‘ik zit nog opgevouwen’ frithjof foelkel

Een gesprek met Frithjof Foelkel, auteur van Onder de pannen. Uitg. Meulenhoff, 240 blz., f34,90
FRITHJOF FOELKEL (1945) debuteerde onlangs met een ingenieus geconstrueerde roman over een jonge student natuurkunde. Deze Iwan is ook penningmeester van een maatschappijkritisch toneelgezelschap dat betrokken raakt bij de rellen rond de kroning van koningin Beatrix in 1980. Door deze verhaallijn weefde Foelkel fragmenten van een lange brief die Iwans vader, een fysicus die op de Veluwe woont, aan zijn zoon schrijft. Onder de pannen is grotendeels gebaseerd op Frithjof Foelkels eigen ervaringen.

Foelkel: ‘Dorpen en steden kunnen niet voor mij. Dat gevoel zit heel diep. Ik begrijp dat ik daar niet mee aan kan komen, maar zo voel ik ’t. Ik was een paar jaar oud toen ik voor het eerst een dorp zag. Steden zijn een soort machinerieen. Ik herken het gevoel dat ik had wanneer ik in een stad kwam in de scene in Modern Times waarin Charlie Chaplin tussen de raderen van de machine verdwijnt.
Onlangs ben ik begonnen Gerard Reve te lezen. Die schrijft dat hij het huis uitloopt en naar een vriendje gaat. Daar kan ik mij geen voorstelling van maken. Ik ben opgegroeid op de Veluwe, echt midden in de bossen. Wij woonden heel afgelegen. In drie richtingen was bos, in de vierde richting stonden verspreid een paar bungalows, vakantiehuisjes die mijn ouders verhuurden.
Mijn vader heeft in de jaren dertig van een Veluwse schaapherder een grote lap grond gekocht en daar vakantiehuisjes op laten zetten. Hij heeft mijn moeder ontmoet toen zij met een paar vriendinnen een huisje huurde. Zij was schrijfster, zat in de kring rond De Nieuwe Gids. Zij heeft in 1938 een boek over een bom-moeder geschreven. Ik moet bekennen dat ik het zelf nooit heb uitgelezen. Wat ik over haar schrijf, is echt waar. Haar manuscripten en de brieven van Willem Kloos zijn echt door de muizen opgegeten.
Dat Iwan in het boek een eenzame indruk maakt, is juist. Hoewel we in mijn familie wel zakelijk contact met elkaar hadden, gingen we eigenlijk niet met elkaar om. We zwierven allemaal door het bos. Het was heel normaal dat je in de weekeinden zes uur wandelde, in je eentje.’
'MIJN OUDERS hadden allebei psychische problemen. De beide grootvaders van mijn moeder zijn onder de trein gekomen. Zij werkten allebei bij het spoor, maar dan kom je nog niet automatisch onder een trein, zou ik zeggen. Ik wil nooit meer terug naar de maatschappij, zei mijn moeder altijd. De problemen van de familie manifesteren zich het sterkste in de omgang met mensen. Want zolang je tussen de bomen loopt, lijkt het alsof er niets aan de hand is. Ik fantaseer nog altijd over een klein holletje in het land. Het is een halve meter diep en loopt naar boven toe uit in een klein gat. Daar kruip ik in en daar zit ik, als een muisje.’
'Ik kwam in 1963 naar Amsterdam en ben lid geworden van Unitas, een studentenvereniging. Ik was een schichtig jongetje, wist totaal niets van de maatschappij. Ik ben nu het boek van Arnon Grunberg aan het lezen. De jongen die hij beschrijft, is precies het omgekeerde van hoe ik was. Soms ging ik naar de societeit. Dat vond ik op zich al bedreigend, om onder de mensen te komen.
Ik weet niet meer waarom ik natuurkunde ben gaan studeren. Mijn vader was er in geinteresseerd. We hadden geen elektriciteit, geen stromend water, het was allemaal een beetje rommelig. Elektriciteit was iets magisch. Ik kom uit een huis waar over batterijtjes gepraat werd als iets bijzonders. Ik was dag en nacht met natuurkunde bezig.
En ik ging heel vaak naar de mensa. Bij mij aan tafel zaten mensen die de Maagdenhuisbezetting voorbereidden. Jarenlang hoorde ik aan tafel niets anders dan: “Actie, actie, actie.” Ik deed zelf niet echt mee. Maar als er iemand vroeg: “Ga je mee naar Olofspoort?” dacht ik dat meegaan altijd nog beter was dan alleen op mijn kamertje zitten. En had vervolgens een verschrikkelijke anderhalf uur. Want ja, ik wilde natuurlijk wel graag met de meisjes, maar hoe dat moest, dat was me een volkomen raadsel.
Voor de Spectrum encyclopedie ging ik artikelen schrijven. Toen ik afgestudeerd was, ben ik redacteur natuurkunde van de encyclopedie geworden. Ik ben er trots op dat ik van het artikel over de relativiteitstheorie zowel de auteur als de redacteur ben.’
