‘ik zie mezelf als berichtgeefster’

DE EERSTE KEER dat Milosevic zich in het openbaar vertoonde en ze hem op televisie met vrijwilligers zagen marcheren, had haar man al gezegd: ‘Hou die in de gaten.’ Inmiddels is hij er tegen de televisiereportages steeds te volgen, maar zij vindt dat, als er beelden van zijn, je daarvoor niet je ogen moet sluiten. ‘Ik vind dit een sómbere tijd om te doorleven.’ Ze maakt een wegwuivend gebaar richting cassetterecorder die haar woorden opneemt. ‘Laten we het er maar niet over hebben.’ Dat gebaar zal ze nog een paar keer maken tijdens ons gesprek, of het nu over haar kinderen gaat, over de invloed van de islam of over haar schrijverschap. ‘Zet dat er maar niet in.’

Hélène Nolthenius, oftewel prof. dr. H. Wagenaar-Nolthenius, schrijfster van romans, verhalen, detectives, essays en wetenschappelijk werk, en emeritus hoogleraar musicologie. Een rijzige dame met een open, levendig gezicht en een vitale uitstraling. Onlangs voegde zij een nieuwe roman toe aan haar oeuvre. (Haar man bij mijn binnenkomst: ‘Mijn vrouw werkt heel hard. Te hard.’) Voortgeschopt als een steen verhaalt van de zwerftocht die Leonidas van Tarente in de derde eeuw voor Christus maakte door Italië, Griekenland en Klein-Azië. Nolthenius baseerde zich voor dit boek op de epigrammen die Leonidas heeft nagelaten. Zoals bij al haar historische romans is een intensieve periode van onderzoek voorafgegaan aan het schrijven. Alles moet zoveel mogelijk kloppen en terug te vinden zijn. 'Als ik met mijn man op vakantie ben in Italië, dan loopt hij door de stad en ik zit in de bibliotheek.’ DIT NIEUWE BOEK heeft een wordingsgeschiedenis van tien jaar. Met een relativerende lach: 'Ik denk wel dat het mijn laatste boek is.’ Om zichzelf direct te verbeteren: 'Nee, er komt nog een Lapo Mosca aan.’ Ze doelt op de veelgelezen middeleeuwse detectiveromans die ze schreef, waarin 'minderbroeder en meesterspeurder’ Lapo Mosca de hoofdrol speelt. Daarvan zijn er tot nog toe drie verschenen. In het vierde boek, waarmee ze al een flink eind op streek is, laat ze de monnik door het veertiende-eeuwse Amsterdam lopen. Een klus die haar voorlopig nog voor heel wat problemen plaatst. 'Ik zit aan die veertiende eeuw vast, maar dat is nog vóór Amsterdam zo'n hoge vlucht doormaakte. Alles had nog andere namen. De mensen kennen de Warmoesstraat wel, maar het Kerkepad zegt ze niets.’ Het valt niet mee om met iemand als Hélène Nolthenius, die al op jonge leeftijd besloot het hier en nu min of meer te ontvluchten en zich op de Middeleeuwen en op Italië te storten, over 'deze eeuw’ te praten. Steeds komt het gesprek weer op Florence, de veertiende eeuw of vroeger nog. 'Je wéét zo lekker veel van die Middeleeuwen, vooral van Florence omdat daar van die schrijfgrage kooplieden woonden, die hun zonen wilden vertellen hoe ze het moesten aanpakken later.’ Haar escapisme ontstond in de oorlogsjaren. 'Als je vriendin uit jouw eigen huis wordt opgepakt, en daarna je vader, dan heb je voor je hele leven genoeg werkelijkheid gezien… Ook al zijn ze dan, de een uit Auschwitz en de ander uit Dachau, ten slotte heelhuids teruggekeerd.’ Wegwuivend gebaar richting cassetterecorder. In het openingsverhaal van haar bundel De steeneik (1984) beschrijft Nolthenius de glorieuze treinreis die classica Maja Terwey direct na de oorlog maakt naar Rome om daar aan haar proefschrift te gaan werken. 