De gevangenisbrieven van Mohammed B.

‘Ik zie weinig geweld tussen de regels’

Is Mohammed B. veranderd, vijftien jaar na de moord op Theo van Gogh? Dat valt op te maken uit een briefwisseling tussen hem en ‘gevangene X’ op de terroristenafdeling in Vught. Maar de brieven roepen ook vragen op over het nut van zo’n aparte afdeling.

‘We mogen geen geld aan elkaar overmaken , maar als u wat nodig hebt dan kan ik mijn relaties vragen om u via de post op te sturen wat u nodig mocht hebben (kleren, boeken, enz.)’

‘Wat is uw opleidingsniveau? Ik heb een aantal academische teksten die ik u op kan sturen.’

Dit zijn fragmenten uit brieven die Mohammed B. stuurt aan ‘gevangene X’ op de terroristenafdeling in Vught. Tussen ‘X’ en Mohammed B. ontstaat een briefwisseling die in het bezit is van De Groene Amsterdammer en EenVandaag. De brieven bieden vijftien jaar na de moord op Theo van Gogh niet alleen een inkijk in hoe het nu met Mohammed B. gaat, ze roepen ook vragen op over nut en noodzaak van een aparte terroristenafdeling.

Die speciale terroristenafdeling is er gekomen na de moord die Mohammed B. pleegde op filmmaker en columnist Theo van Gogh, op 2 november 2004. B., die dezelfde dag nog is opgepakt, wordt dan door justitie gezien als onderdeel van een groep radicale moslims, aangeduid als ‘de Hofstadgroep’. Er volgen meer arrestaties. De leden van de groep belanden in verschillende gevangenissen. Maar justitie hoort en vreest dat zij daar andere gedetineerden proberen te radicaliseren. Onder hoge politieke druk wordt een plan ontwikkeld om dit besmettingsgevaar te voorkomen. Europa is in die tijd in de ban van aanslagen op treinen in Madrid in maart 2004 en aanslagen op een metro en bus in Londen, in juli 2005.

De oplossing die wordt bedacht is om terreurverdachten en veroordeelde terroristen voortaan te plaatsen op een speciale gevangenisafdeling. In september 2006 gaat een terroristenafdeling (TA) open in de penitentiaire inrichting (PI) in Vught, met 41 plekken. In januari 2007 gevolgd door een TA met zeven cellen in de PI De Schie in Rotterdam. Vanaf het begin zijn de afdelingen omstreden, want veel deskundigen betwijfelen of het wel zo verstandig is om terroristen bij elkaar te zetten.

Vijftien jaar na de moord op Van Gogh zijn alle andere leden van de Hofstadgroep allang weer vrij. Sommigen zijn naar Syrië vertrokken, sommigen naar Marokko, anderen zijn een nieuw leven begonnen in Nederland en Jason W. bijvoorbeeld, is gederadicaliseerd. Alleen Mohammed B. zit nog gevangen en dat zal niet veranderen: de moordenaar van Van Gogh heeft levenslang.

Opmerkelijk genoeg zit Mohammed B. vanaf het begin niet op de terroristenafdeling van de gevangenis in Vught maar in de ebi, de extra beveiligde inrichting. Daar zit tegenwoordig ook een specifieke afdeling van de TA: die met het hoogste veiligheidsniveau. De overige vier TA-afdelingen in Vught zijn in een ander gebouw gehuisvest.

De ebi, officieel Unit 5, is simpelweg een streng bewaakte gevangenis waar verschillende regimes toepasbaar zijn.

De briefwisseling tussen ‘gevangene X’ en Mohammed B. vindt plaats in 2017, kort nadat er onrust is geweest op de TA. Drie mannen die worden verdacht van het gooien van molotovcocktails naar een moskee in Enschede zijn ook op de TA ondergebracht, in het deel waar een paar moslimvrouwen zitten. Later zullen de drie mannen worden veroordeeld voor brandstichting met een terroristisch oogmerk.

