Unilateraal Amerika ondermijnt zichzelf

Imperiale macht onder druk

De unilaterale koers die de VS momenteel varen, baart een stijgend aantal Amerikaanse buitenlandspecialisten zorgen. Zij vrezen dat de dominante positie van de VS hoe dan ook zal worden aangetast, net als hun hegemoniale voorgangers in de geschiedenis is overkomen.

Het is lang geleden dat er zo veel belangstelling was in de VS voor buitenlandse politiek. Het regent dezer dagen boeken, essays en commentaren over hoe die is veranderd sinds 11 september. Die dag was een breekpunt, daar is iedereen het over eens. Sindsdien is het Amerikaanse buitenland beleid plots veel agressiever unilateraal geworden. Washington volgt zijn eigen agenda en de rest van de wereld moet zich daarnaar schikken. De VS zijn zo machtig dat er weinig keus is. Dat roept wrevel op bij de bondgenoten maar ook in de VS zelf. «De groeiende consensus van ‹foreign policy thinkers› is dat hoe meer Washington zijn unilaterale en militaristische instincten volgt, hoe sneller het zijn hyperpower-status zal verliezen», schrijft Jim Lobe in Foreign Policy in Focus.

Vóór 11 september speelde het buitenland een figurantenrol in de Amerikaanse politiek. «11 september en Amerika’s post-traumatisch syndroom deden wat we altijd hadden gehoopt: ze injecteerden globale problemen in de hoofdstroom van Amerika’s bewustzijn», zegt Tom Barry, een analist van het Interhemispheric Resource Center. «Helaas werd dit nieuwe internationaal bewustzijn gekneed door de overwegend militaire reactie van de regering-Bush en gevoed door woede, angst en chauvinisme.» Tot dan was er continuïteit in de Amerikaanse buitenlandse politiek. «Clinton volgde het pad van elke president sinds Gerald Ford en Bush week daar nauwelijks van af», stelt professor Immanuel Wallerstein van Yale University. «Kijk maar hoe voorzichtig hij reageerde op de gedwongen landing van een Amerikaans vliegtuig in China in april 2001.»

Na de aanslagen verklaarde Bush de oorlog aan het terrorisme en waarschuwde de rest van de wereld: «You are either with us or against us.» «Nadat ze zelfs door de meest conservatieve presidenten waren beknot, domineerden de haviken eindelijk de Amerikaanse politiek», zegt Wallerstein. «Hun standpunt is duidelijk: de VS bezitten overweldigende militaire macht en ook als vele buitenlandse leiders het gebruik daarvan onwijs vinden, kunnen en zullen zij niets doen als Washington zijn wil oplegt.»

Volgens Wallerstein zijn er twee redenen waarom de huidige regering vindt dat ze openlijk als een imperiale macht moet optreden: «Ten eerste omdat niemand het kan beletten. Ten tweede omdat de VS, als Washington zijn macht niet uitoefent, steeds meer gemarginaliseerd zullen worden.» Dat is inderdaad het vooruitzicht waarvoor Robert Kagan, een adviseur van president Bush, waarschuwt in zijn nieuwe boek While America Sleeps. De haviken gaan ervan uit, meent Wallerstein, dat de oppositie tegen Ameri ka’s unilaterale koers, zoals inzake Irak, louter verbaal en dus niet significant is. Niemand wil de goede relaties met Washington op het spel zetten. Maar hij gelooft dat de haviken zich vergissen en dat hun beleid het verval van de Amerikaanse hegemonie inluidt. Hij betwijfelt of een oorlog tegen Irak tot een duidelijke overwinning kan leiden en voorspelt dat de Amerikaanse publieke opinie, zoals tijdens de Vietnamoorlog, zal revolteren als er «te veel» Amerikanen sneuvelen. Op economisch vlak dreigen de VS hun leidende positie te verliezen omdat ze zich blindstaren op het vergroten van hun militaire voorsprong. Hij wijst erop dat de krachtigste Japanse computer sneller werkt dan de twintig snelste uit de VS samen. Hij ziet een herhaling van «het oudste verhaal in de geschiedenis van hegemo niale machten», en schrijft in Foreign Policy: «De dominante grootmacht concentreert zich op militaire macht.»

