Kees Ouwens, Alle romans tot dusver

Immer met moed

Kees Ouwens

Alle romans tot dusver

Meulenhoff, 686 blz., € 29,95

Soms blijkt begrijpelijkheid ook maar een betrekkelijk goed. Bij het tot zich nemen — lezen zou te passief zijn uit gedrukt — van het verzamelde werk van Kees Ouwens bijvoorbeeld. Vorig jaar bracht Meulenhoff zijn verzamelde poëzie uit, Alle gedichten tot dusver. Nu is het de beurt aan zijn proza. Het werd gebundeld in een prachtig dik gebonden boek met stofomslag, waarin op de titelpagina de wapenspreuk van Meulenhoff opeens enorm op zijn plaats lijkt: «Immer-met-moed.»

Het proza van Ouwens tart alles, en dat dan nog eens in toenemende mate. Vergeleken met zijn laatste roman Helis’ mythe, verschenen in 1998, is zijn debuut De strategie, uit 1968, een luchtig en spannend verhaal. Hoe broeierig en duister ook, vergeleken met Ouwens’ latere werk volgt zijn eersteling nog het meest de conventionele lijnen van een vertelling, inclusief een zekere spanningsopbouw. De eenzaamheid door genot (1987) stelt het uithoudingsvermogen van de lezer op de proef met maximale uitweidingen over minimale handelingen en in Een twee drie vier … (1994) is iedere zin afzonderlijk een raadsel. Helis’ mythe, waarin Handigejongen, Strohmian en Obertop hun rituele rondedans uitvoeren, gaat nog weer een stapje verder in het opvoeren van een absolute beklemming.

«Ik schrijf voor mensen die geduld en begrip op kunnen brengen», zei de 25-jarige Ouwens toen hij eind jaren zestig de Nederlandse letterkunde binnen denderde met vlak na elkaar een dichtbundel, Arcadia, en met de roman De strategie. Nu zijn in het geval van poëzie geduld en begrip over het algemeen ruimer voorradig dan bij proza, waaraan minimale eisen van vorm en verstaanbaarheid worden gesteld. Ouwens wrikt aan die eisen. Zelfs als hij een dankrede moet uitspreken bij het aanvaarden van de Constantijn Huygensprijs voor zijn poëzie, in 2002. De rede, «Dames en heren» getiteld, is naast ander verspreid proza ook opgenomen in deze verzamelbundel. Zij die dachten (zoals ondergetekende): hoera, de meester zelf aan het woord over zijn werk, komen van een koude kermis thuis. Want «Dames en heren» is een typische Ouwens-vertelling, voor de gelegenheid opgesierd met knipogen naar goede verstaanders, die chocola mogen maken van dialogen als: «Horst!» «Gita!» «Dat de dialogen natuurlijk mogen klinken, Horst!»

Met natuurlijkheid heeft het werk van Ouwens niets te maken. Waarmee dan wel? Zo achter elkaar gezet in een kloek boekwerk dringt zich een noemer voor het geheel op: zuiverheid. Onverstoorbaar en compromisloos, zo zou je zijn proza ook kunnen kenschetsen. «De masturbant/ is zichzelf genoeg» dichtte Ouwens in het titelgedicht van zijn debuutbundel. Masturbatie is niet alleen een belangrijk thema in zijn werk, Ouwens maakt er een genre op zich van: de uitsluitend op zichzelf gerichte, naar binnen gekeerde literatuur.

Experimenteert een schrijver als Houellebecq in zijn romans met telkens fletsere vertelwijzen om leegte en levenshaat gestalte te kunnen geven, Ouwens boort een hypersensitieve laag aan met hetzelfde doel. Steevast is er sprake van een zoekende ziel, doende een houding aan te nemen ten aanzien van anderen en van zichzelf, en volstrekt autistisch daarin. Het drama schuilt in het bevriezen van een situatie; een op zich tamelijk loos moment wordt opgeblazen tot groteske proporties. Erotiek en macht zijn daarbij constant in het geding.

In De strategie is er bijvoorbeeld sprake van een man die zich mee laat nemen door een jongen naar zijn ouderlijk huis, alwaar een meid in de kelder opgesloten zou zitten. De ontmoeting met de moeder van de jongen («Zij deed aan gedrag alsof zij een sport beoefende»), confronteert de man met het beeld van de ideale vrouw naar wie hij eigenlijk op zoek was, «de vrouw in het wit». Uit de wijze waarop deze aanvankelijk zo superieure moeder theedrinkt, moet hij — helaas helaas — opmaken dat zij «een vrouw uit één stuk» is, oftewel een doodordinaire hoer.

Zo raar en nietszeggend worden de romans van Ouwens als je ze probeert te herleiden tot de verhaallijn. Er is namelijk geen verhaal. Er zijn zinnen met een onvervreemdbaar eigen signatuur, die je een glimpje gunnen van een kijk op de zaak die je nog niet kende. Als bijvoorbeeld Armand Stijgend in De eenzaamheid door genot verstrikt raakt in een vrijage met zijn nicht, is zijn grote twijfel of hij haar nu ook op de mond moet kussen. «Moest men van boven aanvaarden als men van onderen nam?» Of als de verteller in Een twee drie vier zich afvraagt of hij niet eigenlijk kitsch is. «Stel je tevreden met de helpende hand bij het wisselen van het wiel. Dat ook dit kitsch is, had ik maar voor het zeggen.»

Ouwens’ proza is zo geladen en gestileerd, dat de eis van begrijpelijkheid iets van een andere wereld wordt. Iets van de gewone wereld, waarvan al meer dan genoeg is. De ijzeren consequentie die deze schrijver aan de dag legt in het bouwen van een eigen universum, dwingt dan ook niet alleen begrip en geduld af, maar stemt vooral dankbaar.