Mohammed B. hoort van hun aanwezigheid en eist een gesprek met de leiding. Als dat niet snel genoeg gaat, slaat hij uit woede de keuken van de afdeling kort en klein. Hij wordt als straf tijdelijk in isolatie geplaatst. Toch heeft zijn actie succes: de volgende dag krijgen de vrouwen een andere plek, verder weg van de daders van de moskeebrand.

X wil Mohammed graag bedanken voor zijn inzet om de situatie voor de vrouwen op de TA te veranderen en besluit een brief aan hem te schrijven. Die eerste brief komt niet aan ‘vanwege opruiende inhoud’. Het verbaast X nogal omdat er naar eigen zeggen niets bijzonders in stond. De gevangenen zijn er bovendien van op de hoogte dat op de TA het briefverkeer wordt gecontroleerd en dat er bij hun telefoongesprekken kan worden meegeluisterd.

Het weerhoudt X er niet van om nieuwe pogingen te wagen. In een volgende brief vraagt X Mohammed B. om advies bij de eigen geloofsontwikkeling: ‘Is het insha allah mogelijk om bijvoorbeeld een Hadith op te schrijven om mij te helpen ontwikkelen?’ Een Hadith is een spreuk of zienswijze van de profeet Mohammed.

Ook deze brief komt terug. X, zich bewust van de status van Mohammed B., maakt intussen kopieën van de eigen uitgaande brieven, mocht er later iets van gezegd worden.

Dan volgt eindelijk het antwoord van Mohammed B. Het is een opvallend plechtig geschreven brief, die begint met ‘eerwaarde’.

‘Uw brief van 24-04 jongsteleden heb ik in goede gezondheid mogen ontvangen op 17-05, waarvoor mijn dank.’

Hieruit blijkt dat een brief er soms wel drie weken over kan doen om de geadresseerde te bereiken. Dit heeft te maken met de controle die er plaatsvindt op de uitingen van de gevangenen. Op de enveloppen van de brieven staan stempels van de dienst Inlichtingen en Veiligheid die verantwoordelijk is voor het controleren van de gedetineerden.

Mohammed vraagt in zijn eerste brief of gedetineerde X contact heeft met familie en andere gevangenen en informeert naar het opleidingsniveau van X. Hij sluit af met:

‘Uit uw brief maak ik uit dat u stand houd (sic) in de storm van de beproevingen die Allah over u heeft uitgestort. Laat je niet verleiden door het (genietend) rondgaan van degenen die ongelovig zijn in het land (…).

Maar degenen die hun Rabb (Almachtige, Allah – red.) vrezen, voor hen zijn er de Tuinen (het Paradijs) waaronder door de rivieren stromen, zij zijn daarin eeuwig levenden, een ontvangst van Allah. En dat wat van Allah komt is beter voor de vromen (3: 190-198)

(…) na deze woorden van boven de zeven hemelen hebben wij niets meer toe te voegen dan u te groeten met de groet van het paradijs:

Jouw broeder fie-allah, (…) Abu Zubayr’

Martijn de Koning is antropoloog, verbonden aan zowel de Universiteit van Amsterdam als de Raboud Universiteit Nijmegen en hij doet onderzoek naar activisme onder salafistische moslims. Ook is hij getuige-deskundige geweest in processen over Syriëgangers en hun aanhangers. Hij ziet in de brieven een Mohammed B. die niet veel is veranderd: ‘Hij gebruikt dezelfde kunya (strijdnaam, namelijk: Abu Zubayr). En het is hetzelfde plechtstatige, stichtelijke taalgebruik dat hij vroeger ook al had. Dat is toch wel zijn handelsmerk. Hij vindt dat mooi en het creëert gezag en afstand. Hij klinkt ook vermanend, maar niet op een harde manier. Hij wil gedetineerde X bij de kudde houden en niet afstoten.’