Ten slotte verspelen de haviken in zijn ogen ook de Amerikaanse ideologische invloed. Door andere landen onder druk te zetten, raakt Amerika politiek geïsoleerd. Dat de VS in de komende tien jaar macht zullen verliezen, lijkt hem onvermijdelijk, welke politiek er in Washington ook wordt gevolgd. De politiek van de haviken zal het proces alleen versnellen. «De vraag is niet of de Amerikaanse hegemonie afneemt maar of de VS een manier kunnen vinden om gracieus naar beneden te gaan, met een minimum aan schade voor de wereld en voor de VS zelf.»

Wallerstein staat niet alleen met zijn analyse. Verscheidene auteurs articuleren de vrees dat de voortzetting van de unilaterale koers er op termijn toe zal leiden dat minder machtige landen een coalitie vormen tegen de VS. De geschiedenis leert dat hegemoniale landen vaak zo hun dominante positie verloren. Dat dit niet al eerder gebeurde, is volgens Don Kraus te danken aan Amerika’s stuwende rol in de totstandkoming van een web van internationale instituties en wetten na de Tweede Wereldoorlog. Die hebben weliswaar Washingtons vrijheid van handelen beperkt, maar juist daardoor andere landen het vertrouwen gegeven hun economie en defensie met die van de VS te verbinden, stelt Kraus in Foreign Policy in Focus. Als historici later zullen terugblikken op de opkomst en neergang van Amerika’s wereldlijke leiderschap, zullen ze volgens hem «het begin van het einde» situeren op 6 mei 2002. Op die dag draaide de regering-Bush de Amerikaanse goedkeuring van het Internationaal Strafhof terug en trok zo aan een draad waardoor het hele weefsel van multilaterale verbintenissen waaraan Washington zijn invloed dankt zou kunnen gaan rafelen.

Stephen Brooks en William Wolforth, politicologen van Dartmouth College, zijn het daar niet mee eens. In Foreign Affairs betogen zij dat de totstandkoming van een coalitie van tweederangsmachten tegen de VS onmogelijk is. Enerzijds omdat de potentiële rivalen van de VS, door hun verleden en hun geografische ligging, elkaar te diep wantrouwen. Anderzijds omdat de voorsprong van de VS op militair en economisch vlak te groot is om een anti-Amerikaanse coalitie geloofwaardig te maken. Ze analyseren alle mogelijke allianties: de EU en Rusland of Duitsland en Rusland, Rusland, China en India, China en Rusland, China en Japan en concluderen telkens dat ze te verdeeld en niet sterk genoeg zouden zijn. Geen land of groep van landen wil in een situatie belanden waardoor het Amerika’s vijand wordt. Sinds 11 september nog minder. De wereld zal volgens hen dus «unipolair» blijven.

Maar juist omdat de VS, in tegenstelling tot alle vroegere grootmachten, geen rivaal hoeven te vrezen, heeft de Amerikaanse regering een ongekende bewegingsvrijheid. Ze kan het zich veroorloven te kiezen voor een multilaterale aanpak omdat de vrees van de haviken dat de VS zullen worden gemarginaliseerd, ongegrond is. Ook al geloven Brooks en Wolforth dat de haviken gelijk hebben als ze stellen dat de oppositie van bondgenoten tegen Washingtons unilateralisme alleen uit woorden bestaat, vinden ze toch dat de VS er wel rekening mee moeten houden omdat «invloed uiteindelijk meer waard is dan macht».

