Popmuziek: Fiona Apple

‘Ik zit al lang genoeg binnen’

Fetch the Bolt Cutters, het nieuwe album van Fiona Apple, is thuis opgenomen. Met piano’s en drums, maar ook met zelfgemaakte instrumenten, zoals een doosje met beenderen van haar hond Janet.

Fiona Apple tijdens een eerbetoon aan zanger Chris Cornell. Los Angeles, januari 2019 © Kevin Mazur / Getty Images

Wat er ook gebeurt, mensen zullen elkaar onuitstaanbaar blijven vinden. Het blijft even diepmenselijk als mysterieus: waarom kunnen we nergens zo razend over worden als over het onbegrijpelijke gedrag van anderen? Een zangeres die haar werk gedeeltelijk op een dergelijke woede en haat – want dat is het – heeft gebaseerd, is Fiona Apple, geboren in New York, in 1977. Ze volgde een opleiding klassieke piano, schreef haar eerste nummer toen ze acht was, en debuteerde in 1996 met Tidal, een ogenschijnlijk brave en jazzy verzameling torch songs over foute mannen en stoute meisjes. Haar imago was gebeiteld: Apple zou een sexy singer-songwriter worden zoals de jaren negentig er een patent op hadden.

Gelukkig draaide het anders uit. In 1997 kreeg ze een MTV Award voor de clip van ‘Sleep to Dream’, een van de meer bijtende songs op Tidal. Dezelfde hevigheid kenmerkte haar dankwoordje: ‘Iedereen die thuis zit te kijken naar deze wereld, this world is bullshit. Je moet je leven niet modelleren op wat je denkt dat wij denken dat cool is en op wat wij dragen en wat wij zeggen.’ De korte toespraak werd berucht. Het was de echte start van een carrière gekenmerkt door een verlangen naar onafhankelijkheid. Dankzij het megasucces van Tidal hoeft Apple zich op financieel vlak nauwelijks zorgen te maken, en stelselmatig heeft ze zich ontworsteld aan de verwachtingen van de muziekindustrie.

Van die groei is Fetch the Bolt Cutters, haar vijfde plaat, die midden april verscheen, een glorieuze manifestatie. Elke plaat na Tidal heeft haar voorbereid op dit meesterwerk. In 1999 bracht ze een tweede cd uit, met een titel van negentig woorden, gewoon om haar platenfirma te pesten. Extraordinary Machine was klaar in 2003, maar haar label vond het resultaat niet commercieel genoeg. De opnames kwamen online beschikbaar, en fans organiseerden petities om de plaat uit te brengen. Dat gebeurde pas in augustus 2005, in een gestroomlijnde versie. Een keerpunt in Apple’s oeuvre is ‘Not About Love’: de piano klimt op en af korte toonladders; de melodie draait balletrondjes; Apple zingt met tegenzin over een man (‘And it doesn’t make sense/ I should fall for the kingcraft of a meritless crown’). Daarna stokt het nummer, met een pauze die live minuten kan aanslepen. Dan weerklinkt een dubbele donderslag, op drums en piano; het tempo verandert, en Apple’s stem slaat net niet over: ‘This is not about love/ Cause I am not in love/ In fact, I can’t stop falling out’. Die declaratie is een wanhopige bezwering: het kan niet over liefde gaan, zingt Apple, want het is te pijnlijk, vervelend en ergerlijk – ik heb een te grote hekel aan jou. Waarover gaat het dan wel? Wat voor hechting bindt ons aan mensen die we liever kwijt dan rijk zijn? Dezelfde vragen spelen de hoofdrol op Apple’s vierde, donkere, bij momenten moedwillig lelijke plaat, verschenen in de zomer van 2012.