Er zijn van Mohammed B. meerdere geschriften bekend, onder meer van voor de moord op Theo van Gogh. Ook verstuurde hij meerdere afscheidsbrieven, maakte een soort testament en had de beroemde tekst ‘in bloed gedoopt’ bij zich, een soort afscheidsgedicht, toen hij de moord pleegde. Hij dacht daarna te zullen worden gedood door de politie, maar werd alleen in zijn been geschoten.

Blij met een reactie van Mohammed schrijft gedetineerde X terug:

‘Het ontbreekt mij echter aan niets op dit moment, zeer vriendelijk bedankt voor uw aanbod, maar tot op heden heb ik voldoende aan alles. Mijn opleidingsniveau is academisch (hoewel ik de opleidingen niet heb afgerond…).’

Maar wat gedetineerde X wel graag wil, is met B. over het geloof schrijven: ‘Mocht u nog suggesties voor boeken hebben, deze hoor ik graag van u (…) het is voor mij een uitdaging van iedere dag om mijzelf te blijven verdiepen in de Islam (…) en dit maakt mij iedere keer zeer dankbaar, wanneer ik met anderen de gelegenheid krijg de religie te verdiepen Alhamdulillah.’

Een paar weken later volgt een antwoord van Mohammed B. De brief begint nu zelfs met ‘uwe edelachtbare’.

Ook citeert Mohammed uit de bijbel, uit psalmen. ‘Gelukkig de mens die niet de raad volgt van wie zonder god leven, die niet omgaat met wie slecht zijn, die niet aan tafel wil zitten met wie alleen maar spotten’.

Mohammed suggereert een paar boektitels waarvan hij zegt ‘enorm te hebben geprofiteerd’. Het gaat om God and Man in the Qur’an van Izutsu, (‘een wereld ging voor mij open’) en Ethico-Religious Concepts in the Qur’án, van dezelfde schrijver. Hij raadt X aan deze boeken via ‘de bieb’ te bestellen, ‘(…) dan worden ze voor u via de universiteitsbibliotheken aangevraagd. Ik raad u aan om eerst met “God and Man” te beginnen, omdat dat de basis bevat.’

Mohammed eindigt zijn brief met een citaat uit de bijbel, over het doorstaan van beproevingen ‘want als je die doorstaat is standvastigheid het gevolg’

Mohammed werkt ook aan een boekje, blijkt uit de brief. Hij schrijft dat hij ‘specifiek deze twee stukken’ heeft geciteerd omdat hij bezig is met ‘een weerlegging’. Hij geeft het werkje de titel ‘De Duivelse illusie van Dawkins onlogische conclusie’ waarmee hij verwijst naar het boek God als misvatting van de bekende atheïst Richard Dawkins.

Dawkins stelt dat wetenschappelijk niet vol is te houden dat de aarde en de mens door een bovennatuurlijke macht zijn gecreëerd. Voor hem bestaat er vrijwel zeker geen god en is alles een product van evolutie. Volgens Martijn de Koning is het typerend voor Mohammed B. dat hij zijn pijlen richt op Dawkins. ‘Hij wil een serieus figuur aanpakken en niet zomaar de eerste de beste.’

Uit de brief blijkt ook dat het idee voor de vorm van het werkje ontstond nadat Mohammed B. met een paar bewaarders over het geloof sprak.

Het stuk is alleen nog niet af. Mohammed B. schrijft dat hij er niet helemaal uitkomt; niet door de theorie, die hij ‘helder voor ogen heeft’, maar door de manier waarop hij het wil schrijven. Hij ‘moet zoeken naar formuleringen’ zodat het ‘voor de gemiddelde geïnteresseerde bewaker’ ook duidelijk is.

Hij wil zijn boekje graag aan X voorleggen voor commentaar en suggesties, ‘vanwege uw academische achtergrond’. Hij lijkt verheugd dat hij eindelijk met iemand een serieuze theologische dialoog kan aangaan, want hij schrijft ook dat hij nog ‘weinig broeders’ heeft ontmoet die hierin geïnteresseerd zijn en die ‘diepgaand in deze materie’ wilden duiken.

