Soedanezen dromen van een seculiere staat

‘Ik zie hier geen Facebook-generatie als in Egypte’

‘Khartoum’ voert drie oorlogen in eigen land. De inflatie en dalende groei raken de gewone man. En de corruptie is wijdverbreid. ‘Als de overheid honderd nieuwe banen te vergeven heeft, gaan er 98 naar vrienden van politici.’

Medium soedan

Khartoum – Bijna alle plastic stoelen langs de atletiekbaan zijn op deze warme zomeravond bezet. Gezinnen picknicken op het gras tussen de gravelbaan en een betonnen tribune met daarboven het verlichte portret van president Omar al-Bashir. Een koel briesje verjaagt de hitte, tot middernacht rennen jongens over de gravelbaan. ‘Een goede plek om ongezien iemand te ontmoeten’, zegt mijn contact­persoon, die ik voor zijn veiligheid Salim noem. De hoekige veertiger is bijziend en brilloos, maar rijdt graag honderd in de bebouwde kom. Hij zou dit jongensboekleven voor geen goud willen missen.

We schuiven aan bij een groep oude studievrienden van Salim. Een jonge vrouw in zwarte abaya en losjes omgeslagen hoofddoek brengt zoete thee van een nabijgelegen kiosk. Als om één uur ’s nachts de lichten op de baan uit gaan, komt mijn bron naar ons toe, schudt mijn hand, wisselt enkele woorden met Salim en verdwijnt weer. ‘Het is niet veilig’, zegt Salim: ‘Hij was vandaag bij de demonstraties en hij wordt continu geschaduwd. Hij slaapt niet meer thuis. Ze zijn ook langs geweest op zijn werk. Vroeg of laat krijgen ze hem te pakken. Dan houden ze hem een paar weken vast, martelen hem om hem op andere gedachten te brengen en laten hem dan weer gaan.’

Sinds het zuiden zich vorig jaar heeft afgescheiden heerst er crisis in Soedan. Driekwart van de lucratieve olievoorraad ligt in het buurland, dat prompt de kraan dichtdraaide. Begin augustus bereikte Bashir met zijn collega Kiir van Zuid-Soedan een akkoord, maar de deal was niet voldoende om het regime uit zijn hachelijke situatie te helpen. Omar al-Bashir – het eerste staatshoofd dat in functie is aangeklaagd door het icc op verdenking van onder meer genocide – geeft driekwart van het budget uit aan zijn veiligheidsapparaat. ‘Khartoum’ voert drie oorlogen in eigen land: in Zuid-Kordofan, de Blauwe Nijl-regio en Darfur. De inflatie en dalende groei raken de gewone man op straat, het Soedanese pond halveerde in een jaar tijd in dit import-afhankelijke land en eind vorige maand besloot de regering ook nog om de elektriciteitsprijs met driehonderd procent te verhogen.

Nu de inkomsten opdrogen, is de wijdverbreide corruptie niet meer onder het vloerkleed te vegen. Salim rijdt me rond door een nieuw aangelegde wijk met pastelkleurige villa’s als kastelen – allemaal van familie van de president en regeringsgetrouwen. Het regime slaat iedere vorm van protest neer en buitenlandse pottenkijkers worden geweerd. Het is haast onmogelijk om zelfs maar een toeristenvisum te bemachtigen, al heeft het land dezelfde rijkdom aan piramides als zijn noordelijke buur Egypte. Voor ik op een transitvisum vertrek, leg ik contact met Salim, die me ruimhartig deelgenoot maakt van zijn dubbelleven als smetteloze middenklasser en geheime verbindingsman van het verzet. Iedere dag haalt hij me op in een andere auto, nooit op het afgesproken tijdstip, en ik weet van tevoren niet wie ik ga ontmoeten.

