Philip Roth en zijn stad Newark

Ikey, Mikey, Jake and Sam We’re the boys who eat no ham

De stad Newark, waar Philip Roth opgroeide, vormt in veel van zijn romans de achtergrond waartegen hij het Amerikaanse leven portretteert. Maar het Newark van zijn jeugd is niet hetzelfde gebleven.

The Plot Against America, € 13,95

Medium 04140929

Het beste wat Newark de rest van Amerika te bieden heeft is zijn burgemeester. Corey Booker. Zijn approval rating is torenhoog, zijn disapproval rating vrijwel non-existent. Gestudeerd aan Stanford en Oxford, maar toch een man van het volk. Toen een inwoner twitterde dat haar bejaarde vader ingesneeuwd was, twitterde Booker terug dat hij persoonlijk met een sneeuwschep langs zou komen – wat hij ook deed, binnen twintig minuten.

Al in 2002 stelde hij zich kandidaat voor burgemeester. Hij verloor, maar trok de aandacht van prominenten binnen de Democratische partij. En van de bevolking: Booker verhuisde naar een flat in een slechte buurt, hield zich bezig met wijkproblemen, werd een bekend gezicht. In 2006 deed hij opnieuw een gooi naar het burgemeesterschap – gesteund door geldschieters als Oprah Winfrey en Steven Spielberg won hij met een verpletterende 72 procent van de stemmen. Sindsdien is hij Obama in het klein: een pragmatisch idealist die boven de partijen lijkt te staan. Net als Obama is hij ‘post-racial’: een zwarte man die door blanken niet wordt gezien als zwart en door zwarten niet wordt gezien als blank – een beetje zoals Coleman Silk in Philip Roth’s The Human Stain (2000). De twee zijn goed bevriend: Obama bood hem al eens een plek in zijn regering aan, Booker bedankte, vond dat zijn werk in Newark nog niet klaar was. En met dat werk gaat het goed: 36 procent minder moorden, dertig procent minder verkrachtingen.

De stad die Booker erfde van zijn voorganger was niet de stad die Philip Roth achterliet toen hij in 1950 vertrok om te gaan studeren. Het is de stad van Roth’s personage Seymour Levov, ‘The Swede’, de tragische held van American Pastoral (1998), die wel achterbleef. Het verhaal van American Pastoral is dat van Levov die door zijn geradicaliseerde dochter wordt verraden (tijdens de Vietnamprotesten blaast ze het postkantoor op), maar ook door zijn gemeenschap. Levov heeft vertrouwen in Newark: hij trouwt Miss New Jersey en neemt de handschoenenfabriek van zijn ouders over. Maar zoals zijn oogappeltje Merry hem in de steek liet, zo laat de stad hem in de steek. Als hij decennia na zijn middelbare school Zuckerman weer tegen het lijf loopt, breekt Levov los:

‘“Het is de verschrikkelijkste stad van de wereld, Skip,” vertelde de Zweed me. “Vroeger was het de stad waar ze alles maakten. Nu is het de stad waar de meeste auto’s ter wereld worden gestolen. Wist je dat? Niet de gruwelijkste van alle gruwelijke ontwikkelingen, maar het is afschuwelijk genoeg. De dieven wonen voornamelijk in onze oude buurt. Zwarte jongeren. Elke vierentwintig uur worden er in Newark veertig auto’s gestolen. Dat is het statistische gegeven. Niet niks, he? En het zijn moordwapens – als ze eenmaal gestolen zijn, zijn het vliegende projectielen. Het doelwit is iedereen op straat – oude mensen, peuters, maakt niet uit.”’

Ook daar heeft Booker terrein gewonnen: sinds zijn aantreden worden er 26 procent minder auto’s gestolen.

Het probleem met de auto’s die er nog zijn, is dat ze nog steeds Newark liever uit- dan inrijden. Wanneer de inkomens stijgen, verhuizen de gezinnen snel naar de buitenwijk. De stad heeft een kleine driehonderdduizend bewoners (ooit waren dat er bijna een half miljoen), maar slechts een handjevol bioscopen. Als toerist heb je er niet snel iets te zoeken. Er zijn twee grote hotels en die dienen vooral het internationale vliegveld, het vijfde van de VS; gasten arriveren en vertrekken weer zo snel mogelijk. Als je de taxichauffeur zegt dat je niet naar het vliegveld wilt, kijkt hij verbaasd op. De Lonely Planet heeft moeite twee pagina’s over de stad te vullen en komt niet heel veel verder dan wijzen op het Newark Museum, het grootste museum van de staat New Jersey (een staat van snelwegen en fabrieken, dus dat zegt niet zo veel).