Nog eens acht jaar zou Fetch the Bolt Cutters op zich laten wachten. In de tussentijd brak Apple een tournee af omdat haar hond op sterven lag, en dat terwijl ze al niet veel optredens geeft. Ze maakte muziek voor films en series – zoals voor The Affair, waarvoor ze ‘Whole of the Moon’ van de Waterboys coverde, en toonde hoe haar stem zowel sterker als breekbaarder is geworden, alsof het geluid ook voor zichzelf terugdeinst. Eind maart verscheen een lang artikel in The New Yorker over de ontstaansgeschiedenis van Fetch the Bolt Cutters, en over het privéleven van Apple, die sinds jaren een teruggetrokken bestaan leidt in Los Angeles, in een huis vlak bij het strand. Wat opvalt aan het portret is, zoals het in de ondertitel wordt genoemd, haar ‘radicale gevoeligheid’. Mood swings, ruzies, onzekerheden, depressies, lichamelijke klachten, scheidingen, obsessies met wat andere mensen zeggen, beweren en willen – het doet denken aan wat Neil Young ooit over zichzelf zei: dat hij als een gloeilamp is zonder het glas eromheen.

Fetch the Bolt Cutters is thuis opgenomen, met piano’s en drums, maar ook met zelfgemaakte instrumenten, zoals een doosje met beenderen van haar hond Janet. Huidige hond Mercy, een kruising tussen een pitbull en een boxer, blaft geregeld mee. Apple’s gehechtheid aan honden is niet onverklaarbaar: ze zijn trouw en voorspelbaar, terwijl ze veiligheid symboliseren en distantie garanderen tot die andere diersoort, de mens.

Wanneer ze met onvaste stem secondenlang ‘you’ zingt, vermoed je dat ze zich tot jou richt

Apple werkte zes jaar aan deze plaat, en kreeg weer onenigheid met haar label, dat de release wilde uitstellen. Het maakt openingsnummer ‘I Want You to Love Me’ des te urgenter: stijgende en dalende piano’s begeleiden haar terwijl ze zich richt tot een geliefde. Wanneer ze met onvaste stem secondenlang ‘you’ blijft zingen en daarna de drum inslaat, groeit het vermoeden dat ze zich ook, onterughoudend, tot de luisteraar richt. ‘And I know, that you know that you got/ The potential to pick me up/ And I want you to use it/ Blast the music/ Bang it, bite it, bruise it’. Het is van een ontwapenende, naïeve eerlijkheid, gestoeld op geloof in authenticiteit – een geloof dat waarschijnlijk typisch is voor Generatie X. Apple geeft toe dat ze op applaus uit is, zolang er maar liefde mee gepaard gaat, veeleer dan hits en likes. ‘I Want You to Love Me’ is als het opstellen van een contract – de eeuwenoude connectie die door kunst tot stand kan komen: als ik voor jou zing en jij luistert, kunnen we elkaar beter maken. Op het eind zingt ze niet meer, maar piept ze, stamelend, zacht krijsend: een grappig moment, een beetje ongemakkelijk, waarmee ze aangeeft, met haar stem, wat ze beoogt – wat ze op deze plaat zal proberen aan te durven.

Wat helpt bij het bestendigen van een relatie is een vijand. Apple vertelt herkenbaar over al die anderen die haar onrecht hebben aangedaan en in vakjes hebben gestopt. Vandaar Fetch the Bolt Cutters, ‘pak de betonschaar’ – een uitspraak uit de serie The Fall, wanneer een detective, vertolkt door Gillian Anderson, een barak wil openbreken waarin een vrouw zit opgesloten. In het gelijknamige nummer maakt Apple een balans op van de angsten die de onduidelijke verlangens van anderen teweegbrengen: ‘I grew up in the shoes they told me I could fill’, zingt ze, waarna een verwijzing volgt naar Kate Bush: ‘Shoes that were not made for running up that hill/ And I need to run up that hill, I need to run up that hill/ I will, I will, I will, I will, I will’. Het getuigt van een diep verlangen om te breken met het verleden – een verlangen dat veel weg heeft van sisyphusarbeid, maar dat daarom niet minder belangrijk is: ‘pak de betonschaar’, zingt Apple, ‘ik zit al lang genoeg binnen’.

