‘ik zit alleen en ik voel me kut’

Double Talk: Rap en poëzie. Samenstelling: Emerald Beryl en Fred Bomber, uitg. De Arbeiderpers, 62 blz., 312,50. De Sprooksprekers (Def P, Serge van Duijnhoven en Olaf Zwetsloot), Eindhalte Fantoomstad. Uitg. Prometheus, 56 blz. plus cd, 339,90 (verschijnt in maart)
HET WAS een onwennig gezelschap dat zich enkele weken geleden in Amsterdam verzamelde voor het rap-poetry-festival Double Talk. Het contrast tussen de twee werelden werd zichtbaar tijdens de forumdiscussie over de ‘verhouding tussen rap en poëzie’, die volgens de jubelende organisatoren en de hen ruggesteunende uitgever een liaison waren aangegaan. Toen de dichter Paul Jainandun Singh, van de Groningse Epibrerengroep, aan de gesprekstafel het woord kreeg, gaf hij ten overstaan van een horde journalisten de diepste roerselen van zijn getourmenteerde schrijversziel bloot. Een dichter, poeh, een dichter die gaat diep, man. Singh wist precies waarom hij dichtte, verklaarde hij. Dat deed hij namelijk ‘om mijn toch al zo kleine ego ook nog eens een keer op papier te zetten en aan iedereen prijs te geven’.

Achter het hoopje dichter stonden drie reuzen van kerels opgesteld, het strakke bodybuilderslichaam gehuld in hiphop-uniform, de armen over elkaar en het hoofd iets schuin, geringschattend. Dus dat is nou een echte dichter, zag je ze denken, iemand die echt diep gaat, man. Daar zit iemand die beweert veel te hebben nagedacht en op papier zet wat wij rappend op het podium doen. Toen Singhs Epibreren-collega Bart F.M. Droog vervolgens ook nog eens publiekelijk verklaarde dat hij schreef ‘voor de eeuwigheid’, werd het de argeloze hiphoppers te veel. Een hardvochtig maar gemeend 'Ouwe lul!’ klonk op.
Er is een kleine hype ontstaan rond, laten we het noemen, de literaire cross-over: de vermenging van kunstvormen, het pact tussen poëzie en popmuziek, tussen literatuur en rap. De grenzen tussen poëzie en muziek zijn aan het vervloeien, beweert men. Ofwel, zoals het achterplat van de Double Talk (ter gelegenheid van het gelijknamige festival) roept: 'Terwijl de cultuurpessimisten zich bekreunen over het gebrek aan interesse van jongeren voor de haute littérature bestaat er een groot en zeer populair clubcircuit waar de poëzie leeft, danst, gromt en juicht als nooit tevoren. In deze bundel valt te zien dat de grens vervloeit. Rap is een verrijkende, vernieuwende impuls voor de literatuur, en de literatuur heeft de straatdichters allang bereikt: deze moderne dichters beheersen alle bekende genres: liefdeslyriek, geëngageerde poëzie, pure woordkunst en zelfs opera.’
DE AFGELOPEN jaren heeft de zogenaamde nederhop zich in een indrukwekkend tempo ontwikkeld tot een echte kunstvorm. In het kielzog van de grote voorloper Def P en zijn band Osdorp Posse werden de Ouderkerk Kaffers, de Westclan, de Spookrijders, Extince bekende rap- en hiphop-collectieven. Hun teksten zijn scherp, min of meer geëngageerd, en worden in het Nederlands gerapt. En dat laatste, daar gaat het nu allemaal om.
Er bestaat al een tijdje een undergroundcircuit waar popmuziek en literatuur elkaar (proberen te) vinden, maar nu - en dat is nieuw - spreekt ook de gevestigde kritiek zijn waardering uit en wordt popmuziek in het algemeen, en rap in het bijzonder, opeens een 'verrijkende, vernieuwende impuls voor de literatuur’ gevonden. Rap wordt zelfs serieus genomen als literatuur.
Dat is te zien aan Double Talk en aan het boek-plus-cd Eindhalte Fantoomstad van De Sprooksprekers (Serge van Duijnhoven, Olaf Zwetsloot en Def P). Nadat ze jarenlang haar neus heeft opgehaald voor alles wat met podiumkunst of performance te maken had, wil de literatuur zich laten inspireren door wat het kleine neefje rap allemaal te bieden heeft.