Twee dagen later verschijnt Salim voor mijn hotel met Hashim in zijn gloednieuwe, spierwitte MG om me ‘een demonstratieleider’ te laten ontmoeten. Het plastic van de auto zit nog om de hoezen. Hashim draagt een gesteven overhemd, zijn jasje hangt aan een haakje boven de achterbank. Hij is onmiskenbaar een hoge ambtenaar; toch is ook hij privé kritisch over het regime: ‘Als de overheid honderd nieuwe banen te vergeven heeft, gaan er één of twee naar competente kandidaten, de andere 98 naar vrienden van de politici.’ We gaan een onafgemaakt kantoorgebouw binnen. De lift doet het niet, de bouwmaterialen liggen nog in de ontvangsthal en de marmeren tegels van de smalle trap omhoog maken na twee verdiepingen plaats voor zand. Het is muf en heet, het pand is bijna uitgestorven, in de verte klinkt een radio. We kloppen op de deur van een exportbedrijfje. In een achterafkamer waar de airconditioning op volle toeren draait zit oppositieleider Imad (niet zijn echte naam) driftig te tikken op zijn laptop.

Imad is een veertiger met een grijzende baard en een bril. Hij heet me welkom en al gauw gaat het gesprek over de demonstraties. Hij legt uit hoe het werkt: ‘We zoeken een drukke moskee uit en na het vrijdagmiddaggebed begin ik te schreeuwen. De rest volgt. Nee, ik hoef mensen niet te overtuigen, iedereen ziet wat er gebeurt in dit land. We gaan de straat op. We steken oude autobanden in brand zodat de politie ons niet kan pakken. De politie reageert met traangas, pakt demonstranten op en brengt ze naar ghost houses.’ Amnesty International berichtte al in 2005 dat de regering demonstranten in deze ‘spookhuizen’ zonder aanklacht of proces vasthoudt en martelt. Khartoum ontkende, beweerde vervolgens alle huizen te hebben gesloten, maar verschillende bronnen vertellen me dat ze nog steeds bestaan.

‘We willen een democratische regering die streeft naar vrede en duurzame ontwikkeling’, zegt Imad. Hij is geen lid van een politieke partij, zegt hij, maar onderdeel van een sociale beweging die gelooft in verandering: ‘We willen een gezamenlijke grondwet opstellen voor een nieuw Soedan, een grondwet die de hoop en aspiraties van alle Soedanezen weergeeft. We willen een seculiere staat.’

Imad is een van de aanvoerders van de jongste demonstraties die op 29 juni begonnen. Iedere demonstratie krijgt een geuzennaam en is opgedragen aan een specifiek thema. De tweede grote vrijdagdemonstratie werd die van de weirdo’s genoemd omdat president Bashir de demonstranten de eerste keer als weirdo’s had afgedaan. Eén demonstratie stond in het teken van vrouwenrechten, een andere in het teken van Darfur. Vooralsnog zijn het vooral studenten die de straat op gaan en meestal zijn het er niet meer dan een paar honderd, al wordt er op meerdere plekken en in meerdere steden tegelijk gedemonstreerd. Toch ziet Imad het als het begin van een nieuwe revolutie. Het zou de vierde zijn, want Soedan heeft drie keer eerder revoluties meegemaakt en telkens volgde daarop een korte periode van democratie, net na de onafhankelijkheid van 1956-1959, opnieuw van 1965-1968 nadat kolonel Numeri de macht had gegrepen, en de laatste maal van 1985 tot 1989 toen generaal Bashir het stokje overnam.

‘Ik zie de mentaliteit veranderen’, zegt Imad terwijl Salim gapend balanceert op de achterste twee poten van zijn stoel. ‘De werkloosheid stijgt, mensen hebben niets meer te verliezen. Vroeger hoefde alleen de man te werken, nu moet ook de vrouw aan de slag en worden zelfs de kinderen van school gehaald om bij te dragen. Dit regime heeft het racisme laten toenemen. De regering is onderdeel van alle selectiecommissies, ook voor het bedrijfsleven. Ik ben afkomstig uit Darfur en ik protesteerde in mijn studententijd al tegen dit regime dus ik kan een gewone baan wel vergeten.’ Dan wordt Salim ineens onrustig. ‘Zullen we gaan?’ Imad schudt mijn hand en zegt: ‘Zorg dat je alle informatie krijgt die je nodig hebt en verlaat zo snel mogelijk het land. Buiten Soedan kun je meer voor ons betekenen. We willen niet de straat op moeten om je vrij te krijgen.’

