econoom graag naar hun campus omdat een lezing van Sen de garantie biedt van een tegendraadse opvatting. Die dwarse reputatie vestigde hij met zijn baanbrekende artikel Rational Fools, waarmee hij (in 1977) als een van de eersten een poging deed de duivel van de homo economicus uit de economische wetenschap te bannen. Het idee dat mensen worden gedreven door het streven naar maximale winst is een idiotie fictie, betoogde Sen. Sympathie, betrokkenheid en altruïsme zijn minstens zo belangrijke drijfveren. Destijds was hij daarmee een roepende in de woestijn. Zijn grote gelijk kwam eigenlijk met de crash van 2008, toen economen zich gedwongen zagen de grondslagen van het denken opnieuw te bezien.

Ook Sens meest recente boek laat zien hoe onze blik wordt vertekend door verkeerde economische bewegwijzering. In 2013 publiceerde hij An Uncertain Glory: India and its Contradictions, samen met zijn vaste co-auteur Jean Drèze (een ascetisch levende Belg die sinds lange tijd aan de Delhi School of Economics zit). Sen en Drèze wijzen op de onmiskenbare schaduwzijden van het Indiase economische succesverhaal. India mag dan een indrukwekkend bbp hebben en een groeiende middenklasse die van de ongekende welvaart kan proeven (met obesitas en diabetes tot gevolg), de sociale rapportcijfers van het land zijn zwaar onvoldoende. Als het gaat om onderwijs en gezondheidszorg scoort India slechter dan de buurlanden China, Bangladesh en Pakistan. De hoeveelheid ondervoede kinderen is groter in India (43 procent) dan in Afrika. India mag de grootste democratie ter wereld zijn, dat lijkt niet te verhinderen dat grote delen van de bevolking een miserabel bestaan leiden.

Je kunt hier een pijnlijke vraag aan verbinden. Wellicht is democratie helemaal geen noodzakelijke voorwaarde voor armoedebestrijding. Misschien zijn autocratisch bestuurde landen, niet geremd door eindeloos gedelibereer, wel veel beter in het verbeteren van de kwaliteit van leven. Niet voor niets is voor Sen en Drèze China het voornaamste contrapunt in An Uncertain Glory. Op de democratie-index scoort dat land slechter dan India, maar in China is bijna de hele bevolking geletterd, terwijl een kwart van de Indiërs niet kan lezen en schrijven. Nagenoeg alle Chinese kinderen krijgen een dtp-prik, tegenover 66 procent van de Indiase. Kan vooruitgang in capabilities ook zonder democratie bereikt worden?

‘Je kunt op dit moment veel aandacht genereren voor inkomens- en vermogensongelijkheid. Hetzelfde debat aanjagen over onderwijs of sociale zekerheid is veel moeilijker’

‘We werpen de vraag of autocratie te verkiezen is inderdaad op in ons boek’, zegt Sen. ‘Om het vervolgens meteen weer te verwerpen. Je moet een aantal dingen beseffen als het over democratie gaat. Ten eerste dat democratische participatie een kostbaar goed op zichzelf is. En uiteindelijk is het alternatief, een autocratie, the luck of the draw. Autocratieën zijn fragiel. Je kunt een goede leider treffen, en dan gaat het de goede kant op. Maar onder een ander type leider kan het zomaar verkeerd gaan. Je kunt eindigen als China, met goede publieke voorzieningen vergeleken met India, maar je kunt ook eindigen als Noord-Korea. De bevolking heeft China niet gevormd, net zoals Noord-Koreanen de Noord-Koreaanse regering niet hebben gemaakt. China wordt geleid door interne partijdynamiek, en door de grote visioenen die Marx en Mao hadden over onderwijs en gezondheidszorg voor iedereen.’

