Sociaal mercantilisme

Immigratie à la Verdonk: sociaal mercantilisme

Terwijl Amerika miljoenen illegalen harder gaat aanpakken, opent Nederland de grenzen voor arbeidsmigranten. Conclusie: Amerika vereuropeaniseert, Europa veramerikaniseert. Is daarmee ook de verzorgingsstaat ten dode opgeschreven?

Ayaan Hirsi Ali zal het niet geloven, maar volgens minister Verdonk van Vreemdelingenzaken & Integratie wordt Nederland internationaal weer «gidsland». In haar internetcolumn staat de minister stil bij dat andere grote nieuws dat vrijwel geruisloos aan het publiek voorbij is getrokken. De ministerraad stemde deze maand namelijk in met het voorstel voor een «modern, effectief, aantrekkelijk», kortom nieuw immigratiebeleid. Op asielgebied blijft alles bij het oude, maar voor interessante migranten wil Nederland de poorten openen. Selectie is het sleutelwoord van dit sociale mercantilisme. «We willen tegemoet komen aan de behoefte van het bedrijfsleven en migranten binnenhalen die een substantiële bijdrage kunnen leveren aan onze economie», aldus Verdonk in haar column. Concreet komt dat neer op een puntensysteem voor talenten en een niet-verlengbare vergunning van één jaar voor seizoenarbeiders die de inmiddels spreekwoordelijke asperges moeten steken. Migranten die op deze manier naar Nederland komen, hebben zeer beperkte sociale rechten. De tijdelijkheid van het verblijf staat voorop. Instellingen en bedrijven worden als het aan het kabinet ligt nauw bij de uitvoering van het nieuwe beleid betrokken: zij mogen samen met de overheid gaan winkelen op de internationale arbeidsmarkt.

De plannen komen niet geheel onverwacht. Nog maar enkele jaren geleden was de economische vluchteling, beter bekend onder de naam gelukszoeker, de paria. Dit in tegenstelling tot de politieke vluchteling, tegen wie vrijwel niemand zei iets te hebben. Het omgekeerde is nu het geval. De asielzoeker wordt gezien als een zeurende, onproductieve dus kostbare gast. De zegeningen van vooral de hoger opgeleide arbeidsmigrant worden van links tot rechts de hemel in geprezen. Zowel Mark Rutte als Wouter Bos pleitte recentelijk voor een soepeler toelatingsbeleid voor «kennismigranten». Ook Marnix van Rij, voormalig cda-voorzitter en tegenwoordig partner van Ernst & Young, toonde zich tegenover NRC Handelsblad voorstander van opener grenzen: «Als een Chinese mevrouw wil trouwen met een Nederlandse meneer en ze heeft toevallig een diploma wiskunde van Harvard op zak, dan moeten we haar niet in een bus op weg naar de inburgeringscursus Tulpen uit Amsterdam laten zingen.» Zo iemand zou meteen aan de slag moeten kunnen, vindt Van Rij.

«Deels cosmetica», noemt Jeroen Doomernik, verbonden aan het Instituut voor Migratie en Etnische Studies (imes), deze roep om een ruimhartiger beleid. «Het was altijd al vrij gemakkelijk voor hoger opgeleiden om binnen te komen. Je hebt de Wet arbeid vreemdelingen. Als een werkgever kan aantonen dat hij iemand nodig heeft en dat de gevraagde kwaliteiten niet in Nederland of de EU voorhanden zijn, dan is het op wat bureaucratie na geen enkel probleem om zo’n migrant binnen te laten.» Bovendien krijgen kenniswerkers in Nederland belastingvoordeel. «De eerste tien jaar dat ze hier zijn, betalen ze eenderde minder loonbelasting. Dat is een heel aantrekkelijke regeling waarin wij uniek zijn.»

Daar komt bij dat de afgelopen jaren beetje bij beetje al onderdelen van een soepeler migratiebeleid zijn ingevoerd. Zo kent Nederland sinds oktober 2004 een «kennismigrantenregeling». Veelverdieners van buiten de Europese Unie kunnen via een versnelde procedure een tijdelijke verblijfsvergunning krijgen. Voor promovendi en wetenschappelijk personeel geldt geen inkomenseis. In 2005 werden zo’n 2500 «kennismigranten» toegelaten. Buitenlanders die als zelfstandige aan de slag willen, worden binnenkort beoordeeld door middel van een puntensysteem. Aanvragen worden getoetst op criteria als opleiding, werkervaring, financiering en «marktpotentie». Hoeveel mensen hiervan gebruik gaan maken, is nog niet duidelijk. De grootste aantallen legale arbeidsmigranten komen in ieder geval uit de Oost-Europese landen, die de rol van onuitputtelijk reservoir voor goedkope, laagopgeleide arbeidskrachten deels overgenomen lijken te hebben van Turkije, Marokko en andere Afrikaanse landen.