'IK HEB TWEE JAAR over mijn roman gedaan. Maar ik schrijf al sinds 1980. Toen ik me realiseerde dat ik eigenlijk niet wist hoe een roman in elkaar zat, heb ik een cursus prozaschrijven gevolgd bij Oek de Jong. Onder de pannen gaat over het bouwen van een wereld. Hoe belangrijk het is dat mensen de wereld willen veranderen. Ik heb het idee dat het voor elkaar kan komen als je niet bang bent voor amateurisme. Wat men in de jaren zestig deed, was geinspireerd en leuk, maar het kon tot redeneringen leidden die achteraf niet klopten. Terwijl het nu zo is dat het niet uitmaakt wat je doet, als het maar professioneel is. Dat vind ik jammer. Je moet altijd proberen iets nieuws te maken, ook al doe je het maar op een knullige manier. Zoals de vader van Iwan in het boek, die een deeltjesversneller in elkaar zet van oude televisies. Dan heb je in elk geval een deur opengegooid en kunnen anderen het overnemen en er iets goeds van maken.
Ik krijg de laatste tijd veel van die personages uit mijn boek aan de telefoon. Ze hebben het boek gelezen en herkennen zichzelf. In het boek heet het toneelgezelschap Kater. In werkelijkheid heette het Staut - Stichting Amsterdams Universitair Toneel. Het is ooit opgericht in de jaren zestig om politiek theater te maken. Ik was penningmeester; het was niet echt duidelijk wie de voorzitter was. Ik denk dat niemand dat wist, want zo ging dat in die tijd. Het was ontzettend avontuurlijk. Groepen die bedacht hadden dat ze iets maatschappijkritisch wilden maken, sloten zich aan bij Staut en wilden dan geld van ons.
Ik ben altijd doorgegaan met natuurkunde. Maar tussen de formules ontstonden scenes uit toneelstukken. Ik ben naar Staut gegaan omdat ik hoopte dat ze mijn stukken zouden willen opvoeren. Toen ik zag hoe maatschappijkritisch iedereen was, durfde ik niet te zeggen dat ik toneel schreef. Nu zeggen ze allemaal: als we dat geweten hadden, hadden we je heus wel opgevoerd.’
'IK DURFDE NIET naar het bos terug te keren. Ik had allang bedacht dat mij zou kunnen gebeuren wat mijn personage overkomt. Ik wist dat, als ik terugging, het uit en afgelopen met me was. Het bos is leuk als je een maatschappelijk bestaan hebt.
Sinds ik bij de encyclopedie weg ben, ben ik werkloos. Ik ben in psychotherapie gegaan, vier therapie-uren per week, vier en half jaar lang. Daar heb ik de theorie van het bestaan geleerd. Ik moest laatst naar een radioprogramma bij de Ikon. Eerst werd Hans Helgers geinterviewd, de voorzitter van het CDA. Hij sprak over het belang van het gezin. Hij zei dat het gezin belangrijk was om mensen veiligheid en een steun in de rug te geven, voor als je de maatschappij in gaat. Dat heeft de psychiater mij net zo geleerd: ik weet nu dat er zoiets kan bestaan als een gelukt gezin. Hij leerde mij te begrijpen wat ik heb gemist - en daarover te rouwen.
Dat ik ging zweefvliegen had een prozaische reden. Mijn broer was gek van vliegen; zijn hele jeugd lang heeft hij vliegtuigjes gebouwd. Aangezien het Nationaal Zweefvliegcentrum Terlet op acht kilometer van ons huis lag en wij daar elke dag op weg naar school langs kwamen, was mijn broer daar gaan zweefvliegen. Hij was twee jaar ouder dan ik. Vanzelf kwam ter sprake of ik dat ook wilde doen. Ik had toen al het gevoel dat het niet goed met mij ging. Het zweefvliegen zou mij een bepaald maatschappelijk aanzien geven en mij onder de mensen brengen. Ik heb er heel lang over zitten dubben en uiteindelijk heb ik het gedaan.
Het was een vrijbuiterstoestand: op de Terletse hei, al die jongens die daar met oude jeeps rondreden. Ik doe het nu al 35 jaar. Je doet het met anderen samen. Dat is voor mij wel prettig, omdat ik toch veel alleen ben. Ik ben 25 jaar lid geweest van die Arnhemse zweefvliegclub op Terlet; dan schuift er een parade van mensen aan je voorbij. Op een gegeven moment kwam de Zweefvliegclub Eindhovense Studenten er een kamp houden. Daar was een aardig meisje bij en die zei: kom toch bij ons. Daar ben ik nu instructeur. Tussen die zweefvliegers voel ik me wel prettig. Het zijn studenten, daar praat je mee, daar ga je mee de stad in.
Ik weet niet of er wat verandert nu het boek er is. Je kunt het vergelijken met dingen die opgevouwen zitten. Je pakt ze uit en dan nemen ze hun vorm aan, maar eerst zijn ze nog opgevouwen. Zelf zit ik nog zo opgevouwen.’