De Koning wil dat laatste wel geloven. ‘Het gros van de moslims is toch bezig met praktische zaken. Als je kijkt welke vragen imams krijgen, gaat het niet over wát de islam is, maar: hoe doe ik het? Mag ik werken in een supermarkt waar ze alcohol verkopen? Mogen ze mij dwingen een hoofddoek te nemen in de kleuren van de supermarkt? Hoe het zit met scheiden, et cetera. Vragen dus over werk, school en familie.

Mohammed eindigt zijn brief met een citaat uit de bijbel, over het doorstaan van beproevingen ‘want als je die doorstaat is standvastigheid het gevolg’.

‘Voor Mohammed B. is het niet bijzonder dat hij uit de bijbel citeert’, zegt De Koning. ‘In die kringen is men redelijk op hoogte van wat er in de bijbel staat, ook het idee van een bijbel wijst men niet af. Alleen vinden zij dat de bijbel zoals wij die kennen een vervalsing is.’

Bart Schuurman, terrorismedeskundige van de Universiteit Leiden en gepromoveerd op onderzoek naar de Hofstadgroep, ziet ook nog steeds dezelfde Mohammed B. als vijftien jaar geleden.

‘Hij zit toch vast in het personage dat hij van zichzelf heeft gemaakt. Hij is die zelfbenoemde islam-expert die hij ook was ten tijde van de Hofstadgroep. Hij was daarvan niet zozeer de leider, maar wel de leraar, bij wie je terecht kon met vragen.’ Ook kun je volgens Schuurman uit de brieven zien dat Mohammed B. tegen democratie is, tegen een wereldlijke macht en dat hij pleit voor god als enige machthebber.

‘Hij schrijft bijvoorbeeld: “De Goddelijke Wet is de toetssteen, alles wat daarvan afwijkt moet met argusogen worden bekeken.” Toentertijd was wat hij verkondigde jihadistisch, nu is het vooral salafistisch, terug naar de bron, waarbij hij alles wat niet goddelijk is geïnspireerd verwerpt. Het is dus niet per se gewelddadig, maar dat kan hij hier ook niet schrijven, wetende dat zijn brieven er anders niet doorkomen.’

De Koning vindt de brieven niet per se salafistisch. Eerder eclectisch; hij put uit verschillende religies. ‘Maar daarbij is de kern wel wat B. ziet als de ‘ware’ islam. De Goddelijke Wet is de toetssteen, zegt hij, maar daarbij gaat hij ervan uit dat die wet eenduidig is, maar dat is niet zo. 1400 jaar lang is die ontwikkeld, maar die ontwikkeling wijst hij juist af. Hij wil terug naar de eerste gelovigen.’

De deskundigen zien overigens geen sporen van verborgen jihadistische teksten. Maar Mohammed B. is al die jaren wel degelijk een voorbeeld gebleven voor mensen die het jihadistische pad op gingen. Bart Schuurman: ‘Tussen 2014 en 2016 zag je soms overlijdensberichten van Nederlandse jihadisten op Facebook, met daarin een spreuk uit de brief die Mohammed B. op het lichaam van Van Gogh had achtergelaten. Dus de hedendaagse generatie haalt nog steeds inspiratie uit wat hij gedaan heeft.’

Over het door B. aangeraden God and Man in the Qur’an zegt Christian Lange, hoogleraar Arabistiek en Islamologie aan de Universiteit Utrecht: ‘Het is echt een goed boek, best lastig ook, geen picknick. Het is een soort close reading van bepaalde passages uit de koran over vroomheid, over het continu nadenken over god. Het past bij de traditionalisten, die bepleiten dat wetenschap en religie twee verschillende systemen zijn, dat je het ene niet door middel van het andere kunt weerleggen of verklaren.’

