Iljin de jong kattenvanger

‘SOMS NEMEN ze je vreselijk te grazen. Moet je mijn hand zien: helemaal opgezwollen. Ze hebben gisteren twee ringen van mijn vingers moeten knippen. En het stomme is dat het een beet van niks was. Kennelijk is het besmet geraakt. Die arts van de polikliniek wilde me zelfs een nacht ter observatie houden. Maar daar kwam natuurlijk niks van in. Er moet gewerkt worden.

We vangen wilde zwerfkatten. Die worden gecastreerd of gesteriliseerd en dan worden ze weer teruggeplaatst. Zo kunnen we het kattenbestand een beetje reguleren. En het helpt tegen de overlast. Voor 95 procent verdwijnt die. Dus wij van de Stichting Amsterdamse Zwerfkatten doen best goed werk, als je het mij vraagt.
Mensen hebben het meeste last van het vechten ’s nachts en van het sproeien. Dat doen katers. Puur dominant gedrag, terrein afbakenen. Ze willen de enige kater zijn die in hun gebied al die poezen kan bevruchten.
Mensen hebben vaak een katteluikje. Daardoor komen de katers binnen. Vreten al het eten op en timmeren de kat van die mensen in elkaar. Moeten ze weer naar de dierenarts. Heel vervelend.
Sommige zwerfkaters zijn werkelijk monsters. Mensen proberen ze buiten te houden door hun katteluikjes dicht te maken, maar die beesten rammen er gewoon dwars doorheen. Zitten ze in een klein kooitje, dan gaan ze zo tekeer dat ze het soms helemaal ontzetten. Ze hebben geen nek, ze zijn één brok spieren. Er zijn mensen die verhuizen vanwege de terreur van zo'n beest.
Begrijp je dat niet? Laatst vertelde iemand me dat een kater binnenkwam terwijl hij aan het koken was. Dat beest is op het fornuis gesprongen en heeft het eten ondergesproeid. De pannen stonden op het vuur! Soms pissen ze doodleuk op de computer en vertrekken weer. Daar word je toch knettergek van? Ik hou van katten, echt waar, maar als zo'n beest dat bij mij deed, dan zou ik hem wel kunnen wurgen. Je moet soms heel lang praten voordat je mensen ervan kunt overtuigen dat het niet nodig is om zo'n lastpak af te maken.’
‘WE HEBBEN vorig jaar zevenhonderd katten gevangen. Daar komen we dit jaar wel overheen. Ik denk dat er zo'n 15.000 à 20.000 wilde zwerfkatten zijn in Amsterdam. Dus om nou te zeggen dat er een kattenprobleem is: nee. Maar het gaat ons niet om de aantallen, maar om de overlast. En één kat kan een boel ellende aanrichten.
Je hebt locaties waar zwerfkatten al generaties lang zitten. En elk jaar heb je aanwas van wegloopkatten. Soms worden ze gedumpt. Als je die vangt, dan zijn ze nog tam. Maar als ze gaan jongen, zetten ze wilde katjes op de wereld. En dat gaat snel, hoor. Katten zijn na zes maanden geslachtsrijp en maar negen weken drachtig.
Katers lopen vaak weg als ze niet gecastreerd zijn. Als ’s zomers het paringsseizoen begint, zijn ze verdwenen. Ze moeten en zullen op een poes gaan zitten. Niets houdt ze tegen. Een sprong van één hoog stelt voor hen niets voor. Als je je kat niet terugvindt binnen een week heb je grote kans dat hij voor altijd weg is. Maar je hoeft je om zijn lot niet bezorgd te maken. Ze weten precies hoe ze moeten overleven, zelfs als ze al zeven jaar tam zijn geweest. Worden ze gewoon weer wild, net zo makkelijk. We krijgen wel telefoontjes van mensen die het zo zielig vinden, die katjes in de kou. Maar wij hebben regelmatig staan vangen bij vijftien graden onder nul. Dan hebben wíj het zwaar, maar de katten lopen vrolijk rond alsof het zomer is. De eerste kat die door kou in de problemen is gekomen, moet ik nog vinden.’
'HET ECHTE kattenmeppen bestaat niet meer. Er worden hoegenaamd geen katten meer afgemaakt. Zeker niet door ons. De tijd dat een dierenarts een kennel binnenliep en met zijn vinger priemde: “die, die en die”, is gelukkig voorbij. Er is een speciale euthanasiecommissie. Die geeft pas toestemming om een kat te laten inslapen als het echt niet anders kan.
Afmaken is simpelweg niet nodig. Probeer dat maar eens duidelijk te maken aan iemand die door een kater wordt geterroriseerd. Zeggen we: “Nou mevrouw, over een paar daagjes loopt-ie weer vrolijk rond in de buurt.” Dan worden die mensen niet goed. Die willen van dat ellendige beest af, voor altijd. Door de castratie treedt een hormoonverandering op. Dan gaat het dominante eraf. Ze worden rustig, stoppen met vechten en sproeien. Dan heb je geen kind meer aan ze. Het scheelt ook een hoop vreselijke wonden. Wat die beesten elkaar aandoen, is echt verschrikkelijk.’