Van buiten ziet het museum eruit als de boekenopslag waarvandaan Oswald op Kennedy schoot, maar van binnen is het fris en open. Het is een museum dat vooral bezocht wordt door schoolkinderen op excursie, maar het is de moeite waard. Al is het alleen al om de tentoonstelling Angels Tomboys, een paar zalen met fraaie Homer Winslows en John Singer Sargents, laat-negentiende-eeuwse schilderijen van meisjes. Je krijgt het idee dat de werken ooit uit commercieel oogpunt gemaakt zijn – vriendelijke kleuren, heldere hemels, de afbeeldingen zijn pittoresk, een zwart meisje in een verlaten schoollokaal, een gezin op picknick op het strand. Ze tonen het ‘idee Amerika’, het ideaal. Ook al in de negentiende eeuw, toen de verf nog nat was, moeten ze nostalgisch zijn geweest.

The pictures are driven by aesthetics; less so by realism’, speculeert een ‘tour guide’ die zich voorstelt als Larry – later wordt hij aangesproken door een suppoost die hem ‘mister Lawrence’ noemt. Het is een donkere man van minstens zestig, maximaal zeventig. Amerikanen zijn altijd moeilijk op leeftijd te schatten. Zijn haar zal hij verven, het is inktzwart. Hij draagt een polo met het logo van het museum en een broek die minstens tot zijn navel komt.

‘Het gaat beter met Newark. Misschien verzin ik het, maar ik heb het gevoel dat er weer meer sociale cohesie aan het ontstaan is. In buurten houden mensen elkaar meer in de gaten. Ik weet niet hoe je dat meet in cijfers, maar ik voel het.’

Larry komt uit het onderwijs en is met pensioen, hoewel dat in Amerika niet automatisch betekent dat je niet meer hoeft te werken om rond te komen. Vier dagen in de week werkt hij in het museum. Hij vertelt graag over Newark en ja, Philip Roth kent hij. Niet persoonlijk, maar hij heeft twee boeken gelezen van Roth die in Newark spelen (en die de museumwinkel ijverig aan de man brengt) en hij vond het een feest der herkenning. De titels kan hij zich even niet herinneren. The Plot against America?

‘Nee, die met de polio-uitbraak.’

Nemesis dan. Klopt het beeld in Nemesis, dat zich afspeelt in de jaren veertig, de laatste oorlogsjaren, en een sterk verzuilde samenleving toont? Maar wat is het Engelse woord voor ‘verzuiling’?

You have, like, these pillars and every segment of the population, roman-catholics, or liberals, or jews, or black people, or wasps, are, like, vertically integrated in the pillar. So, say, a jewish football club, a jewish health centre, a jewish university, a jewish political party. You know.

Larry knikt. Zoiets ja, zegt hij. De buurten waren sterk opgedeeld, naar afkomst.

In Nemesis (2010: wat nu Roth’s laatste roman zal zijn) beschrijft Roth de grootvader van de hoofdpersoon, gymleraar Bucky Cantor, die als immigrant in 1880 van Polen naar de VS trok. De grootvader leerde knokken op de straten van Newark, moest de antisemitische gangs van zich afslaan. Verdedig je terrein, leerde hij Bucky. Dus wanneer een groep Italiaanse tieners tijdens de oorlog Bucks speelterrein betreden en op de grond beginnen te spugen – ‘We’re spreading the polio!’ – voelt het aan alsof Bucky’s vaderland wordt binnengevallen en met chemische wapens wordt bestookt.

Wat was de glorie van naoorlogs Newark? Financiële groei, natuurlijk, een goed lopende industrie. Maar het was ook een gevoel. Niemand legt het beter uit dan Philip Roth’s stand-in Nathan Zuckerman, in een speech voor de reünie van zijn Newarkse high school, aan het begin van American Pastoral:

‘Laten we terugdenken aan de energie. De Amerikanen regeerden niet alleen over zichzelf, maar over zo’n tweehonderd miljoen mensen in Italië, Oostenrijk, Duitsland en Japan. De oorlogstribunalen waren bezig de aarde voor eens en voor al te zuiveren van haar duivels. Wij waren de enige atoommogendheid. Er kwam een einde aan de distributie, de prijsbeheersing werd opgeheven; in een explosie van zelfbewustzijn eisten arbeiders in de auto-industrie, in de mijnen, in het transportwezen, de scheepvaart, de staalindustrie – eisten miljoenen werknemers méér en gingen ervoor staken. En op zondagochtend speelden, op het veld op Chancellor Avenue en op de geasfalteerde terreinen achter de school, alle jongens die levend waren teruggekomen softbal en hun partijtjes basketbal, buurjongens, neven en grote broers, hun zakken gevuld met afzwaaipremie, die door een veteranenbeurs in staat gesteld werden nieuwe wegen in te slaan die ze voor de oorlog niet voor mogelijk zouden kunnen houden. Onze klas kwam een half jaar na de onvoorwaardelijke overgave van Japan op de middelbare school, tijdens het grootste moment van collectieve beschonkenheid in de geschiedenis van Amerika. En deze opleving van energie werkte aanstekelijk. Niets was levenloos om ons heen. Er was een eind gekomen aan opofferingen en beperkingen. De crisisjaren waren voorbij. Alles was in beweging. Het hek was van de dam. De Amerikanen gingen opnieuw beginnen, en masse, allemaal samen.’