Nieuw of niet: de trend is duidelijk. Tot nu toe waren de Verenigde Staten het land met de open economie. Het toelatingsbeleid voor arbeidsmigranten is er redelijk soepel en illegalen worden gedoogd. Vrij verkeer van mensen leidt in de zuivere neoliberale leer immers tot een groter aanbod van werknemers, stevige onderlinge concurrentie en dus betere arbeid voor een lagere prijs. Migratie is een breekijzer voor werkgevers tegen vervelende zaken als vakbonden en sociale premies. Het ophogen van de grenzen zorgt er in zo’n economisch-darwinistische visie enkel voor dat de losers en luilakken de hand boven het hoofd gehouden wordt. Tegenover het open Amerika stond het protectionistische Fort Europa. Dat zorgt voor een zekere sociale zekerheid voor de eigen bevolking, terwijl de rest van de wereld het met een middelvinger kan doen.

Zo eenduidig als deze twee «ideaaltypen» suggereren, ligt het uiteraard niet, maar de kern is helder. De laatste tijd krijgt Amerika Europese trekjes. De roep om verdere militarisering van de grenzen en harder optreden tegen illegalen klinkt steeds luider. Ondertussen wil Europa migratie gebruiken om de eigen arbeidsmarkt competitiever te maken. Het is een nieuw argument in de discussie over de toekomst van de verzorgingsstaat, voor verdere versobering.

Gesteld voor de keuze tussen een continent dat louter kiest voor zichzelf en de rest van de wereld de rug toekeert en een dat migratie beschouwt als welkome bijdrage aan de strijd van allen tegen allen, dringt zich de vraag op of er geen alternatieven zijn. Een poging daartoe ondernam een aantal wetenschappers in de in 2004 verschenen bundel Grenzeloze solidariteit: Naar een migratiebestendige verzorgingsstaat, onder redactie van onderzoeker Han Entzinger en journalist Jelle van der Meer. Solidariteit vraagt om afgrenzing, is de centrale gedachte. Wil Nederland toch tegemoetkomen aan de behoeften van zowel het bedrijfsleven als de migranten, dan moet gebroken worden met het beginsel van «gelijke monniken, gelijke kappen». Dat kan op ten minste drie manieren, schrijft Dennis Broeders, stafmedewerker bij de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Op dit moment is vooral sprake van een zogeheten overgangsmodel: immigranten moeten eerst een tijdlang in Nederland verblijven voordat ze sociale en politieke rechten krijgen.

Een alternatief dat mensen meer activeert, is het prestatiemodel, waarin migranten rechten kunnen verdienen of verliezen op basis van hun eigen prestaties. Jeroen Doomernik van het imes wijst er in dat kader op dat de Nederlandse verzorgingsstaat al redelijk immigration proof is. Het vangnet bestaat hier immers grotendeels uit sociale verzekeringen. Werknemers bouwen sociale rechten op naar gelang ze premies betaald hebben.

Daarnaast is er het «quarantainemodel», waarbij migranten een tijdlang in Nederland verblijven of werken maar buiten de verzorgingsstaat staan. De opvang van asielzoekers – sobere huisvesting, apart onderwijs en zakgeld, geen uitkeringen – is daar een doorgeschoten voorbeeld van. Onderzoeker Ewald Engelen van de Universiteit van Amsterdam ziet wel wat in zo’n quarantainemodel voor bepaalde sectoren van de economie, zoals huishoudelijk werk en landbouw. «Ik pleit ervoor die arbeidsmarkten open te gooien voor spontane immigratie. Werknemers betalen dan geen sociale premies meer. Dat betekent in principe dat je, als je onder werktijd je been breekt, wordt geacht op te rotten en terug te gaan naar Ghana. Dat klinkt harteloos, maar het biedt migranten wel mogelijkheden om hun economische positie te verbeteren. Ze kunnen sparen, teruggaan en in hun eigen land iets opzetten. Of ze slagen erin een x aantal jaren economisch zelfstandig te zijn in deze wilde sectoren van de economie, waarna ze volwaardig Nederlands staatsburger kunnen worden. Daarmee krijgen ze ook toegang tot de beschermde sectoren én verwerven ze het recht op gezinshereniging.»

Zulke onorthodoxe maatregelen zijn «pure noodzaak», denkt Engelen. «Het komt door de vergrijzing en de ontgroening. Binnen twintig jaar is dit geen controversieel standpunt meer, dat geef ik je op een briefje.» De honderdvijftig- tot tweehonderdduizend illegalen in Nederland zijn volgens hem een bewijs voor de structurele vraag naar goedkope arbeid. Het tweederangs burgerschap dat het onvermijdelijke gevolg is van de ingrepen die hij voorstaat, neemt Engelen op de koop toe, al spreekt hij zelf liever van aspirant burgerschap. Daar is nu immers ook al sprake van. Niet iedereen heeft gelijke toegang tot sociale voorzieningen en eenmaal afgegeven verblijfsvergunningen kunnen nog jarenlang worden ingetrokken bij verlies van werk of het verbreken van een relatie. Het leger illegale arbeiders kan sowieso alleen maar dromen van burgerschap, al was het maar tweederangs. Voor hen zou iedere vorm van regularisering een vooruitgang zijn.