Een reeks venijnige maar vrolijke aanvallen volgt, als met het virtuoze vitriool van de jonge Dylan. ‘Under the table’ begint met een regel die een staande uitdrukking kan worden: ‘I would beg to disagree but begging disagrees with me.’ Het gepraat tijdens een dineetje staat haar zodanig tegen dat ze niet anders kan dan reageren, waarop ze door haar vriend het zwijgen wordt opgelegd: ‘Kick me under the table all you want/ I won’t shut up/ I won’t shut up’. ‘Relay’ is opgebouwd uit gescandeerde woorden en ritme – percussie op deze plaat is als kloppen op tafel, stampen met voeten of slaan met deuren – over de jaloezie die Instagram teweeg kan brengen, als er weer eens iemand het eigen succes pocherig tentoonspreidt: ‘I resent you presenting your life/ Like a fucking propaganda brochure’, sneert Apple, maar ze zegt erbij dat ze niet wil dat haar boosheid eindeloos wordt, als een circulaire estafette. Hoe niet verteerd te worden door woede – hoe om te gaan met gevoelens die als negatief en schaamtelijk gebrandmerkt worden? ‘Relay’ eindigt met ijl, hoog, woordenloos gezang, tot Apple vertelt, ingehouden, dat ze vroeger iedere ochtend naar het reuzenrad ging, ‘just to throw my anger out the door’.

‘Newspaper’ en ‘Ladies’ zijn de twee meest humoristische nummers. Apple richt zich tot de partner van haar ex, poeslief en een beetje meewarig: als je een jurk in de kast ziet hangen, zo zingt ze slepend, dan is die niet van mij – hij was te klein, en kwam van de ex-vrouw van een andere ex van mij. De concentratie aan tegenstrijdige gevoelens is immens – wat een circus kunnen de verzamelde relaties van een mens worden! – maar Apple ziet er de onreduceerbare complexiteit van in, en de lachwekkende futiliteit.

Het slotnummer heeft ze, zo bleek in The New Yorker, geschreven tijdens een nachtje in de gevangenis, na een veroordeling voor drugsbezit. ‘On I Go’ is een boeddhistische meditatie: veertien keer herhaalt ze het vierregelige refrein, waarin ze zich voorneemt om niets meer te bewijzen, niet meer aan morgen te denken, maar gewoon te bewegen om te bewegen – door te gaan omdat ze door kan gaan. Als ze de tekst voor de negende keer herhaalt, is het een tongbreker geworden, en verspreekt ze zich – ze vloekt, zucht, en gaat dan, inderdaad, weer verder.

Het is een terechte vraag waarom andermans worstelingen voor buitenstaanders belangrijk kunnen zijn. Hoe komt het dat Fetch the Bolt Cutters zo enthousiast is ontvangen? Hoe komt het deze plaat op muziekwebsite Pitchfork tien op tien kreeg, iets wat maar om het decennium gebeurt? Het antwoord is zo eenvoudig dat het makkelijk vergeten wordt: net zoals de mens al eeuwenlang geplaagd (en gedefinieerd) wordt door woede, jaloezie en boosheid, zo beschikt diezelfde mens al even lang niet zozeer over een medicijn als wel over een purgeermiddel – een manier om het slechte niet te vernietigen maar naar boven te brengen, uit te braken, af te drijven, op de gang te zetten. Aristoteles noemde dat catharsis: het aanschouwen van kunst kan een spoelbeurt zijn voor lichaam en geest. Met Fetch the Bolt Cutters lijkt Fiona Apple de scheiding tussen lichaam en geest geslecht te hebben: alles waartoe haar stem in staat is wordt uitgeprobeerd, net zoals er geklopt wordt op alles wat vast zit, en gerammeld met alles wat los zit. Met die muzikale en talige vormen biedt ze het hoofd aan de problemen waarmee het dagelijkse leven bezaaid is. Het resultaat is een triomf – een gedeelde bevrijding, hoe tijdelijk ook, waarvoor je het huis niet uit hoeft.