Het is in deze droom van voorspoed en samenhorigheid dat de kinderen op de joodse high school Weequahic High ‘The Swede’ als voorbeeld hebben. Seymour Levov, de ster van het basketbalteam, het footballteam en het honkbalteam, een soort superjood die er ook nog eens zuiver Arisch uitzag, lang en blond, het soort succesnummer waar andere joodse jongens zelfvertrouwen van kregen. Het is in deze weelde dat de schooljongens in Portnoy’s Complaint (1969) baldadig, en trots op hun identiteit, langs de lijn van het sportveld zingen:

Ikey, Mikey, Jake and Sam,

We’re the boys who eat no ham,

We play football, we play soccer –

We keep matzohs in our locker!

Aye, aye Weequahic High!

Weequahic, Newarks joodse wijk, is in de jaren veertig zo’n geborgen gemeenschap dat het noodlot des te sneller om zich heen slaat, in Nemesis als in een hete zomer polio uitbreekt en juist omdat iedereen iedereen kent het virus (en de paniek) snel om zich heen grijpt. Toen hij een kind was, vertelde Roth een interviewer, was hij zo omringd door joden dat hij ‘niet eens wist dat hij tot een minderheid behoorde’.

Het verschil tussen Philip Roth en een schrijver als Arnon Grunberg, een vaker gehoorde vergelijking, zit ’m in die geborgenheid. Hoe getroebleerd zijn personages ook zijn, het zijn nooit loners. Het zijn altijd zoons, altijd broers. Telkens als ze transgressies begaan, zijn ze zich ervan bewust hoe ze de morele codes van hun milieu overtreden. Een aartsperverseling als poppenspeler Mickey Sabbath, de ‘monk of fornication’ (Sabbath’s Theatre, 1995), doet niets zonder de teleurgestelde, afkeurende stem van zijn moeder in zijn achterhoofd te horen. Met elk uitzinnig boek dat Nathan Zuckerman schrijft over zijn roots (De Zuckerman-trilogie, 1979-85) zoekt hij woorden om zich van zijn opvoeding te ontworstelen, maar steeds voel je zijn schuldcomplex tussen de regels door, bij elke boutade aan het adres van de conservatieve joodse gemeenschap. En dan is er nog het romanpersonage Philip Roth zelf, die herstellende van een zenuwinzinking als een waanzinnige politieke spelletjes speelt in Israël tijdens het Demjanjuk-proces in Operation Shylock (1993), wiens schild breekt als dun ijs wanneer hij even zijn vader aan de telefoon heeft en in tranen uitbarst: ‘I was astonished by how unalarmed his reaction was to what must have sounded like nothing short of a complete collapse. “Go ahead,” he said, as though he knew everything I’d been hiding from him and, just because he knew everything, had decided, seemingly out of the blue, to give me that photograph picturing him at his most steadfast and determined. “Let it all out,” he said very softly, “whatever it is, let it all come out…’’’

Het is zo’n scène waarvan je je niet kunt voorstellen dat die geschreven zou zijn door iemand die geen waardevolle band met zijn vader heeft. Het is de reden waarom Roth’s postmodernisme nooit ironisch is, nooit cynisch; waarom zijn woede altijd een zekere warmte heeft; waarom hij nooit de behoefte heeft superieur te zijn aan de grieven van zijn meest uiteenlopende personages. Hij heeft nooit echt gebroken met zijn jeugd en de omgeving waar hij is opgegroeid. Hij heeft die simpele, vanzelfsprekende geborgenheid altijd gewaardeerd. Zoals de Roth-look-alike in Everyman (2006) het zo eenvoudig, en zo raak, zegt: ‘Het was nooit moeilijk geweest om zijn moeder of vader te begrijpen, ze waren een moeder en een vader, ze hadden weinig andere verlangens.’