Rap is zelfs populair genoeg om Gerrit Komrij tijdens het festival te doen ronddartelen in een concertzaal vol hossende hiphoppers. 'Ik vind dit leuk en interessant’, constateerde de dichter na een optreden van Grandmaster Caz en DJ Tony Tone, twee oervaders van de hiphop. Komrij sloot niet uit dat Nederlandstalige raps nog eens in een bloemlezing van zijn hand terecht zullen komen. 'Rijm alleen maakt nog geen poëzie, maar is een hulpmiddel om poëzie over te brengen. Natuurlijk is het iets anders met de muziek en de act erbij. Maar ik zeg: waarom niet? Als het literaire waarde krijgt, komt het in mijn bloemlezing.’
DE LITERAIRE waarde van rap, daar gaat het allemaal om. In hoeverre heeft rap literaire waarde? In hoeverre hebben teksten als: 'Ik zit alleen en ik voel me kut, en ik zit stomweg te drinken. Ik ben mijn vaste baan kwijtgeraakt, maar ik laat de moed niet zinken’, te maken met literatuur of poëzie? In hoeverre zijn deze teksten poëzie?
De auteurs van de bundel Eindhalte Fantoomstad noemen zich De Sprooksprekers, een term die wordt gehanteerd voor de rondtrekkende verhalenvertellers uit de middeleeuwen, die hun sproken en boerden voor publiek opvoerden. Inderdaad kunnen de rappers van vandaag worden vergeleken met de sprooksprekers van weleer, maar één ding mag daarbij absoluut niet uit het oog worden verloren: bij beide typen voordrachtskunstenaars is de voor te dragen tekst ondergeschikt aan de handeling van het voordragen. Het gaat niet om wát er staat maar om wat daarmee gedaan wordt. De sprookspreker verlevendigde zijn tekst met een spectaculaire voordracht en gebruikte een scala aan verteltechnieken en retorische trucs die de luisteraars dienden te boeien en te overtuigen van waarheid en nut van het vertelde. De hedendaagse rapper werkt op een zelfde wijze wanneer hij zich bedient van een literair hulpmiddel als rijm, een pakkende beat, geinige danspasjes en een achterstevoren gedragen baggy broek.
Rijm is voor de rapper een even belangrijk middel als zijn broek. Die zegt namelijk veel over waar hij voor staat en is een retorisch middel. Het doel van de rapper is niet het maken van poëzie of woordkunst, het gaat hem niet om het verkennen van de mogelijkheden van de taal, maar de taal wordt benut, geëxploiteerd om een ander doel te bereiken, het retorische doel: image building, de aandacht vangen en vasthouden om de boodschap des te beter te kunnen overbrengen. Het doel van poëzie is wezenlijk anders. Voor de dichter is de taal eerder doel dan middel.
Als we de teksten van de sprooksprekers teruglezen, kunnen we niet anders dan concluderen dat ze voor ons in de eerste plaats een cultuurhistorische waarde vertegenwoordigen, en geen literaire. Ook in dat opzicht komen rappers en sprooksprekers overeen: als rapteksten integraal worden afgedrukt, blijft er niets van over. Die constatering is niet direct schokkend, weten zowel de dichter als de rapper. Remco Campert verklaarde in de Volkskrant na het lezen van een neergeschreven rap van Def P het volgende: 'Ik vind er niks aan. Alles wat rijmt is nog geen poëzie. De inhoud is zo banaal.’ De dichter kon er, kortom, geen poëzie van maken. De rapper op zijn beurt bekrachtigde Camperts woorden door te stellen: 'Het klopt dat als je een rap van mij afdrukt, er niets meer van overblijft. Net als wanneer ik een gedicht van Remco Campert rap. Dan blijft daar ook niets van over.’
TOT IN DE tweede helft van deze eeuw heerste de opvatting dat in de middeleeuwen de gemiddelde mens lezen noch schrijven kon. Het opschrijven van teksten was voorbehouden aan de geestelijkheid en het voordragen aan een door het hof aangestelde voorlezer of sprookspreker. Lezen, veronderstelde men in de moderne tijd, werd vroeger maar een onmannelijke bezigheid gevonden.