Ook de andere boeken die Mohammed B. aanraadt zijn niet radicaal. Lange: ‘Ik zie weinig geweld tussen de regels. Het gaat meer over hoe je gelovig kunt zijn in een seculiere samenleving.’

Dat Mohammed veelvuldig uit de bijbel citeert, is volgens Lange opvallend. ‘Maar het kan ook een beetje decoratie zijn om het minder gevaarlijk te laten lijken. Want hij had natuurlijk ook gewoon uit de koran kunnen citeren.’

‘Maar’, zegt Lange, ‘het botst wel met wat je tahrif noemt: het idee dat de bijbel een vervalsing is van de eerdere heilige schrift en je daar niks op kunt baseren.’

De klacht van B. over het gebrek aan belangstelling van andere broeders toont volgens Lange dat hij zich als de elite ziet. ‘Dat hij ook een beetje uitgekozen is en hoort bij de ware gelovigen. Het neigt ook naar takfiri: andere moslims bestempelen als ongelovigen.’

De Hofstadleden waren vooral bezig met de eigen gemeenschap, zegt Schuurman, ‘waarbij mensen die het geloof niet meer belijden zoals de eerste gelovigen het probleem vormen’. Lange vindt de brieven veel eenzaamheid uitstralen, omdat een onbekende geestverwant z’n redacteur moet worden en de doelgroep de gemiddelde bewaker is.

‘Het lijkt wel of zijn brieven en teksten ook aan zichzelf zijn gericht’, zegt Schuurman. ‘Om alles wat hem overkomt draaglijk te maken. Het uitzichtloze leven daarbinnen is een beproeving en hoe langer hij volhardt, hoe groter zijn beloning. Zodra hij twijfel toestaat, wordt het veel moeilijker.’

Ook De Koning denkt dat een brief die goeddeels bestaat uit een verzameling citaten uit de koran vooral voor zichzelf is opgeschreven. ‘Het is een manier om je geloof te trainen, dus het is niet alleen voor de ander bedoeld, maar ook een oefening voor zichzelf.’

Wat opvalt aan de briefwisseling is dat die vooral over religie gaat. Nergens noemt Mohammed B. de moord op Theo van Gogh. Ook X begint daar niet over.

Maar heeft X geen moeite om met iemand die een moord heeft gepleegd te communiceren? ‘Het is natuurlijk fout wat hij heeft gedaan, ik keur dat niet goed, je mag het wapen niet zelf ter hand nemen. Maar zijn daad speelde geen rol in het feit dat ik brieven met hem zou kunnen schrijven. Ik veroordeel een gevangene niet op wat er is gebeurd.’ Wel heeft X vragen bij de strafmaat voor Mohammed B. ‘Als je kijkt wat er in de wereld gebeurt, dan vind ik levenslang heel veel. Als je Volkert van der G. ernaast zet, dan loopt die weer vrij rond en Mohammed B. heeft levenslang…’

X heeft overigens het idee dat de briefwisseling – ook al liep die soms vertraging op doordat alles gecontroleerd werd – wel werd gestimuleerd vanuit de gevangenis. ‘Om gevangenen zich prettig te laten voelen.’ Toch voelde X zich juist vaak erg ongemakkelijk op de TA, vooral bij de visitaties. ‘Ik ben nooit echt radicaal geweest, maar dan denk je: oké, ik ben radicaal.’

Kritiek op de TA komt niet alleen van mensen die er hebben gezeten. Vanaf het moment van oprichting in 2006 tot op de dag van vandaag is er onder deskundigen verschil van mening over de voor- en nadelen van dit systeem, waarbij terreurverdachten bij elkaar zitten onder een streng regime. De Raad voor Strafrechtstoepassing adviseerde bijvoorbeeld om geen aparte terroristenafdeling te openen.