Khartoum is het Las Vegas van het Midden-Oosten; een moderne woestijnstad met hoge kantoorgebouwen, geasfalteerde wegen en geel omlijnde stoepen bedolven onder een fijn laagje oranjerood zand. Die bebouwing verrees toen het land in 1999 olie begon te exporteren. Seif al-Islam Kadhafi, de tweede zoon van de voor­malige Libische leider, liet hier een paar jaar terug een futuristisch hotel neerzetten dat ­eruitziet als een bijenkorf met blauw spiegelende ramen. In het centrum wemelt het van de hippe koffietentjes en restaurants met namen als Solitaire en Oxygen. De meeste buitenlanders die nu nog in Khartoum wonen, zitten in het ontwikkelingswerk. Hun bewegingsruimte kalft snel af. De afgelopen maanden werd zeven hulporganisaties gevraagd om Oost-Soedan te verlaten.

Verreweg de meeste Soedanezen wonen aan de rafelranden van de stad. Salim laat ze me zien als we op een middag rondrijden in de four­wheeldrive van zijn vader, waarvan de airconditioning stuk is zodat de snijdende hitte door de open ramen naar binnen dringt. De lemen hutten en erven, allemaal zonder elektriciteit en stromend water, strekken zich kilometers lang uit tot ze overgaan in woestijn – een andere realiteit dan die van Soedans machthebbers. Het gebied is inmiddels verboden terrein voor Rein Dekker, countrymanager van War Child Holland in Khartoum. ‘Qua overheidsrelaties is dit een van de moeilijkste landen’, zegt Dekker, die in meer dan twintig landen heeft gewerkt en sinds twee jaar in Khartoum woont: ‘Maar gezien ons mandaat moeten we hier zijn en zorgen dat het werkt.’

War Child Holland wil in zowel Soedan als Zuid-Soedan veilige plaatsen creëren voor ­kinderen, en als het kan toegang tot onderwijs. Ze heeft projecten voor kinderen in vluchtelingenkampen en ontwikkelt samen met onder meer tno een e-learning module voor kinderen van (veelal ongeletterde) nomaden. De ambities zijn groot: War Child Holland wil samen met het ministerie van Onderwijs en lokale partners een miljoen kinderen toegang tot onderwijs bieden in tien jaar tijd. Maar de uitdagingen zijn groter. ‘Sinds zes maanden krijgen we geen toestemming meer om onze projecten in Khartoum te bezoeken’, zegt Dekker. ‘We werken steeds meer samen met nationale ngo’s en bouwen aan hun capaciteit. Zelf projecten implementeren is onder dit regime een dood­lopende weg.’

Dekker ziet het 23 jaar oude regime nog niet vertrekken: ‘Er is een flink risico op hyperinflatie en de regering heeft veel inkomsten verloren omdat 75 procent van de olie zit in wat nu Zuid-Soedan is. Maar bij demonstraties komen tot nu toe nooit meer dan duizend mensen opdagen. Ik zie hier geen Facebook-generatie als in Egypte.’ Zolang de bevolking nog niet massaal de straat op gaat, laat een revolutie nog op zich wachten, meent hij.

Hoe wijd verspreid is de onvrede onder Soedanezen? Ik herinner me wat de vrouw van Salim de avond ervoor zei. Ze is bevoorrecht, heeft een goede baan in de ngo-sector en maakt zich kwaad over de corruptie en de houding van haar regime tegenover Zuid-Soedan. Maar ze gaat niet de straat op en ook zij denkt dat een revolutie nog wel even op zich laat wachten. Toen bedacht ze zich: ‘Ach, Soedanezen zijn onvoorspelbaar.’

’s Avonds neemt Salim me mee naar de sjeik van een van Khartoums vele moskeeën. Het is een uur of tien, de dienst is net afgelopen. Salim leidt me naar de gerieflijke binnentuin van het aanpalende huis. De sjeik draagt een ruimvallend wit gewaad en een bidketting. Hij schudt me de hand. Ik draag geen hoofddoek, maar niemand kijkt ervan op. De sjeik leidt me rond over het terrein. Op de binnenplaats liggen kinderen in witte djellaba’s op dunne matjes te slapen – de moskee runt ook een madrassa, een koranschool – 124 pupillen krijgen hier gratis onderwijs. ‘Vroeger kreeg ik gratis elektriciteit van de overheid, nu we een islamitische regering hebben moet ik ervoor betalen’, moppert hij.

