Illegalen zullen er altijd zijn

‘EEN ILLEGAAL mag niet toch nog maar een beetje blijven. Daar moet je dus een straf op zetten. Nederland laat dit niet meer op zijn beloop’, zei minister voor Immigratie en Asiel Leers (CDA), zaterdag in deVolkskrant. Drie zinnetjes die het simplistische en populistische karakter tonen van de jongste aanscherping van het vreemdelingenbeleid: het strafbaar stellen van illegaliteit. Wie wordt gepakt wordt vastgezet in afwachting van uitzetting en krijgt een boete van drieduizend euro.

Leers suggereert dat nu pas wordt opgetreden. Dat is niet waar. Al sinds het begin van de jaren negentig wordt illegaliteit aangepakt. Voorlopig sluitstuk was de Koppelingswet van Paars II uit 1998 die verblijfstatus koppelde aan het recht op publieke voorzieningen. In 2002 kondigde Balkenende aan dat illegaliteit strafbaar zou worden, in 2005 probeerde men het opnieuw. Het kwam er niet van. Onder meer uit vrees voor overvolle gevangenissen. Vóór de jaren negentig kreeg iemand zonder verblijfsvergunning moeiteloos een sofinummer - toen redeneerde men nog overwegend economisch: Nederland had laaggeschoolde arbeiders nodig en liet hen graag belasting betalen. Nu is de redenering legalistisch-populistisch. Ongedocumenteerd verblijf is illegaal, en bovendien onderdeel van de verfoeide ‘massamigratie’. Die blijkt overigens niet te bestaan.
Het staat wel stoer, maar hoe wijs is het rechtlijnige redeneren van Leers? Het is met illegaal verblijf net als met softdrugs, pornografie en alcohol: een verbod is onmogelijk te handhaven en leidt tot uitwassen. Dat was steeds de reden dat de politie nooit joeg op illegalen. En dat is tevens waarom landen waar illegaliteit al strafbaar is, zoals Engeland, Duitsland, België en Frankrijk er niet de hand aan houden.

Nederland telt naar schatting honderdduizend illegalen. Minister Leers meent dat hun aanwezigheid ‘ontwrichtend’ werkt. Nu bestaan er weinig écht betrouwbare gegevens, maar we weten uit het laatste diepgaande onderzoek, Illegale vreemdelingen in Nederland, uit 2002 (!), dat ze zich voorbeeldig gedragen om problemen te voorkomen. Ze werken meestal in bedrijfstakken als de schoonmaakbranche en persoonlijke dienstverlening (huishouden, kinderoppas) en bezondigen zich nauwelijks aan georganiseerde criminaliteit en prostitutie.

Leers zegt geen ‘heksenjacht’ te willen en neemt dus slechts een symbolische maatregel. Toch is dat risicovol. Al in het onderzoek uit 2002 werd ‘een zeer ongewenst, onbedoeld effect van het huidige vreemdelingenbeleid’ gesignaleerd: de toenemende repressie zet illegalen aan tot ‘overlevingscriminaliteit’ - kleine diefstallen om te voorzien in levensonderhoud. Juist dit contraproductieve neveneffect kan een vliegwielwerking hebben. Hoe meer overlevingsvergrijpen, des te luider de roep om nóg hardere maatregelen. Het zal niets helpen. Zolang de economie ruimte biedt, zullen er illegalen zijn. ‘De informele economie heeft een tweeslachtige status: het mag niet, maar we kunnen er niet omheen’ - zo formuleerde vorig jaar het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum het, nota bene onderdeel van het ministerie van Veiligheid en Justitie.