Zeker als mogelijk meer voormalige IS’ers (mannen en vrouwen) zelf terugkeren uit Syrië of teruggehaald worden, zoals de Amerikaanse ambassadeur bepleit, is de vraag actueel of de opvang op zo’n aparte terroristenafdeling wel de juiste manier is. IS bijvoorbeeld, is mede ontstaan in een speciale terroristengevangenis in Irak: Camp Bucca. Een paar latere leiders onder wie de deze week omgekomen Baghdadi en zijn genoemde opvolger Abdullah Qardash, schreven hun telefoonnummers bij elkaar in het elastiek van hun onderbroek om als ze weer vrij waren contact met elkaar te kunnen opnemen.

Maar er is ook het voorbeeld van Jason W., die als lid van de Hofstadgroep bij zijn arrestatie in het Laakkwartier in Den Haag met een handgranaat vijf agenten verwondde. Hij gebruikte zijn tijd op de TA om veel te lezen en kwam tot de conclusie dat het radicale pad niets meer voor hem was. Zijn jongere broer Jermaine vertrok later wel naar IS in Syrië en kwam daar om. Zijn weduwe zit nu vast in een kamp in Noordoost-Syrië en is een potentiële nieuwe bewoonster van de TA.

In 2010 kwam er een rapport uit van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van Justitie (uitgevoerd door de Rijksuniversiteit Groningen). Hierin concludeert het wodc dat de TA een product is van kortetermijnvisie en dat de politiek-maatschappelijke druk een grote rol heeft gespeeld bij de totstandkoming. De onderzoekers waarschuwen voor neveneffecten. Een verdere radicalisering is mogelijk: ‘Gedetineerden zouden de terroristenafdeling kunnen interpreteren als discriminerend en repressief overheidsbeleid.’ Ook is er het risico dat de terroristenafdeling onder sympathisanten tot verdere radicalisering leidt. Ze zouden de gedetineerden als helden of martelaren kunnen zien.

‘Zijn brieven lijken ook aan zichzelf gericht, om alles draaglijk te maken. Het leven is een beproeving en hoe langer hij volhardt, hoe groter de beloning’

De onderzoekers schrijven verder het opvallend te vinden dat Mohammed B. niet op de terroristenafdeling verblijft, maar in de ebi en dat tegelijkertijd contact met andere gedetineerden niet wordt tegengegaan, ‘en functioneert het beleid zodoende niet als beoogd’.

Verder wordt beschreven dat een collectief gevoel van vernedering gedetineerden vatbaar zou kunnen maken voor charismatische leiders.

Mede door dit rapport worden op de TA uiteindelijk wel aanpassingen doorgevoerd. Er is nu een intakeafdeling waarop iedereen eerst zes weken wordt geobserveerd. Er is een speciaal instrument voor risico-inschatting van gewelddadige en extremistische personen, waardoor er meer maatwerk mogelijk is. Volgers en leiders worden uit elkaar gehaald en krijgen hun eigen specifieke begeleiding.

In Vught wordt verder ook gewerkt aan een ‘cirkel van verandering’: begeleiders proberen de TA-gevangenen te motiveren hun handelen en denkwijze aan te passen. Ook wordt er meer gedaan aan resocialisatie voor gevangenen.

Dat voorkomt niet dat Amnesty International en het Open Society Justice Initiative in 2017 in een rapport het beleid op de TA ‘inhumaan’ noemen. Dit vanwege onder meer de vele visitaties en het continu meeluisteren en meekijken bij de uitingen van de gevangenen. Ook worden mensen die van een terroristisch misdrijf worden verdacht maar nog niet berecht zijn, onder dezelfde zware omstandigheden vastgehouden als mensen die al zijn veroordeeld.

In september van dit jaar concludeert de Inspectie Justitie en Veiligheid dat de omgang van het personeel met de gedetineerden respectvol is. Maar er zijn ook problemen. De TA’s krijgen te weinig en te traag informatie vanuit Reclassering Nederland en het Openbaar Ministerie. En ook als gevangenen weer terug de maatschappij in gaan, is het contact met gemeenten over re-integratie ‘niet structureel geborgd’ en vaak ‘persoonsafhankelijk’.