Zo voegen ze zich bij de vele critici van het unilateralisme die stellen dat Washington relaties verknoeit met landen die het nodig heeft in de strijd tegen het terrorisme, de bescherming van het milieu en tal van andere globale problemen die niet met militaire macht kunnen worden opgelost. «Het succes van Amerika’s leiderschap hangt niet alleen af van onze militaire en economische macht maar ook van de ‹zachte kracht› van onze cultuur en waarden en van een beleid dat anderen het gevoel geeft dat ze worden geconsulteerd en dat we met hun belangen rekening houden», schrijft Harvard-professor Joseph Nye in zijn nieuw boek The Paradox of American Power: Why the World’s Only Superpower Can’t Go It Alone.

Dat de militaire macht van de VS onaantastbaar is, staat buiten kijf. In alle aspecten van oorlogvoering is haar superioriteit enorm. «Amerika zal die macht op zo’n niveau houden dat het voor anderen zinloos is om haar te proberen in te halen», verklaarde president Bush onlangs in West Point. Hij verhoogde de bewapeningsuitgaven met veertien procent.

De VS (vijf procent van de wereldbevolking) nemen nu 45 procent van de totale militaire uitgaven van de wereld voor hun rekening en tachtig procent van de totale militaire research. Amerika geeft meer uit aan militaire research dan de totale defensiebegrotingen van Duitsland en Groot-Brittannië samen. De achilleshiel van de Amerikaanse hegemonie is niet militair maar economisch. «Het Amerikaanse economische mirakel van het voorbije decennium werd gevoed door investeringen van 1,2 miljard dollar buitenlands kapitaal per dag, die nodig zijn om het handelstekort, nu 450 miljard dollar per jaar, te dekken», schrijft Tony Judt in de New York Review of Books. «Die enorme investeringsstroom hield de aandelen hoog, de inflatie en de rentevoeten laag en de binnenlandse consumptie op recordniveau. Elk ander land met zulke tekorten zou allang in de handen van het Internationaal Monetair Fonds zijn.»

Hoe lang kan dat zo doorgaan? Vorig jaar daalden de kapitaalinvesteringen met meer dan de helft. Tenzij de stroom weer aanzwelt, dreigen de dollar en de hele Amerikaanse economie op een fikse ontwaarding af te stevenen. Onzekerheid en oorlogsdreiging doen kapitaal uit de hele wereld naar de veilige Amerikaanse haven vluchten. Zo kunnen de haviken niet alleen de westerse beschaving maar ook de Nasdaq en de Dow Jones redden.

Het andere Amerika

De New Democrats Online noemen zich «de vernieuwers van de progressieve traditie in de Amerikaanse politiek», te vinden via www.ndol.org.

Groter is het Independent Media Institute, een soort linkse mediadenktank die zelfs een eigen jongerentijdschrift uitbrengt, onder de titel Wiretap. Het webadres is www.AlterNet.org. Veel jonger is Indymedia (www.indymedia.org), dat enkele jaren terug werd opgericht in Seattle, de hoofdstad van progressief Amerika. Het is een inmid dels wereldwijde alternatieve informatiesite, waarop uitgebreide verslagen zijn te lezen van zowel protestmarsen tegen een oorlog in Irak als van de in progressieve kring bekende Movements, maandelijks terugkerende evenementen waar kunstenaars en activisten de krachten bundelen in een poging «peace and justice» te propageren, georganiseerd door Whats Up Magazine (www.whatsupmagazine.org) in samenwerking met het Boston IndyMedia Center. Op de website van Indymedia is ook de organisatie Reclaim the Media te vinden, opgericht tegen de concentratie van mediamacht bij enkele zeer vermogende individuen en bedrijven. Ook zijn er diepgravende analyses over kapitalisme en globalisering zoals opgesteld door de intellectuelen van Znet, gegroepeerd rond de pu blieke intellectueel Noam Chomsky (zie het Groene-profiel). Voor het klassiek oud-linkse intellectuele geluid, zie hun website www.zmag.org.

