Afscheid van een tijdschrift

IM Millennium (1993-1999/2000)

Jeroen Brouwers zei eens over zijn monumentale roman De zondvloed dat die als een grafsteen op hem zou mogen liggen. Dat boek bevatte niet alleen zijn hele oeuvre, het sloot het ook af. Het was het da capo van een reeks boeken waarin Brouwers zijn diepste roerselen openbaar had gemaakt. Maar wat er ook van dat oeuvre te zeggen viel, het was echt, authentiek en oprecht. Het zou als grafsteen geen slechte indruk maken.

Als Serge van Duijnhoven ooit een grafsteen moet hebben, geven we hem de verzamelde en ingebonden jaargangen van Millennium, zijn literaire tijdschrift, of eigenlijk, zoals hij het zelf noemde, ‘tijdboek’. In Millennium heeft Van Duijnhoven niet alleen een deel van zijn werk gepubliceerd en een fiks stuk van zijn leven gestoken, daarbij kan de goede lezer niet anders concluderen dan dat er brokken van zijn ziel in zitten. Zijn bloed, zijn zweet en zijn tranen. Alleen al de tranen om Joris, zijn te vroeg gestorven vriend.

Joris Abeling en Serge van Duijnhoven richtten in 1993 Millennium op, omdat ze een blaadje wilden maken. Het was een tijd dat er nog een paar mensen zo brutaal waren om een literair tijdschrift op te richten en daarin en daarmee hun eigen hemeltjes te bestormen. Zo ook de millennisten. De ontstaansgeschiedenis van het blad is beschreven in Van Duijnhovens roman Dichters dansen niet.

Het was een tijd waarin de lethargie van de late jaren negentig nog niet helemaal had toegeslagen. Er bleken nog een paar intellectuele idealisten - of idealistische intellectuelen - te bestaan die hun generatie (een woord dat we toen nog durfden te gebruiken) een stem wilden geven, die een podium wilden oprichten voor (jonge) schrijvers die zij de moeite waard achtten.

In zijn voorwoord 'De race naar het verdwijnen’ in het allerlaatste nummer van zijn tijdschrift schrijft Serge van Duijnhoven: 'We wilden een club we wilden een clan we wilden de bal in het net we wilden een manifest we wilden een warm nest we wilden een pluim op de kruin een tempel op het puin we wilden een appel en een ei we wilden een sfinx zijn uit de as we wilden de vonk zijn bij het gas we wilden de wieders zijn de telers van het kruid we wilden de kaviaar zijn onder de kuit we wilden de neus zijn van de zalm we wilden het gif zijn in de walm we wilden het spook zijn op de kastelen de enkelingen tussen de velen de zieners tussen de schelen we wilden de sprooksprekers zijn met de schorre kelen.’

Millennium had een serieuze toon. Het was geëngageerd. Wie herinnert zich niet een artikel over Wim Kok en de WAO? Of een diepgaand onderzoek naar de slaapgewoonten van jongeren? Wat raar leek, bleek niet zo raar als je de losse draden volgde die Millennium in veelvoud leek te laten slingeren. Elk draadje in het web leidde naar de twee oprichters en redacteuren: Abeling en Van Duijnhoven. Het kwam allemaal uit hun hoofd. Ze sloten vriendschappen met kunstenaars in binnen- en buitenland en gingen onverstoorbaar verder met blaadjes maken. Zelfs toen het op zakelijk gebied wanhopig leek, hield Millennium de rug recht. Men ging 'subzero’ en speelde een tijdje ondergronds voort.

Vlak voor het einde van deze eeuw verscheen Millennium 15, RESET. In het nulnummer had de redactie aangekondigd dat haar activiteiten uiterlijk in het jaar 2000 zouden worden ontbonden: 'Juist omdat wij een tijdsbeeld willen geven, gezien door de ogen van een nieuwe generatie, palen we ons werkgebied af. Fins de siècle gaan voorbij en nieuwe generaties blijven niet nieuw.’

Millennium heeft woord gehouden. Dat siert ze. Het is wel jammer voor de literatuur. Het tijdboek voor de jaren negentig heeft geen grote invloed gehad op de vaderlandse letterkunde, maar het was wel de exponent van een langzaam verdwijnende en uitstervende levenshouding: de dingen doen zoals je zelf wilt doen, op de manier waarop jij ze doet, niet gehinderd (of geholpen) door wie of wat dan ook. Wellicht representeerde Millennium het laatste restje oprechte punk-mentaliteit in een gestroomlijnde commercie-cultuur. Dat zullen we missen.