Na al die jaren TA is er dus nog steeds geen vlekkeloos draaiend systeem voor een juiste intake en uitstroom.

Het rapport constateert dat het effect van het terugdringen van radicaal gedachtegoed bij de gedetineerden lastig te meten is. Het kan lijken alsof iemand afstand doet van radicale ideeën, terwijl hij die in de praktijk behoudt. Verder schrijven de onderzoekers dat de gedetineerden op de TA ‘elkaar wel beter leren kennen, waardoor radicale gedachtegangen uitgewisseld kunnen worden en nieuwe contacten kunnen worden gelegd’. Ook blijkt een deel van de gedetineerden de imam niet te vertrouwen en te zien als een verlengstuk van justitie.

Zou dit allemaal niet juist een reden moeten zijn om te voorkomen dat mensen op de TA contact kunnen zoeken met Mohammed B., die zich ook opwerpt als een soort imam? Als er straks een nieuwe stroom IS-vrouwen en -mannen vanuit Syrië op de TA arriveert, welk effect heeft de nabijheid van Mohammed B. op hen?

‘Sommige jihadisten groeiden op met Mohammed B. als inspiratiebron’, stelt Bart Schuurman, ‘en dan komen ze in de gevangenis terecht met een soort jeugdheld. Die ook weer nieuwe status heeft gekregen door acties zoals het in elkaar slaan van die keuken.’

Toch verwacht de Leidse terrorismedeskundige dat de controle van de gevangenis op uitingen van gedetineerden zorgt voor een gesaneerde dialoog. ‘De woorden van Mohammed B. zullen daardoor minder radicaal zijn dan wat deze mensen hoorden in IS-gebied.’

Volgens Schuurman is het wel nodig om nieuwe TA-gedetineerden goed te screenen. ‘Er zitten vrouwen bij die net zo extreem zijn als de mannen, slavenhouders die vreselijke dingen hebben gedaan. Maar er zijn ook mannen en vrouwen met een minder sterk verankerd radicalisme. Dan kun je je afvragen of de TA de beste plek voor hen is. Je moet de optie openhouden deze mensen ergens anders te plaatsen.’

Antropoloog Martijn de Koning heeft grote twijfels bij de TA. ‘Het bestaan van deze afdelingen vind ik problematisch, ook in de vernieuwde versie. Ze zouden meer doen aan resocialisatie, maar aan de mensen die ik ken die eruit zijn gekomen is dat niet te merken. Die zijn niet per se verder geradicaliseerd, maar komen er gewoon niet goed uit.’ Ook vindt De Koning het opvallend dat aanpassingen aan de TA pas de laatste jaren hebben plaatsgevonden, terwijl het rapport van het wodc al van 2010 was. ‘Alles is altijd gericht geweest op repressie.’

De Koning denkt wel dat het beter is als een nieuwe lichting IS-vrouwen en -mannen van Mohammed B. wordt weggehouden. ‘Misschien is hij deels door die Syriëgangers ook wel een beetje vergeten. Maar eenmaal op de TA zullen ze zich hem weer herinneren als een “echte”.’

Na lang wachten ontvangt X eind juli eindelijk het ‘werkje’ van Mohammed B. Hoewel het volgens hem voor een gemiddelde lezer (zoals een bewaker) te begrijpen moest zijn, is het nog steeds zware religieuze en filosofische kost. Zo suggereert X om er een woordenlijst bij te leveren voor termen als ‘hermeneutisch, historisme, consecutieve aard, cartesiaanse twijfel’.

Het stuk bestaat uit zes dialogen, wisselend in helderheid. Bij dialoog twee is het commentaar van X: ‘Het lukte mij bij de eerste keer lezen niet direct om de dialoog te volgen.’ Maar bij dialoog drie staat dan weer: ‘Zeer duidelijk en verhelderend.’ En bij de vijfde zelfs: ‘heel mooi, je boek leeft echt’.