Inmiddels heeft de wetenschap echter vastgesteld dat lezen en schrijven al vanaf de twaalfde eeuw in het stadse leven heel gewone en vooral ook nuttige bezigheden waren. Voor met name de handel was het nodig en uiterst handig enigszins geletterd te zijn.
Desondanks bleef men elkaar tot ver in de zestiende eeuw, dus ook ná de uitvinding van de boekdrukkunst, voorlezen. In de tijd na de ingebruikneming van de drukpers leefde de belangstelling voor de voordracht zelfs sterk op. Rederijkers, die zich naar de Franse rhétoriqueuers noemden, onderzochten de technieken van het voordragen. Al dan niet in wedstrijdverband brachten zij hun publiek voornamelijk ernstige maar ook vermakelijke, verliefde en schunnige refreinen, balladen en rondelen. Wie deze vandaag ter hand neemt, wordt getroffen door een verpletterende saaiheid. Maar de teksten van de rederijkers werden in de tijd van hun ontstaan helemaal niet zo vervelend gevonden. Dat heeft te maken met verschillende manieren van lezen: waar wij al eeuwenlang gewend zijn in stilte en afzondering een boek te consumeren, nam men in het verleden teksten tot zich die publiekelijk werden voorgedragen, levendig en met veel gevoel voor intonatie, en begeleid door imponerend gebarenspel.
De voordrachtskunst van de rederijkers behoort tot een eeuwenoude traditie, waarvan ook de sprooksprekers deel uitmaakten. De geschreven of gedrukte tekst speelt daarin slechts de rol van bemiddelaar. Honderden jaren lang heeft er een fundamentele belemmering bestaan voor het adequaat lezen en beoordelen van deze teksten: wat was bedoeld als partituur voor een levendige voorstelling in een ontroerende of anderszins op het gevoel werkende setting, werd in stilte bestudeerd. Dat wij die teksten over het algemeen saai vinden, ligt niet aan die teksten zelf maar aan ons verkeerde begrip ervan.
HETZELFDE proces vindt nu plaats met de literaire annexatie van de rap. Uitgevers zonder voeling met de subcultuur van hiphop halen rapteksten uit hun context, lichten een klein deel eruit en pletten dat in een bundel. De rap is daarmee verworden van een op zichzelf staande en op zijn eigen merites te waarderen kunstvorm tot een kuchend en zwak literair adoptiekindje.
Dat de gevestigde literatuur zo veel belangstelling aan de dag legt voor rap en nederhop is niet zo verrassend in het licht van de verstarring die haar in zijn greep heeft. De poëzie lijkt in zekere zin gestold. Dat steeds minder uitgevers poëzie durven te publiceren is genoegzaam bekend, dat steeds meer schrijvers zich volledig op het proza richten en het dichten maar laten eveneens. Poëzie is commercieel niet langer interessant en wordt steeds meer een zaak van weinigen voor weinigen. De literatuur heeft kennelijk behoefte aan nieuwe impulsen. En de rap, denkt men, hoopt men, kan die prikkels leveren. Def P: 'Ik ben helemaal geen dichter en ik probeer ook geen gedichten te schrijven. Ik maak raps. Het is allemaal de schuld van een artikel in dat blad, De Groene Amsterdammer. Daarna heb ik echt tientallen telefoontjes gekregen uit de literaire wereld, alsof ze ineens hadden besloten dat wat ik maak literatuur is.’
De organisatoren van het Double Talk-festival hebben dat ook uiterst goed in de gaten. Ze hebben 'een gat in de markt’ ontdekt. Organisator Emerald Beryl verklaarde in Het Parool: 'Het is hoog tijd dat de rap-poetry serieus genomen wordt. De Osdorp Posse maakt al jaren heel goede, maatschappijkritische teksten, maar geen uitgever die er iets mee doet. Waarom niet alle teksten van Def P of Extince bundelen? Eindelijk gebeurt er weer iets nieuws in de Nederlandse literatuur en dan staan uitgevers en critici toe te kijken.’