Toch lijkt autocratie bezig met een opmars, juist in de landen die de afgelopen tijd flinke economische vooruitgang boekten. Ik denk daarbij aan Rusland, of Turkije…

‘Of aan India. Modi, Poetin, Erdogan: hun manier van optreden raakt een snaar bij de nieuwe middenklasse. Modi gaf hoop en een gevoel van can do aan de Indiërs. In de praktijk gebeurt er voor de meeste mensen niet veel, hooguit voor de zakenelite. Maar ik weet niet zeker of meer welvaart uiteindelijk goed of slecht is voor het democratisch gehalte. Wel ben ik het met je eens dat rijkdom niet automatisch leidt tot democratische overtuigingen. Of mensen aan democratie zijn toegewijd hangt af van andere factoren dan hun inkomen.’

Sen is een overtuigd democraat, maar niet een die blind is voor hoe democratie te kort kan schieten. Als hij spreekt over democratie moet je beseffen dat hij veel meer bedoelt dan eerlijke verkiezingen en een functionerend parlementair stelsel. De kwaliteit van een democratie meet hij af aan de mate waarin groepen erin slagen hun lot op de publieke agenda te krijgen. Want ook binnen een democratie is het grote gevaar dat de zwakste stem ongehoord blijft. Zo kunnen diepe sociale en economische onrechtvaardigheid lange tijd ongemerkt voortbestaan, zeker als ze worden afgedekt met een jubelverhaal over de macro-economische prestaties van een land.

In An Uncertain Glory hekelt hij de ‘juichende media’ die India verkopen als een onversneden succes of op z’n minst een glas dat half vol is. De minderbedeelden hebben nauwelijks een stem in het publieke debat, waardoor er weinig aandacht is voor stille honger, scholen waar de leraar zelden komt opdagen en ziekenhuizen waar nauwelijks medische voorraad is. Maar trek hieruit niet de conclusie dat democratie een sta-in-de-weg is, waarschuwt Sen. Ze functioneert niet goed genoeg, dat is wel zo. ‘We schreven India: An Uncertain Glory om de democratie in praktijk te brengen, niet om haar te begraven.’

Dat mag zo zijn, toch streek India: An Uncertain Glory de machthebbers tegen de haren in. Sen heeft een lange geschiedenis als luis in de pels van de bestuurlijke klasse van zijn moederland, een conflict dat de laatste maanden een grimmige wending heeft genomen. De regering van Narendra Modi haalt, zoals Sen het zegt, ‘vuile trucs’ uit om zijn reputatie te besmeuren. Sen is nauw betrokken bij de heroprichting van Nalanda University, een oude boeddhistische universiteit in het oosten van India. Het origineel, opgericht in de zevende eeuw en verwoest door een mosliminvasiemacht in 1193, was van het niveau wereldwonder. Tien tempels, omgeven met tuinen en meren. Nalanda had een bibliotheek van negen verdiepingen waar boeken met de hand werden gekopieerd. Op het hoogtepunt werden er tienduizend studenten afkomstig uit heel Azië onderwezen door tweeduizend geleerden.

Vorig jaar ging Nalanda opnieuw van start, met Sen als directeur. Het doel is om India opnieuw een intellectueel en spiritueel centrum te geven dat wereldwijd in aanzien staat. Onder meer Oxford en de Sorbonne hadden interesse in samenwerking. Maar de president van India, die op voordracht van de regering beslist over het bestuur van deze universiteit, weigert Sens herbenoeming goed te keuren. In de media verschenen verhalen over bestuurlijke en financiële malversaties op Nalanda. Sen zou een flink salaris toucheren. ‘Ik doe mijn werk onbezoldigd’, zegt de econoom koeltjes. ‘De regering gebruikt haar macht door tegen de president te zeggen: “Niet tekenen”.’

Het is gissen waarom precies Sen wordt gedwarsboomd, ook voor hemzelf. Het kan zijn dat een heropgericht boeddhistisch bolwerk niet past in de agenda van de hindoe-nationalistische regering van India. Of dat ze hem, als criticus van de Modi-regering, liever niet op een prominente positie in eigen land hebben. Hoe het ook zij, de regering-Modi lijkt slecht te scoren op de index van niti en nyaya als het gaat om hun omgang met Amartya Sen.

