Illusies van een generatie

ALLARD SCHRÖDER
AMOY
De Bezige Bij, 186 blz., € 17,90

De hydrograaf (2002), Favonius (2005), De econome (2008) en nu Amoy. Allard Schröder (1946) werkt hard aan een oeuvre waarin de ondergang van de burgerlijke middenklasse centraal staat. Misschien kun je beter zeggen: de ondergang van de illusies van deze groep vergeefse dromers en ambitieuzen die zelden hun positie goed inschatten en altijd op de verkeerde paarden wedden. Zijn werk vertoont wat dit betreft verwantschap met dat van de nog maar kort geleden overleden Louis Ferron (1942-2005), al zijn er grote verschillen in stijl en toon. Ook bij Schröder staan de antihelden op een tweesprong, ze willen meedoen met ‘het grote leven’ en dromen van een bestaan waarin zij eindelijk weten waar ze aan toe zijn, zonder dat ze het gevoel hebben van de regen in de drup te raken. Hij laat ze gedurende de tijd dat de roman duurt illusies koesteren over een helder leven waarin ze eindelijk autonoom zijn, vlak voor ze in het riool van de geschiedenis belanden. Hij kiest steeds andere helden: een geflipte wetenschapper, een projectontwikkelaar, een ambitieuze zakenvrouw, en in Amoy een aan lager wal geraakte koloniaal. Verschillende helden in verschillende tijden, zulke vermommingen kun je aan hem wel overlaten, maar toch heb ik bij zijn werk altijd het gevoel dat hij langs allerlei omwegen en in steeds andere settings de geschiedenis van zijn eigen generatie in kaart probeert te brengen. De generatie die schoolging na de Tweede Wereldoorlog, die de universiteiten eerst bezette omdat ze daar recht op meende te hebben en vervolgens leidde. De illusies die daarbij werden hooggehouden, de ambities, de romantische dromen van een betere wereld.
Schröder hoort tot deze generatie en rekent het tot zijn plicht, wie weet zelfs roeping, om daarvan in zijn altijd sterk geëngageerde romans rekenschap af te leggen. Hij is dus een moralist, maar niet eentje die de weg wijst. Het is niet zijn doel anderen de schuld te geven, of belachelijk te maken, al is satire in zijn werk, ook in dit laatste, nooit ver weg. Hij wijst naar zichzelf. Zie mij en mijn illusies. En zijn helden en heldinnen gaan er allemaal aan, niet altijd letterlijk, van de schrijver mogen ze meestal wel zo’n beetje blijven leven, want een boek is maar een boek, wat verder niet veel uitmaakt omdat ze gedurende hun romanbestaan toch al op sterven na dood waren.
In Amoy koos Schröder met enig sardonisch genoegen voor toon en sfeer van de koloniale roman van tussen de wereldoorlogen. Ik bedoel zo’n roman waarin de wereld gezien wordt door de ogen van een verloederd, cynisch, maar in de grond onzeker personage, in dit geval de onnozele Nederlandse advocaat Seghers, die de raciale en maatschappelijke verhoudingen in het zuiden van China niet weet te doorzien. En zich maar wat laat drijven op onbenulligheid en leegheid. Ergens halverwege schetst deze figuur ineens van zichzelf en zijn groep een fraai beeld: ‘Instinctief hebben ze begrepen dat de wereld op bedrog is gebouwd, dat je gevangen bent in een kleverig web van andermans praatjes, van andermans beelden en woorden, die je almaar napraat. Dat ben je. Een wandelend citaat.’ En zo sleept dit wandelend citaat zich voort in een sfeer van verveling, drankzucht, feestjes met elegante kostuums en een mooie vrouw die het bij nader inzien uiteraard achter de ellebogen heeft. Op zoek naar autonomie die maar niet komt. Je zou bijna medelijden met hem krijgen, maar zo ver laat Schröder het toch echt niet komen, ja zeg, er zijn grenzen.
William Somerset Maugham (1874-1965) schreef over deze wereld een stel schitterende verhalen, en bij ons liet Slauerhoff en toch ook Du Perron onnavolgbaar de breekbare melancholie van dit koloniale verlangen zien. Schröder maakt in zijn roman ruim gebruik van vaste ingrediënten uit deze romantraditie, hij kent ze op z’n duimpje, ik denk dat hij er in zijn hart van geniet. Om dan in zo’n setting je held eens lekker kapot te laten gaan! Mannen die ondergaan in drank, met kwalijke en ondoorgrondelijke Chinese bedienden, mooie onbereikbare vrouwen, met corruptie en oorlogsdreiging in de verte. Hij houdt van deze literatuur en tegelijkertijd zorgt hij dankzij zijn stilistisch vernuft en humor voor tegenwicht. Net wanneer je je helemaal hebt laten inpakken door zijn op het eerste gezicht weemoedige stijl komt hij aanzetten met een uiterst pijnlijk geval van onthoofding. Of hij introduceert ineens een jonge vrouw die in gedrag en uitstraling volstrekt verschilt van de andere figuren.
Het prachtige pubermeisje Caroline ontpopt zich steeds meer tot een van de zeldzame positieve figuren uit Schröders panopticum. Over haar zou ik wel eens wat meer willen weten. En altijd werkt deze schrijver met voorzichtig geestig tegenlicht, in al zijn werk, geen vette grappen of hilarische taferelen, maar kleine beschrijvingen: ‘Tevreden leunde hij [de consul] achterover en keek dromerig naar een plek links boven Seghers’ hoofd.’ Op een of andere manier leek mij dit een korte en uiterst doeltreffende samenvatting van het kolonialisme. Deze kleine roman deugt gewoon, hoe zeg je zoiets, ik liet me verleiden en begon alles te geloven: toon, sfeer, de consistent volgehouden melancholie. Ik begon ook te zien dat Schröder dit alles voor elkaar kreeg door een ingenieus stilistisch systeem dat opgebouwd is uit vervreemdende dialogen, paradoxale innerlijke monologen, bizarre situatieschetsen en vaak fabelachtig fraaie landschappelijke beschrijvingen die de gemoedsgesteldheid van de personages weerspiegelen. Nederlandse schrijvers zouden zich direct bij Schröder moeten inschrijven voor een cursus in landschappelijke impressies. Ik geef me hierbij op. ‘Een lauwe wind streek over zijn gezicht, ergens hoorde hij een nachtdier in dorre bladeren scharrelen.’ Romankunst in optima forma.