'IK BEWONDER poezen met kittens. Het is soms ongelooflijk in wat voor omstandigheden ze hun kleintjes opvoeden. In de Bijlmer zitten poezen met nesten in de garages, tussen de auto’s. Dan wordt zelfs een wit katje zwart van de smeer. Ze zitten in fabriekshallen of onder vloeren. Vaak verzorgen poezen elkaars jongen. Kittens van verschillende leeftijden allemaal op een hoop, met verschillende moeders ertussen. Da’s hartstikke leuk om te zien. Misschien een beetje té leuk.
Mensen vinden het schitterend als jonge zwerfkatjes in hun tuin spelen. Ze bellen pas als het monsters zijn geworden. Dan is het te laat, zijn ze niet meer tam te krijgen. Kunnen we ze alleen nog maar steriel maken.
Een nest moet dus worden opgeruimd. Nee, ze worden niet afgemaakt. Hoe vaak moet ik dat nou nog zeggen? Kom nou zeg, dan zou ik hier niet werken. Je moet ze gewoon tam maken en via het asiel bij iemand in huis plaatsen. Soms zijn de kittens half tam, half wild. Dan gaan we ze socialiseren. Daarvoor hebben we wat vrijwilligsters, studentes. Die komen hier een paar uur per week jonge katjes aaien. Je moet ze dwingen in te zien dat mensen best leuk zijn. Oppakken en tegen je aanhouden. Beetje vertroetelen, dan slaat vanzelf het motortje aan.’
'WE VANGEN de katten meestal met kooien. Dat gaat op zich van een leien dakkie. In de kooi ligt voedsel om ze te lokken. Lopen ze erin, dan valt het luikje dicht. Doodsimpel. Maar je moet oppassen dat je wel de juiste kat hebt. Je ziet niet altijd het verschil. Van die magere scharminkels heb je hier bijna niet omdat veel mensen zwerfkatten voeren. Dus soms doen we eerst een buurtonderzoek voordat we aan het vangen slaan. Van wie is welke kat? Soms zitten er katten in onze kooien die we al een keer behandeld hebben. Dat zien we zo, omdat we ze na de sterilisatie tippen. Gaat het puntje van het oor eraf. Voelen ze niet.
Voor een kat in het nauw moet je oppassen. Je kunt zo'n beestje niet zomaar oppakken. Meestal probeer je hem in een kooitje te drijven. Maar soms heb je een vangstok nodig. Dat is een holle metalen buis met een touw erdoor dat eindigt in een lus. Krijg je die lus om de nek of de borst, dan trek je het touw aan, niet te hard natuurlijk, en dan kun je het beest in een kooi stoppen. Daarna haal je zijn koppie weer uit de lus. Hoppekee, zo gebeurd. Dreigt-ie te stikken, dan ga ik desnoods met mijn blote handen de kooi in. Ook al word ik flink gegrepen, dat touw móet van die nek. Het zal mij niet gebeuren dat een kat de vangst niet overleeft.
Soms zit ik twee jaar op een kat te azen. Dan is de kick des te groter als je hem te pakken krijgt. Er is er een in Osdorp die ik moet hebben. Een poes. Ze staat aan de basis van een fikse kolonie. Maar ze wil niet de kooi in. Ze heeft open terrein, dus ze kan overal naartoe vluchten. Zodra je haar benadert, is ze weg. Misschien moeten we maar met een verdovend schot gaan werken. Hebben we nog nooit gedaan. En eigenlijk is het mijn eer te na.
Katten staan bekend als schone beesten, maar ons werk is niet altijd even fris. Katten verspreiden ziektes onder elkaar. Je hebt VIP, een buikvleesontsteking. En kattenaids. Dat is in principe hetzelfde als mensenaids, maar het is gelukkig niet overdraagbaar op mensen.
Moet je werken in een tuintje dat volledig door de katten is volgescheten, dan is dat wel even slikken. Ooit moesten we er een vangen in een schuur. Die stond vol met vuilniszakken. Achterin stond een ouwe koelkast. Maakt op zich niet uit, alleen stond die troep daar al jaren. En tijdens het vangen trok ik ook nog per ongeluk de deur van de koelkast open. Die bleek gevuld. Een stánk, ongelooflijk. Mijn collega kan je dat haarfijn beschrijven. Ze hing net met haar hoofd boven dat ding toen de deur openging.’
'IK DOE DIT werk nu al vijf jaar. In het begin zaten de katten me in mijn slaap achterna. Je zet je werkelijk voor meer dan honderd procent in. Je werkt altijd met een collega, want in je eentje kun je het vergeten. Het vergt aardig wat van je, maar elke vangst is weer een kick. Ik hou van katten, het meest van lekker agressieve, knotsgekke katers. Maar vooral omdat het zo leuk is ze weer los te laten, want die beesten horen buiten. Ik zou zo'n brok spieren niet in mijn huis willen hebben.