Naar eigen zeggen is zijn meest autobiografische roman The Plot against America (2004; het boek is ook zijn liefdevolste, in de beschrijvingen van het familieleven). De roman gaat over de familie Roth – vader Herman verkoopt verzekeringen, moeder Bess is een huisvrouw, de oudste heet Sandy, de jongste Philip. Ze wonen in Weequahic, Newark, in een twee-onder-een-kap aan Summit Avenue. Ergens in het boek wordt het telefoonnummer van de familie gegeven en het is een weddenschapje waard of dat het echte nummer van de familie Roth was.

Summit Avenue is er nog steeds. Je voelt je wat ongemakkelijk als je over de straat loopt, want Amerikanen lopen niet – die rijden. Het is zo’n straat die makkelijk te overschatten is: de huizen staan voor Nederlandse begrippen ver uit elkaar, er staan vaak meerdere auto’s op de oprit, grote, oude bomen hangen over de weg. Maar als je goed kijkt zie je bij veel kozijnen de verf afbladderen, de auto’s zijn zelden in een goede staat, remlichten worden met plakband aan elkaar gehouden. De tragedie van The Plot against America is dat de familie Roth weliswaar joods is, maar zichzelf bovenal als Amerikaans ziet; in deze _what-if-_geschiedenis wint de antisemitische Charles Lindbergh de verkiezingen en voert hij allerlei anti-jodenwetten in. Opeens zijn de Roth’s geen Amerikanen meer, maar enkel joden.

Je krijgt niet meer het idee dat Summit Avenue een joodse wijk is. Nu kom je op straat vooral zwarte bewoners tegen. Dat is het gevolg van ontwikkelingen in de jaren zestig, toen grote werkgevers, de beroemde brouwerijen en leerlooierijen failliet gingen en uit de stad vertrokken, net als hun (al dan niet hoger) opgeleide blanke middenklassewerknemers. Gelijktijdig trokken lager opgeleide zwarte Amerikanen naar Newark toe, op zoek naar werk, niet altijd met succes. Tussen 1960 en 1966 veranderde de demografische samenstelling van Newark van een 65 procent blanke meerderheid naar een 62 procent zwarte en latino meerderheid.

Deze verschuiving werd begeleid door catastrofaal corrupt en incapabel stadsbestuur; vanaf de late jaren vijftig bemoeide de maffia zich steeds meer met het stadhuis en in 1962 werden de burgemeestersverkiezingen ‘gekocht’ ten faveure van Hugh Addonizio. Zijn blanke bestuur zoog de stad verder leeg, verhoogde belastingen voor mensen die het niet konden betalen, en nog erger, negeerde de groeiende problemen van de zwarte bevolking. De stad stroomde vol met zwarte militanten, activisten, anti-oorlogradicalen en op 12 juli 1967 ontplofte de bom: een zwarte taxichauffeur werd zonder duidelijke reden hardhandig gearresteerd, iets wat vaker gebeurde, maar deze keer juist op een plek waar een flat vol arme, zwarte bewoners zicht op had. De bewoners gingen verhaal halen bij het politiebureau, iemand gooide een molotovcocktail, de ME greep hardhandig in, een winkelruit sneuvelde, een slijterij werd geplunderd en door de hele stad braken rellen uit. Vier dagen later waren 26 mensen omgekomen, meer dan twaalfhonderd gewond geraakt en ongeveer vijftienhonderd gearresteerd.

In een interview met The New Yorker zei burgemeester Booker dat zijn stad Amerika zelf is; dat elk probleem dat je in het land tegenkomt zich ook voordoet in Newark. Naar Philip Roth werd Booker niet gevraagd (zijn schaarse hobby’s zijn sporten en lezen), maar je zou kunnen zeggen dat Roth in Newark alles vond wat hij als chroniqueur van naoorlogs Amerika ooit nodig zou hebben.

Als je het exacte adres van Roth’s familiehuis niet hebt, is het nagenoeg niet te vinden. Er zijn een stuk of wat huizen die aan Roth’s beschrijvingen voldoen, en bovendien, Summit Avenue is kilometers lang en hoe langer je erover loopt, hoe meer je het idee krijgt dat mensen je nakijken.

Eén keer durf ik aan iemand te vragen of zij het weet, een wat zwaarlijvige maar vriendelijke donkere vrouw in haar tuin. Philip Roth? De auteur? ‘Doesn’t ring a bell, honey.’ Bedoel ik soms het plein?

En inderdaad: ‘Philip Roth Plaza’ staat er iets verderop. Een straat is naar hem vernoemd, in 2005 al, ontdek ik later. Bij de huldiging sprak Roth Newark toe: ‘Vandaag is Newark mijn Stockholm, en dat naambordje is mijn Nobelprijs.’


Beeld: Lars Tunbjork / Agence VU / HH