Dat de overheid nu wat rationeler naar migratie gaat kijken, vindt Engelen dan ook prima. «In ieder geval wordt het belang van een aparte toegangspoort voor economische migratie onderkend. Als je dat niet doet, krijg je een enorme vervuiling van je ‹asielzoekerspoort›: leugentjes om bestwil als bij Hirsi Ali. Met als gevolg dat je een reusachtig administratief apparaat nodig hebt om te achterhalen of asielzoekers wel de juiste motieven hebben.»

Maar het grote probleem in zijn ogen is het naïeve geloof in maakbaarheid van migratiestromen bij de overheid. En dat blijft. Engelen: «Ook de nieuwe wet gaat uit van allerlei regelingen en kolommen waarin mensen kunnen vallen. Dat gaat een enorme bureaucratische rompslomp met zich meebrengen. Formeel wordt het netjes geregeld, de facto zal het niet resulteren in een versnelling van de toelatingsprocedure. Zulke pogingen tot regulering zijn in feite een miskenning van de centrale positie van Nederland in allerlei internationale kapitaal-, diensten- en goederenstromen. Daar horen mensen bij. Je kunt niet het ene wel willen en het andere niet.»

Dat geloof in maakbaarheid is de crux. Niet alleen Verdonks nieuwe plannen getuigen van een bovenmatig vertrouwen daarin, ook de alternatieven vanuit academische hoek worstelen met dit probleem. De overheid ziet migratie als iets waarvan je je kunt afsluiten, dan wel als iets waarin je naar believen kunt shoppen. De wetenschappers erkennen de onmacht van de overheid om migratie daadwerkelijk te beheersen en stellen daarom voor de Nederlandse maatschappij hierop aan te passen. Maar ook dat alternatief zou wel eens stuk kunnen lopen op een misplaatst geloof in maakbaarheid. De academici analyseren de verzorgingsstaat als een model, een op de tekentafel ontworpen stukje beschaving, dat dus ook eenvoudig gewijzigd kan worden. Maar zowel op het gebied van migratiebeleid als op het gebied van de verzorgingsstaat is de overheid niet de enige partij. Zo is de verzorgingsstaat de uitkomst van een langdurig maatschappelijk conflict. Sociale voorzieningen kwamen niet louter tot stand op initiatief van de overheid, maar borduurden vaak voort op initiatieven van onderaf, zoals sociale verzekeringskassen. Ook in de toekomst zal het concrete gedrag van mensen, in dit geval migranten, net zo bepalend zijn voor de verzorgingsstaat als de maatregelen van de overheid.

Het is de logica van de staat versus de migrantenlogica, denkt Doomernik. Dat laatste kun je op wereldniveau bezien: het nog steeds groter wordende verschil in rijkdom tussen noord en zuid. «Als je iets wilt doen aan de oorzaken van migratie, moet je daar wezen. Maar dat helpt ons vandaag en ook de komende week niet.» Op individueel niveau blijkt de migrant al even ongrijpbaar. Beleid daartegen hier kan zelfs paradoxaal genoeg tot meer migratie leiden, zo laat het voorbeeld van de gastarbeiders in de jaren zestig zien. Doomernik: «Het is wat onder schakers zetdwang heet: je tegenstander in een situatie brengen waarin hij maar één move kan maken. Dat hebben we met die migranten gedaan. Ze waren hier als gastarbeider en we gingen ervan uit dat ze weer teruggingen. Maar als ze dat deden, kwamen ze er niet meer in. Omdat die mensen rechten hadden opgebouwd die ze bij vertrek zouden verliezen, zijn ze eigenlijk aangemoedigd om te blijven. Het is maar de vraag of de hele problematiek was ontstaan als we op dat moment niet zo hadden ingegrepen. Ik ben dan ook zeer sceptisch als het gaat over de maakbaarheid van migratiebeleid. Als mensen iets willen, vinden ze ook wel een manier om dat te doen, legaal of illegaal.»

De middenweg tussen Europa en Amerika is er dus wel, maar het is de vraag of de papieren plannen de praktijktoets zouden overleven. Uiteindelijk hangen kwesties als het behoud van solidariteit en de verzorgingsstaat minstens zozeer af van het concrete gedrag van migranten én Nederlanders – dat ook weer beïnvloed wordt door discussies over jong versus oud, insiders tegenover outsiders – als van de plannen van welwillende academici. Het gevaar is zelfs dat zulke alternatieven, in een poging de solidariteit te beschermen, deze via een achterdeur alsnog onderuit halen. Een sociale rechtsstaat gaat immers uit van gelijkheid voor de wet. De burger heeft als het ware één grote cao afgesloten met de staat. Door differentiatie – tweederangs burgerschap dus – wordt die samenleving in tal van groepen opgedeeld met verschillende rechten. Zo doemt het beeld op van een land waarin iedereen een individueel contract met de overheid heeft. Dan zijn er geen gezamenlijke belangen meer en wordt de solidariteit alsnog ondermijnd.

Schrale troost voor de voorstanders van een opener Nederland: dit kabinet heeft aangetoond dat ook mét een zeldzaam streng immigratiebeleid de verzorgingsstaat kan worden afgebroken. Veel te verliezen hebben zij dus niet.