Wat valt op te maken, is dat Mohammed probeert om de goddelijke oorsprong van de koran te verduidelijken met bewijzen. X vindt het interessante teksten, maar schrijft wel ‘dat ik (…) de oorspronkelijke bedoeling, het ontkrachten van Dawkins’ illusie steeds vergeet. Het is alsof ik een rondleiding krijg in een bibliotheek die mij machtig interesseert, eigenlijk meer dan wat Dawkins ooit heeft verzonnen.’

De brief met commentaar op ‘het werkje’ zal de laatste brief worden. X krijgt kort daarna een contactverbod met iedereen op de terrorismeafdeling. De briefwisseling is daarmee ten einde. Onbekend is wat er met het werkje van Mohammed is gebeurd. Heeft hij het verder uitgebouwd?

‘B. is een echte schrijver’, zegt De Koning. ‘Dat heeft hij altijd gedaan. Zelfs in zijn tijd als vrijwilliger bij Eigenwijks schreef hij initiatiefnota’s.’ Ook in de omgang met X ziet De Koning nog wel de vroegere B. ‘Hij was als jongerenwerker altijd goed in het contact, in een band opbouwen met mensen. Dat wervende, dat doet hij in deze brieven ook.’

De afgelopen tijd bleef het redelijk rustig op de TA. Al verstoorde dit jaar wel een groep TA-gevangenen de Dodenherdenking in Vught door ‘Allahoe akbar’ te schreeuwen tijdens de twee minuten stilte.

Ook onthulde De Telegraaf dat de gevangenisbibliotheek in Vught boeken uitleent die de gewapende jihad verkondigen. Later worden elf boeken in de ban gedaan omdat ze de heilige oorlog en martelaarschap verheerlijken.

En in augustus dit jaar worden, opnieuw na een verhaal in De Telegraaf, gewelddadige videogames op de TA verboden.

Het concept TA staat in de politiek echter niet ter discussie, hoewel ook grote twijfels zijn geuit bij de basisgedachte van de TA: het voorkomen van het besmetten van reguliere gedetineerden.

Onderzoekster Tinka Veldhuis, die meewerkte aan het eerste wodc-rapport, schrijft in haar proefschrift Captivated by fear (2015) dat met de TA veel te veel is ingezet op het tegengaan van verspreiding van radicalisering en niet op re-integratie en rehabilitatie.

Het idee van besmetting zou bovendien onzin zijn omdat terroristen in Nederland laag in de pikorde van de gevangenis staan, ongeveer op het niveau van kinderverkrachters en zedendelinquenten. Ze zouden eerder veracht dan bewonderd worden. De overheid heeft zich volgens haar door angst laten leiden, door ‘folk psychology’ en niet door feiten.

Volgens terreuronderzoekster Liesbeth van der Heide van de Universiteit Leiden is het goed dat er nu meer differentiatie is gekomen in hoe gevangenen op de TA worden behandeld. Maar ‘de TA kan een selffulfilling prophecy zijn, iets dat status geeft: kijk, ik zat bij Mohammed B.’

Volgens haar moeten alleen sterk ideologisch gemotiveerde gedetineerden, vaak de leiders, op een TA terechtkomen.

Intussen gaat het met ex-gevangene X ruim twee jaar later goed. Die heeft een baan, is nog wel conservatief gelovig maar beschouwt zichzelf niet als radicaal (‘ben ik ook nooit geweest’).

X, die Mohammed ‘intelligent en interessant’ noemt, heeft ook het contact niet ervaren als radicaliserend. Voor X was de briefwisseling vooral een theologische verkenning. ‘Maar het heeft mijn denkwijze niet beïnvloed. Ik heb al zo veel gelezen, zo veel bronnen, zo veel boeken.’

Een nieuwe brief zou X, als het al zou mogen, niet meer schrijven. De voormalige TA-gedetineerde beschouwt de periode in Vught als een gesloten boek. ‘Dat was toen.’