'Italië, daar ben ik dan. Ik heb het gehaald. Ik móest het halen, want ik wou naar je toe. Je was mijn droom sinds mijn schooljaren. Anderen verzamelden filmsterren, ik verzamelde jou. In de oorlog stond je voor al het levensgeluk dat we kwijt waren. Denken aan jou maakte overleven zinvol. Daarom stond er geschreven dat ik komen zou. Al had ik moeten fietsen - op massieve banden. Al had ik moeten lopen - op Amerikaanse legerschoenen.’ De verpersoonlijking van Nolthenius’ Italië was Franciscus van Assisi, over wie ze de biografische studie Een man uit het dal van Spoleto (1988) schreef. 'Het katholicisme zoog me de Middeleeuwen in. De religiositeit van die periode trok me zeer.’ Haar ouders waren niet kerkelijk. Op 21-jarige leeftijd liet Hélène Nolthenius zich dopen. Zelfs heeft ze erover gedacht het klooster in te gaan. Jaren later keerde ze zich weer af van de katholieke kerk. Niet langer gelovig? 'Mijn man heeft er een mooie naam voor: agnost.’ Ze betoogt dat de middeleeuwse leerstellingen vaak niet langer vol te houden zijn in het licht van wat we nu weten. 'Denk alleen maar aan het scheppingsverhaal!’ Ook de oude betovering door Franciscus is van karakter veranderd. 'Als heilige van de natuur en van de dieren brengt hij altijd weer mensen in zijn ban, maar voor dogma’s en kerkelijk recht moet je bij iemand anders zijn. Daar heb je op je twintigste nog niet zo'n boodschap aan. Op een bepaald moment ga je zulke zaken van een meer pragmatische kant bekijken.’ Verzuchtend: 'Het is veel fijner om iets te geloven, maar het moet wel kunnen. Je moet toch uiteindelijk eerlijk zijn.’ HETGEEN ONS brengt op de rol die religie speelt, nu, in deze tijd. 'Dit jaar denk ik voor het eerst: dit zijn de nadagen van het christendom. Ik zie een duidelijk neergaande lijn. Maar of we er veel gelukkiger van worden…’ Komt er niet iets anders voor in de plaats? Ze haalt haar schouders op, mompelt iets over de islam. 'Voor ons vrouwen kun je toch beter een vrijzinnig christendom hebben.’ Gewuif richting recorder. Ze vertelt enthousiast over de Stoa, die in haar nieuwe boek een belangrijke rol speelt. Na de veldtocht van Alexander de Grote, in de derde eeuw voor Christus, vormde zich een geheel nieuwe mentaliteit. 'Een mentaliteit die eigenlijk heel internationaal is.’ Als ik haar vraag of ze met deze historische roman ook over het heden schrijft, begint ze te lachen. 'Natúúrlijk! Het idee van allochtonen die zich over de wereld verspreiden, de eeuwige ruzies van de Grieken, het minderwaardigheidsgevoel van de Serviërs die in die tijd anders heetten… Voor de goede verstaander schrijf ik over actuele zaken.’ In 1958 werd Hélène Nolthenius hoogleraar oude muziekwetenschappen in Utrecht. Bijna twintig jaar lang leidde zij studenten op in de muziekgeschiedenis van de oudheid en de Middeleeuwen. Haar assistent werd uiteindelijk haar opvolger. 'Ik krijg nog wel de jaarverslagen van hem toegestuurd, van het Instituut van Muziekwetenschappen, maar ik lees die met vertwijfeling. Al die verplichtingen die er nu zijn, en die halve of driekwart banen, en hoe dat dan allemaal met cijfertjes wordt uitgedrukt. Ik vind het bijna anti-muzisch. Ik zou er niet goed in passen. Indertijd was het inspirerender, denk ik.’ Muziek kan zij niet losdenken van de tijd waarin ze ontstond. 'Geleidelijk aan ben ik evenzeer door de omlijsting, de samenleving, getroffen als door de muziek zelf. Vooral wanneer het gaat om muziek uit een periode die ver van ons af staat.’ Naar het Concertgebouw gaat ze zelden meer. 'Ik wil ’s avonds niet over straat. Het is niet veilig.’ Een modern verschijnsel als de 'meezing-Matthäus’ vindt ze 'énig’. 'Dan verdwijnen al die anti-kerkelijke en anti-christelijke gevoelens kennelijk.’ Zijn er moderne componisten die zij volgt, of goed vindt? 'Mag Strawinsky nog? Is dat modern genoeg? En Mahler natuurlijk, als je dat al twintigste eeuw kunt noemen.’ We praten over het verhaal 'De krekel’, wederom in De steeneik, waarin Nolthenius het afscheidsconcert van een zangeres beschrijft. Ze zingt voor die gelegenheid Mahlers Lied von der Erde. Het verhaal begint zo: 'Zingen. Recht staan, argeloos, serene overgave als masker voor het gezicht, maar van binnen een machine onder stoom. Peinzend de zaal in staren, maar de kleinste zenuw startklaar weten. Buikspieren, middenrif, longen, strottehoofd: eenheden die wachten op het commando. Stembanden, gespannen als de pees van een boog, klaar om de eerste klankpijl af te schieten. Zingen!’ Hier schrijft iemand die zelf zingt. Of niet? 'Ik heb jaren gezongen. Geen Mahler en niet in het Concertgebouw. Maar wel gezongen. Als tiener dacht ik zangeres te worden. Zingen was een blijvende hartstocht voor mij.’ NET ZOALS ITALIE dat was. Is. Voor beiden. Als zij even koffie gaat zetten, toont haar man me het stekje van de bougainville uit hun Italiaanse tuin. Hij doet het wonderwel goed voor het grote raam dat uitzicht biedt op het Amsterdamse Beatrixpark. 'Mijn man heeft verschrikkelijke heimwee naar ons huis in Italië’, vertelt Hélène Nolthenius even later. Acht jaar woonden ze in Toscane, toen Nolthenius met emeritaat was, in een huis op een heuvel met een grote tuin rondom. 'Onze hond konden we niet los laten lopen, omdat er nog wolven waren in dat gebied. Hij kon wel eens worden aangezien voor een wolf en worden doodgeschoten.’ Het was een bijzondere tijd, waarin Nolthenius onder andere haar tweede Lapo Mosca-boek schreef, Als de wolf de wolf vreet (1980). Maar toch niet om eeuwig te blijven wonen. 'Je bent en blijft een buitenstaander. Ik was la bionda, van daar boven.’ Nog steeds gaat er geen jaar voorbij zonder een bezoek aan Florence. Omdat de autorit naar Italië nu wel erg belastend begint te worden, gaan ze het grootste stuk met de autotrein vanuit Den Bosch. 'Een uitvinding!’ Welke uitvindingen of ontwikkelingen in deze eeuw vindt Nolthenius nog meer belangrijk? Onverwacht direct: 'Allereerst de opkomst van het socialisme. Die beschouw ik als de grote verovering van deze eeuw.’ Ze vertelt over de sensatie dat de eerste socialisten in de Kamer kwamen. 'Dat was ongekend.’ 'Natuurlijk is niet alles rozegeur, maar dankzij het socialisme zijn de absurde verschillen tussen rijk en arm verdwenen. De klassen zijn naar elkaar toe gegroeid, vooral economisch. De mensen leden honger. Dat is nu niet meer. Natuurlijk, verschillen blijven er, als gevolg van de mentaliteit, maar dat is nog leefbaar, tenminste in een land als het onze. Dat zie je pas goed als je een kijkje in Afrika neemt. Daar is het niet leefbaar.’ Als tweede belangrijke ontwikkeling ziet zij de vorderingen in de biochemie. 'Al die geneesmiddelen die zijn uitgevonden voor alles waar je vroeger aan doodging. En voorbehoedmiddelen natuurlijk. Die ontwikkeling heeft onze samenleving voorgoed veranderd.’ WIE ZIET ZIJ als belangrijkste figuur van deze eeuw? Lang nadenken. 'Nou dat zou ik zo niet… Wacht! Einstein natuurlijk!’ Om vervolgens te vragen of zij ook de duivel van deze eeuw mag aanwijzen. 'Dat is Hitler geweest.’ Inspirerende personen zijn er voor haar niet zozeer geweest. 'Ik heb me altijd meer laten inspireren door steden en landschappen.’ Florence, dat was het summum. 'Als je de goede hoekjes weet, is Florence nog steeds bij uitstek in staat te inspireren. Maar er hangt nu wel een verstikkende benzinedamp boven de stad. Dan zie ik meer in de campagna, het land eromheen. Wij hadden een heel goede verstandhouding met de boeren die voor onze olijven zorgden. Dan leer je zoveel van een landleven dat in de tijd van Leonidas niet heel anders was. Dat vind ik heel inspirerend.’ En het Nederlandse landschap? Ze begint te lachen. 'Ik weet niet meer waar we van de week reden, maar om ons heen was het allemaal zó vlak. En allemaal gras. Het Nederlandse landschap heeft niet de activiteit van een landschap dat rijst en daalt. In Italië keken we uit op de besneeuwde toppen van de Apennijnen.’ Hoe positioneert ze zichzelf als schrijfster in het Nederlandse literaire klimaat? Voelt ze zich verwant met Hella Haasse bijvoorbeeld? 'Ik ken Hella Haasse vrij goed. We hebben in hetzelfde dispuut gezeten in de eerste oorlogsjaren. Ze was net uit Indië terug. We komen elkaar wel eens tegen.’ En Umberto Eco, wat vindt ze van zijn Naam van de roos? 'Hij heeft een geweldige fantasie. Hij weet ook heel veel van de Middeleeuwen, maar hij hutselt het allemaal vrolijk door elkaar. Ik probeer dicht bij de bronnen te blijven.’ Ze begint te lachen. 'Maar dan moeten de bronnen wel doen wat ik zeg!’ Aarzelend: 'Ik zie mezelf eigenlijk niet als schrijfster. Ik zat net Carmiggelt te lezen. Hij noemt zichzelf stukjesmaker, of journalist. Dat spreekt me wel aan. Ik beschouw mezelf als berichtgeefster.’ Ze is verbaasd over de lof die ze oogst met haar nieuwe roman. 'De oudheid is zo ver weg.’ Om zich vervolgens af te vragen of de hausse die antieke schrijvers als Aeschylos, Sophocles en Homerus op dit moment doormaken, misschien ook van invloed is op de aandacht voor haar werk. VANUIT HAAR werkkamer kijkt ze uit over de vijver in het park. Af en toe komt er een zwaan voorbij dobberen. Net genoeg afleiding bij haar werk. Als ze niet schrijft, verveelt ze zich. Lezen deed ze tot voor kort veelvuldig, vooral moderne Engelse schrijfsters ('Er zijn er een paar, die zijn verdomd goed’), maar de laatste tijd heeft ze last van haar ogen. Ze zou eigenlijk naar een oogarts moeten. Geen computer op haar bureau. 'Een van mijn dochters heeft geprobeerd me ermee om te leren gaan. Ik schaam me dood, maar ik kan het niet onthouden. Vreselijk. Ik voel dat het een gemis is.’ Internet? 'Ik weet niet eens wat het is. Ik zie die lettertjes allemaal wel in de krant… Dan krijg je wel erg sterk het gevoel niet meer in deze tijd te passen.’ Ze begeleidt me naar het trappenhuis en roept de lift voor me op. Een paar jaar geleden heeft ze een heup gebroken, als gevolg waarvan ze nog steeds een beetje moeilijk loopt. Echt lange wandelingen zitten er daardoor niet meer in. 'Drie kwartier, een uur, dan is het mooi geweest.’ Vrolijk vertelt ze zich nu suf te denken over haar Amsterdamse Lapo. Wie zal ze de moord gepleegd laten hebben? Als ze die verdacht maakt, dan kan ze die… 'Het is een soort hersengymnastiek. Heel ontspannend. Ontspannender dan over Leonidas schrijven.’ Door het liftraampje zie ik nog één keer haar wuivende hand.