Impasse

Soms heb je werveling nodig. Om warmte, beweging op te wekken. Inductie. Voor iemand van de gasgeneratie is dat lastig.

… en een nieuwe kookplaat en een badmat en een trekker voor de glaswand en een kastje voor klein textiel (sokken, boxers, T-shirts) en… Er komt geen einde aan en ik verhuis maar drie meter omhoog. Ik weet niet wat het is, maar sinds een tijdje heb ik het gevoel (klamp ik mij vast aan de gedachte/kan ik niet anders dan denken) dat ik, ondanks de schijnbare beweging en richting in mijn leven, eigenlijk alleen achter mijn werktafel ergens heen ga. Ik verkeer blijkbaar in de Prediker-fase: er is wat er was en wat er zal zijn is al geweest. Ik verhuis voor de tweede keer in een jaar, ik koop een inductiekookplaat, ik bezoek mijn demente moeder, die ervan overtuigd is dat ik haar broer ben, ik droom dat vriendelijke vrouwen mij toeknikken en dat ik denk: nee, dat niet. Is dat wat Nijhoff bedoelde met Impasse?

Ik ga van het souterrain naar de tweede verdieping en alles daaraan is beter: meer licht, meer warmte, een praktischer indeling. Beneden was een gaskookplaat, boven niet en omdat we over twaalf jaar toch allemaal van het gas af moeten en ik lijd onder de neiging om geweldig op de dingen vooruit te lopen, heb ik inductie besteld. ‘Vier, drie of twee zones, mijnheer?’ Ik doe niet veel meer dan af en toe soep maken, soms pasta en saus, nooit vlees. Waar heb ik vier zones voor nodig? Als ik het een beetje slim aanpak kan ik zelfs toe met één pit en de combimagnetron. En als ik nog strenger ben voor mezelf volstaat de waterkoker. Maar zo ver moet ik niet gaan. Ik ben van het zwart en het wit, nul of een en voor je het weet, ga ik van de lucht leven. Ik zag een tijdje geleden dat iemand bij een talkshow beweerde dat hij dat deed. Misschien wordt het tijd dat we zoiets een freakshow noemen.

Twee zones is genoeg. Drie is waarschijnlijk verstandiger (beter mee verlegen dan om verlegen, zei de onderduikmoeder van mijn moeder altijd), maar ik heb behoefte aan grenzen en strenge keuzes. Twee kookzones. Ik ga vanaf nu door het leven als een twee-zones-man.

‘En als je ooit weer gaat samenwonen?’ vraagt mijn vriend H.

Mijn lach is hol en schril. Ik weet niet of dat technisch mogelijk is, maar zo lijkt het.

In het begin van mijn voorbije huwelijk hebben we een tijdje met alleen een waterkoker gekookt omdat de keuken nog niet klaar was. Dat lukte heel goed. Je kunt een end komen met kokend water. Later, toen de keuken klaar was, beschikten we over een vier meter lang eiland, een roestvrijstalen kookplaat die door een Bauhaus-adept was ontworpen en kasten vol pannen. Ik weet niet of het eten toen beter smaakte. Sterker: ik denk wel eens dat het misging toen we niet meer van plastic bordjes aten. Maar dat kan mijn pessimistische natuur zijn.

Dat zeg ik allemaal niet tegen mijn vriend. In plaats daarvan opper ik de mogelijkheid om achter die inductieplaat gewoon een tweede te zetten in het onwaarschijnlijke geval dat. Modulair, weetjewel.

Ikea had vroeger keukentjes die bestonden uit verrijdbare vrolijk roodgekleurde ladeblokken. Ik gebruikte ze in mijn werkkamer. Ik heb er nog een, voor die sokken en boxers en T-shirts, maar die moet straks in de keuken, onder de kookplaat. De ladeblokken van weleer verkoopt Ikea niet meer. Ik vraag me af waarom ze dat idee van modulaire keukens hebben opgegeven. Ik dacht dat flexibiliteit een ‘ding’ was. Van deze tijd. Voor de moderne mens. Die graag verandert. Maar blijkbaar niet.

‘Kun je niet gewoon een plank tegen de muur schroeven?’ zegt H.

In de streek waar ik woonde stonden jaknikkers achter hoge hekken

Ik wil niet schroeven. Ik wil niet boren. Ik wil niet zagen. Ik heb alles gedaan – stuken, keukens bouwen, elektriciteit aanleggen, leidingen solderen, vloeren leggen – en het is genoeg geweest.

‘Ik denk over zo’n rolwagen, die je in garages ziet’, zeg ik. ‘Zo’n gereedschappenkar.’

H. trekt een wenkbrauw op.

Hij kent mijn nogal utilitair ingestelde geest. Zijn huis is gezellig, met tactiele dingen die betekenis hebben voor hem, herinneringen, erfstukken, noem maar op. Ik heb het zakhorloge van mijn grootvader weggegeven vanwege wat-moet-ik-er-mee.

Inductie. Ik bewonder het onderliggende technische principe, maar ik voel een lichte steek van nostalgie nu ik het gas vaarwel zeg. Ik ben van de Slochterengeneratie, de kinderen die opgroeiden met schoon en veilig aardgas in een land dat door De Bel welvarend werd. In de streek waar ik woonde stonden jaknikkers en afsluiters achter hoge hekken. Ik heb zelfs nog een tijdje als archivaris bij de NAM gewerkt.

‘Moet je geen speciale pannen hebben voor inductie?’ vraagt H.

Ik gok erop dat de Finse set die ik lang geleden kocht het wel redt. Die pannen zijn zo zwaar uitgevoerd dat je ze naar Mars kunt sturen en dan werken ze waarschijnlijk nog steeds.

Het mooiste voorbeeld van inductie zijn de gekrulde tangen, ze lijken een beetje op dompelaars, die monteurs gebruiken om vastzittende bouten los te krijgen. Je plaatst de opening van die tang over de moer en door de magnetische stroom ontstaat er een werveling in de moleculaire structuur van het metaal en dus warmte. Daardoor zet de moer uit. Tien tegen één dat je hem loskrijgt.

Ik denk dat ik zelf inductie nodig heb. Werveling. Inductie tegen de impasse.