Het is een schrale troost dat Sen ervan houdt om tegen de stroom in te moeten varen. Toen The Guardian hem eens vroeg hoe ontspanning eruitzag in zijn professorale leven antwoordde Sen: ‘Ik houd ervan om te redetwisten met mensen.’ Hij is de argumentative Indian, de titel die hij gaf aan zijn boek uit 2005. Het is de meest lichte toets in Sens omvangrijke publicatielijst. Tussen academische werken over ongelijkheid, sociale-keuzetheorie (waarvoor hij een Nobelprijs kreeg) en rechtvaardigheidsleer is het misschien niet zijn meest doorwrochte werk, maar wel een van de meest veelzeggende over Sen zelf. Hij vertelt over zijn jeugd in Shantiniketan (Bengaals voor ‘oord van vrede’), het universiteitsstadje dat werd gesticht door Rabindranath Tagore, een vriend van Sens vader. Hij laat zien hoe hij, als liefhebber van het debat, een exponent is van een diepgewortelde traditie van publieke discussie op het Indiase subcontinent. Het boek bevat het kernpunt van Sens denken. Het oplossen van problemen, sociaal, economisch, wat dan ook, begint bij publiek debat. Omgekeerd is een cultuur van lauwe openbare discussie een gevaar: dan kunnen onrechtvaardigheid en permanente achterstelling ongemerkt blijven bestaan.

Daarmee komen we op de ongelijkheidsdiscussie die op veel plekken in de wereld is opgelaaid. Het is een probleem dat altijd een rode draad in Sens oeuvre heeft gevormd. De kwestie sluimerde al langer, maar op een of andere manier bleef het buiten de brede belangstelling, totdat ongelijkheid als probleem ineens in het midden van de publieke arena stond, vooral dankzij Thomas Piketty’s Le capital au XXIème siècle. Een puntje erbij voor de democratie zoals Sen die graag ziet, maar tegelijk kan ik me voorstellen dat Sen bezorgd is omdat het debat zich weer vernauwt tot een discussie over geld, in plaats van over waar geld toe dient. Welke van de twee heeft voor hem de overhand?

‘Ik zie het zo. Piketty was bezorgd over groeiende ongelijkheid en schreef daar een excellent boek over, met een beperkt perspectief. Tegelijk laat het wel iets zien. Vergelijk het met het Oxfam-rapport over honger in Groot-Brittannië. Dat soort rapporten komen en gaan, en worden nooit een bestseller. Je kunt op dit moment veel aandacht genereren voor inkomens- en vermogensongelijkheid. Hetzelfde debat aanjagen over ondervoeding, onderwijs of sociale zekerheid is veel moeilijker. Dat is frustrerend. Maar ik beschouw Thomas, die een goede vriend van mij is, als een wegbereider voor de mogelijkheid om ook over andere vormen van ongelijkheid te praten. Lange tijd was niemand geïnteresseerd in dit thema, maar hij greep ons bij de kraag en dwong ons ernaar te kijken. Het is nu aan anderen om de discussie verder te brengen.’

Dus we hoeven niet te vrezen voor een cultuur waarin iedereen andermans geld aan het tellen is, die binnenkomt op de slippen van de ongelijkheidsdiscussie? Sen gaat staan, ons gesprek loopt op zijn eind. Zijn blauwe jasje valt ruim over zijn smalle schouders. ‘Aristoteles, in het allereerste hoofdstuk van de Ethica Nicomachea, schreef al dat niet geld, maar vrijheden het belangrijkste zijn. Dat is de kern. Niet hoeveel een mens verdient doet ertoe, maar wat hem vrij staat om te doen.’


Beeld: (1) Amartya Sen heeft een lange geschiedenis als luis in de pels van India’s bestuurlijke klasse (Kazam Media / Rex Features); (2) India ontbeert een functionerend zorgstelsel met toegang voor iedereen (Susan Meiselas / Magnum / HH)