Imiteren

Het is een bekend fenomeen: na je vijftigste, zestigste jaar komen er ineens beelden bij je naar boven uit je vroegste jeugd. Die beelden gaan gepaard met heftige emoties. Zo ben ik toen ik drie was door een bij in mijn oog gestoken. Mijn ouders en de oogarts vreesden voor mijn gezichtsvermogen. Ik wist dit wel, uit verhalen, maar eergisteren zag ik opeens helder voor me hoe het was gebeurd. Een kort moment voelde ik de angst die pijn was geworden omdat ik opeens niets meer zag.

Ik herinnerde me dit beeld toen ik mijn kleinzoon aan het eten geven was. Ik zong een zelfgemaakt liedje: ‘Hap hap hap, lekker in je mond, hap hap hap als drolletje uit je kont.’ Die laatste zin was meer voor de ouders die ik er eerder mee ergerde dan amuseerde en die mij nogal kinderachtig vinden voor mijn leeftijd.

En nadat mijn kleinzoon het hapje in zijn mond had gestopt, kreeg ik opeens die herinnering. Zomaar, uit het niets.

Tegelijkertijd begreep ik bijna intuïtief een grootvaderlijke taak: ik moet mijn kleinzoon waarschuwen voor de gevaren in het leven. Dat moeten de ouders natuurlijk ook doen, maar vader en moeder moeten jagen en koken, en dan moeten opa en oma het kind opvoeden. Zo zal het evolutionair in elkaar zitten. Opa en oma moeten zich daartoe herinneren hoe hun eigen jeugd was. Ze moeten de gevaren weten op te roepen waaraan zij zelf hebben blootgestaan. Slechts dan kunnen zij hun kleinkinderen voor het leven weerbaar maken.

Ik heb het moment waarop de mens intuïtief of automatisch reageert altijd fascinerend gevonden. Niemand krijgt les in het opvoeden van een kind. Je doet dat domweg. Je imiteert vermoedelijk je ouders en niet alleen doe je wat zij ook deden, je doet ook niet wat je ze kwalijk nam. Mijn vader wilde ons niet slaan, maar kon soms niet anders. Ik denk, en weet bijna zeker, dat hij dat deed uit liefde, uit angst ook, hij wilde ons waarschuwen om bepaald gedrag niet te vertonen want dat zou in mijn nadeel kunnen werken. Toch heb ik mijn kind nooit geslagen. Ik heb haar, al zou ik het echt niet meer weten wanneer en hoe, vermoedelijk wel vernederd. Dat deed ik namelijk ook toen ik nog les gaf, de orde niet kon handhaven en begreep dat vernedering mijn enige wapen was: ‘Je hebt nu wel een grote bek, Liesbeth, maar met die scheve tanden van je ben je het lelijkste meisje van de school en ik weet dat je dat zelf ook beseft!’

En de orde was weer in de klas.

(Overigens, de ironie van het leven is dat ik die Liesbeth twintig jaar later opeens tegenkwam en dat ze toen tegen me zei: ‘Ik ben dat hele jaar verliefd op u geweest.’)

Mijn dochter pakt mijn kleinzoon aan en op, zoals mijn moeder dat deed; ik herken haar stembuigingen en zie hoe het moederschap in haar motoriek is gevloeid. Dat geldt ook voor de vader en mezelf. Het is bijna mystiek. Alsof ‘iets anders’ het overneemt. Alsof er vanzelf een ander programma in je hersens wordt gestart.

Precies dat fenomeen heb ik al eens eerder gezien. Eveneens tijdens mijn tijd als leraar. Er ging een meisje van school omdat ze zwanger was. Ze kwam terug om haar baby te laten zien. Aanvankelijk zag ik een meisje dat in plaats van te werken aan een mooie toekomst een kind had gekregen, maar allengs zag ik een lieve moeder die in het moederschap haar bestemming had gevonden. Dit was wat ze wilde, dit had ze veroorzaakt. Soms verdringt de natuur de kennis die je zou moeten opdoen, en levert de natuur andere kennis vanzelf aan.

Zo begint mijn kleinzoon te praten. Ik weet niet hoe dat kan.