Beryl stelde ook dat hij met het organiseren van Double Talk risico heeft genomen, door 'iets te doen wat totaal nieuw is in Nederland’.
Maar dat totaal nieuwe valt wel mee. Al sinds de oprichting van One World Poetry in de jaren zeventig en met festivals als Crossing Border, Spoken Word en een aantal underground-achtige initiatieven maakt een kleine groep mensen zich al lang sterk voor een andere benadering van literatuur en popmuziek. Wie nu met een initiatief als Double Talk komt aanzetten, toont niet zozeer durf en moed, maar geeft vooral blijk van een uitgelezen gevoel voor timing.
De dag van het festival was er een voor de geschiedenisboeken, een unieke dag voor de vaderlandse letteren, zei Gert-Jan de Vries van de Arbeiderspers bij de presentatie van de bundel Double Talk. Het verbazingwekkende is dat iedereen daar dan nog intrapt ook. Nu grote uitgeverijen zich opwerpen als voortrekkers van een nieuwe poëzie, is het waarschijnlijk definitief afgelopen met die underground-cultuur, die een symbiose tussen literatuur of poëzie en andere kunsten voorstaat. De experimenten die zijn gedaan door dichters en performers die tegen de stroom op roeiden, beginnen nu commerciële vruchten af te werpen, die gretig worden geplukt door mensen met gevoel voor de markt.
Het rendement van de investeringen die jarenlang werden gedaan door marginale uitgevers en organisatoren van kleinschalige evenementen, verdwijnt nu in de verkeerde zakken. Het is het oude liedje: elke avantgarde sterft wanneer ze wordt geconfisqueerd door de mainstream, de gevestigde orde, de commercie.
Wat het afgelopen decennium als avant-garde streed voor een nieuwe poëzie, of in ieder geval voor een nieuwe blik op literatuur en poëzie, is links ingehaald door commercieel handige sujetten die profiteren van andermans werk.
Wat gebeurt er bijvoorbeeld met Jacek Nichs, die al jaren ècht de grenzen tussen poëzie en performance-kunst aan het verkennen is? Als hij geluk heeft, wordt hij in een voetnoot als voorloper genoemd, ergens in het hoofdstuk over de tumultueuze jaren negentig waarin de literatuur nieuwe impulsen zocht en vond bij de rap en de hiphop. Als er al zoiets bestaat als een symbiose, een cross-over, een wisselwerking, dan is die voortgekomen uit het niet aflatende zoeken en experimenteren van underground-dichters en kunstenaars als Jacek Nichs, Olaf Zwetsloot, Diana Ozon, Jaap Blonk, Bart Breij, Dalstar, Frank Starik en de Willem Kloos Groep, en niet uit de nonchalante en ongeïnspireerde uitgavetjes en festivalletjes van dit moment.
DE EUFORIE rond de 'verrijkende, vernieuwende impuls voor de literatuur’ die de rap zou zijn, is niet terecht. Er is bij uitstek sprake van een commerciële move. Een plundertocht is van start gegaan. De rap wordt gestript tot nog slechts een armzalig bloot tekstje overblijft.
De poging tot een annexatie van de rap leidt in veel gevallen tot het denigrerend kaalplukken ervan, waarbij opvalt dat begrip voor rap als zodanig ver te zoeken is en enig inzicht in de merites van de rap niet aan de orde is. Maar gelukkig rappen de rappers gewoon door, en dat zonder noemenswaardige invloed van de literatuur op hun werk.
Of er werkelijk grenzen aan het vervloeien zijn, is nu nog niet te zeggen. Wel staat vast dat, geheel buiten de literatuur om en op eigen kracht, een kunstvorm is ontstaan die steeds rijker bloeit: de hiphop.
Maar hiphop is natuurlijk in de eerste plaats een muzikaal genre en rap dient serieus genomen te worden als kunstvorm. Rap nu plotseling en ongenuanceerd beschouwen als literatuur of poëzie is een onderwaardering van een culturele uiting met een geheel eigen identiteit en een kracht die ze in de eerste plaats ontleent aan de muziek.
'Hé, ben je gisteren naar het concert van The Roots geweest?’
'O, het rap-poetry festival bedoel je.’