Een jonger geluid komt van het Progressive Policy Institute in Washington, een heuse denktank die zich richt op de Derde Weg. Hun website (www.ppionline.org) presenteert briefings van vaste deskundigen naar aanleiding van actuele gebeurtenissen. Momenteel is te lezen hoe Andrew Rotherham leraren van middelbare scholen oproept ter gelegenheid van de verjaring van de aanslagen op het wtc de studenten te leren begrijpen wat de «gecompliceerde redenen zijn achter de aanvallen». In de economische bijdrage van deze week besteedt het ppi aandacht aan de enorme terugval van het aandeel aan de wereldhandel van het islamitische Midden-Oosten. Mede door Amerika’s toedoen daalde dat sinds 1980 met 75 procent.

Common Cause, een non-profit lobbyorganisatie voor burgers, zet zich in voor een «open, eerlijke en rekenschap afleggende regering». De organisatie vertegenwoordigt «de eendrachtige stem van het volk tegen corruptie in de regering en tegen de belangen van het grote geld».

Ook de website van journaliste Naomi Klein (www.nologo.org) mag niet ongenoemd blijven, ook al gaat het hier niet om een Amerikaans maar om een Canadees initiatief.

______________________

Een oudgediende in progressief Amerika is de econoom James Galbraith, die in de jaren vijftig boeken schreef met titels als The Concept of Countervailing Power en The Affluent Society. Deze twee klassiekers zijn tientallen keren herdrukt en ook in een Nederlandse vertaling verschenen.

Een veel recentere aanwinst voor het andere Amerika is Robert Kuttner, die vijf jaar geleden Everything for Sale: The Virtues and Limits of Markets schreef. Een citaat daaruit: «Een samenleving als grote openbare veiling is het niet waard te fungeren als politieke democratie. Het is ook lang niet zo economisch aantrekkelijk als haar voorstanders denken. We moeten argwaan koesteren tegenover deze utopie, net als we terecht argwanend waren tegenover ander utopieën. Niet alles moet te koop zijn.»

Nog recenter is het boek van de journalist Mark Hertsgaard. Hij trok de wereld rond om het beeld te vinden dat buiten de eigen grenzen van Amerika bestaat. Zijn boek, waarvan eerder een hoofdstuk verscheen in De Groene Amsterdammer, is onlangs in Nederlandse vertaling verschenen onder de titel De schaduw van de macht: Waarom de rest van de wereld Amerika haat en bewondert (Cossee).

______________________

Met het oude, onafhankelijke weekblad The Nation (www.TheNation.com) gaat het sinds 11 september opperbest. De oplage stijgt en de eigen boekenafdeling brengt geld binnen, met name met Gore Vidals Perpetual War for Perpe tual Peace: How We Got to Be So Hated en met Forbidden Truth: U.S.-Taliban Secret Oil Diplomacy and the Failed Hunt for Bin Laden van Jean-Charles Brisard en Guillaume Dasquié. Sommige van de artikelen die De Groene Amsterdammer plaatst van Naomi Klein verschijnen ook in The Nation.

Iets minder bekend is het progressieve tijdschrift Mother Jones (www.motherjones.com). Juist bekender is Harper’s Magazine (www.harpers.org) met een 152 jaar oude en rijke traditie. Ook via internet te lezen zijn Slate Magazine (slate.msn.com), met deze weken een dagelijks commentaar van Robert Wright over de War on Terrorism, en www.movingideas.org, dat is opgezet door het tijdschrift The American Prospect.

Ouderwets links is The Progressive, te vinden op www.progressive.org. Het opinieblad stamt uit 1909 en beschouwt zichzelf als een «journalistieke stem voor vrede en sociale rechtvaardigheid thuis en in het buitenland». Op de web site zijn opiniemakers als Molly Ivens en Barbara Ehrenreich te vinden.

