Ger Groot

Imperatief

Wie in kranten en weekbladen de rubriek ‘ingezonden brieven’ leest, stoot daarin op een subtiel verschil tussen de meningen die per brief en die per e-mail zijn ingediend. De laatste zijn gewoonlijk net een graadje scherper, bozer en botter. Het is alsof de schrijvers bewust hebben willen afzien van de afkoelingsperiode die het zenden van een brief noodzakelijkerwijs met zich meebrengt. In beide gevallen moet er worden geschreven en dat gebeurt ongetwijfeld vanuit eenzelfde opwinding. Maar daarna moet de briefschrijver nog printen, een envelop en postzegel zoeken, de deur uit op weg naar de brievenbus, waarmee hij misschien toch maar liever wacht tot het boodschappen doen van morgen – en dan blijkt het sop de kool veelal niet waard te zijn geweest.

Daar heeft de e-mailer allemaal geen last van. Eén druk op de zendtoets doet dat allemaal voor hem – en zo arriveert zijn mening met ongedempte heftigheid (en bijpassende spelfouten) bij de betreffende redactie. Daar stuit zij op de enige hobbel die zij op haar weg naar publicatie nog te nemen heeft. Een kritische blik keurt het geschrevene op publiceerbaarheid (en terloops op spelling) en besluit wellicht toch tot terzijdelegging.

Gemakkelijk spreekt de e-mailer dan van ‘censuur’, waarvan de blogger op het internet in ieder geval geen last heeft. Hij heeft het volledige proces van schrijven en publiceren in eigen hand en werkt daarom zo snel, onmiddellijk en ongeremd als maar mogelijk is. Menige internetgoeroe zag met de komst van dit nieuwe medium dan ook de ultieme democratie verwezenlijkt. Vrijheid van meningsuiting gekoppeld aan een onbegrensd verspreidingsbereik maakte iedere burger met een pc tot zijn eigen hoofdredacteur.

Intussen is het enthousiasme daarover wat bekoeld, en niet alleen omdat extremisten van islamitische tot nazistische snit daarvan als eersten de vruchten plukten. Het was de onmiddellijkheid van het medium zelf die verantwoordelijk werd voor een snelle duikvlucht in de kwaliteit van de verkondigde meningen én de toon en vorm waarin dat gebeurde. Voor ieder mens geldt nu eenmaal dat de onderbuik niet de zetel is van de meest subtiele gevoelens – en plots maakten nieuwe technieken het mogelijk deze als heuse ‘standpunten’ de wereld in te sturen. Het resultaat werd een jungle van oprispingen en oerwoudkreten waarin geen beschaafd mens lang wenst te verkeren.

Het is alsof op het internet het onbewuste van de mensheid in alle openheid aan het woord is gekomen – en anders dan de bevrijding die de internetdroom ooit (in een verlate heropleving van het denken van de jaren zestig) beloofde, betekende dat de ontketening van veel verbaal geweld. Het bewustzijn is er volgens Freud tenslotte niet voor niets. Het ordent en regelt al datgene wat vanuit de krochten van het driftleven naar de oppervlakte wil en werd door hem dan ook terecht omschreven als een instantie van heilzame censuur.

Die waarschuwing, wortelend in het diepste pessimisme van de psychoanalyse, was niet de enige die in de cybernetische bevrijdingsroes gemakkelijk vergeten werd. Ook op maatschappelijk vlak moest de scheiding tussen het private en het publieke eraan geloven. De inwendige stem die de moderne burger altijd zorgvuldig had gescheiden van zijn openbare uitlatingen klonk – in de beslotenheid van de studeerkamer die even ongemerkt als direct toegang bood tot een mondiaal forum – gemakkelijk over de grenzen van de persoonlijke betamelijkheid heen. Niemand kijkt de blogger of e-mailer bij het schrijven op zijn vingers; tegenover geen mens hoeft hij zich te verantwoorden. Maar ieder hoort en leest het resultaat van die private vrijheid als een publieke stem.

Die dubbele overschrijding maakte het internet tot een nieuwe publieke ruimte, ergens halverwege de gereglementeerde gemeenschappelijkheid en het solipsisme van het instinct. Van beide walletjes eet de blogger en door geen van beide laat hij zich gezeggen of inperken. Eindelijk kan hij uitspreken wat hij voelt en dat publiekelijk laten doorgaan voor iets wat hij denkt. Geen bedachtzaamheid komt daar meer tussen, laat staan de censurerende instantie die voorheen – en in de echte openbaarheid – gold als publiek fatsoen.

Aan de teloorgang daarvan is, strikt genomen, weinig te doen. Kranten en tijdschriften kunnen besluiten de ingezonden-brievenrubriek alleen nog voor echte brieven open te stellen, maar dat is tegenover het onstuitbaar groeiende internetverkeer en zijn privaat-publieke meningsvorming een achterhoedegevecht. Het enige beschavingsoffensief dat nog mogelijk is, lijkt het zwaktebod van de moralistische screensaver. De tekst ervan kan simpelweg de kantiaanse imperatief herhalen die ooit werd bedacht in de strijd tegen roddel en achterklap: Spreek zo dat U de uitgedragen mening altijd zonder gêne kunt herhalen tegenover diegenen die zij betreft.