De sjeik is een soefi, anders dan de president, die het soennitische geloof aanhangt. Soedan kent een lange geschiedenis van (slaven)handel met het Midden-Oosten en bekeerde zich vrijwillig tot de islam. Het soefisme, een betrekkelijk kleine stroming, kreeg voet aan de grond. Het wordt wel de mystieke tak van de islam genoemd, omdat er minder geloof wordt gehecht aan uiterlijke rituelen en meer aan de innerlijke zoektocht naar wijsheid. Op mijn vraag waarin het soefisme volgens hem verschilt van de dominante soennitische islam antwoordt de sjeik: ‘Islam gaat over eerlijkheid, eerlijk zijn naar jezelf. Over de waarheid vertellen en over geloven in één God. Dat is alles.’ Terug in zijn binnentuin serveert een bediende muntthee uit eigen tuin, getrokken van muntplantjes die de sjeik heeft meegebracht uit Mekka. De sjeik legt zijn stok op de zere zij van een bezoekster en prevelt een kort gebedje om haar pijn te verlichten. Salim vraagt hem of hij voorstander is van het huidige regime. De oude man haalt zijn schouders op: ‘Als ik het eens was met dit regime, dan reed ik nu wel in een dure auto, denk je niet?’ Bij het afscheid mompelt hij: ‘Wat jammer dat ik niet wist dat je kwam. Dan had ik gezorgd dat ik wat dollars in huis had. We geven reizigers graag wat mee.’ Die gastvrijheid is tekenend voor de meeste Soedanezen die ik ontmoet.

Uiteindelijk spreek ik een openlijke tegenstander van het regime, de bekende oppositieleidster Halah Betnamim. Het gesprek vindt plaats in het kantoor van haar beweging. Rond een grote tafel zitten Halah, de vertaler, en een jonge studentenprotestleider, Tajelsir. Salim blijft wijselijk weg. Kort na de start van de demonstraties viel de politie het pand binnen, nam de computers in beslag en arresteerde alle aan­wezigen.

‘De dictatuur heeft niets voor ons land gedaan’, zegt Betnamim, een gezette vrouw gehuld in een gebloemde doek die losjes om haar hoofd valt. ‘De economische situa­tie is slecht en wordt steeds slechter. De mensenrechten gaan ook achteruit. We gaan door tot de toestand is opgelost.’ Ik vraag om een voorbeeld. ‘Wist je dat in ons land 43.000 vrouwen jaarlijks stokslagen krijgen?’ zegt ze. Of het aantal klopt is niet te verifiëren; cijfers worden in Khartoum continu misbruikt. Wel staat vast dat slechts twee procent van het overheidsbudget naar onderwijs gaat. Halah Betnamim: ‘Het regime heeft de mensenrechten vanaf het begin met voeten getreden.’

Tajelsir, een 25-jarige student scheikunde met een smal gezicht en opgeknipt krullend haar, zit voorovergebogen over zijn schrift en maakt driftig aantekeningen. Als hij eindelijk het woord krijgt, zegt hij in hakkelend Engels en met onverholen woede: ‘We zijn niet tegen Bashir of wie dan ook. We zijn tegen de oude tradities. Tegen een opgelegde religie, tegen vervolging en tegen ongelijke rechten voor vrouwen.’ Maar het is uiteindelijk het vooruitzicht om werkloos te worden dat hem de straat op drijft. ‘Ik wil een goed leven. Ik wil een baan.’

Tajelsir is inmiddels acht keer zonder aanklacht aangehouden. Hij is gemarteld en zegt dat ze gedreigd hebben om hem te verkrachten. Het bracht hem niet op andere gedachten. ‘Je kunt hier alleen afstuderen met een koranvers boven je scriptie. En je mag niet over ideologie, religie of corruptie schrijven. De religieuze staat leidt tot dictatuur. Wij willen een seculiere staat.’

Na afloop geeft Betnamim me een lift naar mijn hotel. ‘Kijk’, zegt ze spottend als we halverwege haar straat langs een groep mannen rijden. ‘Allemaal veiligheidsdienst die me in de gaten moet houden.’ Dan belt Salim en vraagt of ik mijn koffer wil pakken. Hij heeft haast. ‘Ik werd gebeld na je vertrek. Een paar straten verderop woont iemand die ik ken. Hij zag jullie voorbijrijden’, zegt hij. ‘Jullie werden gevolgd.’


Roelien Tevelde is een pseudoniem; de ware naam van de auteur is ter redactie bekend

Beeld: Ezequiel Scagnetti / Granagular / HH