______________________

Het «onafhankelijke» Center for Public Integrity (ook gesponsord door Barbra Streisand) is een bekende organisatie die zichzelf omschrijft als een «plaats waar waakhondjournalistiek onafhankelijk wordt verricht». Onlangs werd het boek The Cheating of America gepubliceerd, waarin documenten worden getoond die moeten aantonen hoe rijke individuen en bedrijven hun belasting ontduiken. Om strikte onafhankelijkheid te garanderen accepteert het «center» bijdragen noch advertenties van bedrijfsleven, vakbonden of overheden. De website is te vinden op www.publicintegrity.org.

Ze zijn niet de enige in hun onafhankelijkheid. In zijn zorgvuldige onpartijdigheid laat het tijdschrift Foreign Affairs (www.foreignaffairs.org) ook scherpe critici toe en is daarmee een bolwerk van democratische openheid. Alhoewel The New York Times (www.nytimes.com) en The Washington Post (www.washingtonpost.com) misschien niet progressief zijn te noemen, herbergen hun columns en commentaren vele geluiden uit het andere Amerika. De uitmuntende commentator William Pfaff schrijft voor The Los Angeles Times (www.latimes.com), een progressief dagblad dat soms verrassend eigen nieuws brengt.

______________________

Voor een vluchtige blik in het andere Amerika kan de website van Barbra Streisand dienen. De door Republikeinen gehate zangeres, actrice en maakster van mierzoete kitsch richtte haar eigen fonds op. De door haar gesteunde organisaties geven een staalkaart van progressief Amerika. De milieubeweging die op de steun van Streisand kan rekenen is de Natural Resources Defense Council (www.nrdc.org). De inwoners van het land dat zich niet gebonden voelt aan de afspraken van Kioto zijn niet zo milieuonbewust als hun regering en president doen vermoeden: in 1994 zei nog 41 procent van de Amerikanen dat de huidige wetten en regels om het milieu te beschermen niet ver genoeg gaan. Slechts achttien procent vond ze wél te ver gaan. Inmiddels zijn de cijfers veranderd, maar het Environmental Defense Fund (www.environmentaldefense.org) en The Nature Conservancy (www.nature.org) zijn sinds 1990 flink in ledental gegroeid. Omdat de tnc, de grootste Amerikaanse milieuorganisatie met jaarlijks driehonderd miljoen dollar aan inkomsten, niet meer op de regering kan rekenen, werkt de organisatie sinds kort nauwer samen met lokale gemeenschappen om te komen tot een betere balans tussen economie en natuurbescherming. Ook Friends of the Earth (www.foe.org) en de oudere, minder politieke Sierra Club (www.sierraclub.org), met zevenhonderdduizend leden, zijn organisaties met geld en uitstraling.

Onlangs in het nieuws was de minder bekende maar niet minder militante milieuorganisatie Center for Environmental Health (www.cdc.gov/nceh). Directeur Michael Green leidde de luidruchtige protesten tegen de Amerikaanse regering tijdens de speech van Colin Powell op de milieutop in Johannesburg. Hij riep als eerste: «Shame on Bush» en toonde een spandoek met: «Bush: People and Planet, not Big Business». Nadat hij uit de zaal was gezet, zei hij tegen journalisten: «Ik schaam me Amerikaan te zijn… Er moest iets gebeuren.»

Behalve aan de conservering van de natuurlijke leefomgeving geeft het fonds van Streisand ook geld aan het Institute for America’s Future (www.ourfuture.org), een progressief bolwerk dat «de boodschap» wil formuleren, en «beleids initiatieven en kritieken die essentieel zijn voor een progressief-economische en sociale agenda». Op de website staan onder meer de spraakmakende econoom en imf-afvallige Joseph Stig litz en een promotiecampagne van Straighttalk 2002, een zelfhulpboek voor activisten en linkse kandidaten voor politieke posten. Het bevat «de ingrediënten voor de progressieve zaak» en tips om conservatieve aanvallen te pareren.