Profiel: Ali al-Husseini al-Sistani

Imponerende grootayatollah

In de sjiïtische wijken van Iraakse steden kijkt van talloze muren een geestelijke met een zwarte tulband en een lange witte baard streng neer op het stadsgewoel. De geschilderde portretten zijn geflatteerd. In werkelijkheid oogt grootayatollah Ali al-Husseini al-Sistani («moge Allah hem een lang leven schenken») een stuk duffer. Op zijn website www.sistani.org staat een kleine collectie onscherpe foto’s waarop Sistani (73) slaperig uit de ogen kijkt. Dezelfde indruk biedt een videoclip op de site. Bibberig wordt ingezoomd op de grootayatollah, die naar goed islamitisch gebruik op de grond zit, op een tapijt in een vrijwel lege kamer. Sistani zegt geen woord. Hij staart met geloken ogen voor zich uit. Een kwiekere geestelijke verschijnt even in beeld met een boek. Hij slaat het open en geeft het aan zijn meester. Sistani kijkt hem dankbaar aan en begint meteen te lezen.

Je zou het niet zeggen, maar deze op het oog hulpbehoevende Khomeini-look-alike is een van de machtigste mannen van Irak. Als belangrijkste sjiïtische geestelijke van het land wordt hij door de meerderheid van de bevolking (zestig procent is sjiïtisch) beschouwd als een semi-heilige. In januari kreeg hij in Basra, Najaf en Karbala tienduizenden mensen op de been, in Bagdad zelfs honderdduizend. Dat zijn enorme aantallen in een land waar mensen nog altijd bang zijn hun mening te uiten.

De demonstraties dienden om de Amerikanen onder druk te zetten. Die willen per 1 juli de macht in Irak overdragen aan een tijdelijk parlement dat volledig bestaat uit Irakezen. De leden zouden indirect worden gekozen door lokale Iraakse bestuurders. Dat is ondemocratisch, meent de grootayatollah, want die lokale bestuurders zijn geselecteerd en benoemd door de Amerikanen, niet door het volk. Sistani eist algemene verkiezingen. Als de Amerikanen hun zin doordrijven zal volgens hem «de politieke situatie verslechteren. De veiligheidssituatie eveneens.» Onlangs nog typeerde Sistani’s hoofdkwartier de Amerikaanse plannen als «extreem gevaarlijk». Een van zijn medewerkers was directer: «Er hangt jihad in de lucht», zei hij.

Sistani’s slechte pr werkt misleidend. Mensen die hem ontmoet hebben, zijn van hem onder de indruk. «Angstig slim», noemen ze hem. Sistani schijnt een scherpe analytische geest te hebben en enorme historische, filosofische en religieuze kennis. Slechts weinigen kunnen daar echter van getuigen. Sistani verschijnt zelden in het openbaar en is wars van publici teit. Als hij al communiceert met de buitenwereld, dan doet hij dat door middel van briefjes. Onlangs nog vaardigde hij een edict uit tegen het gebruik van zijn beeltenis. IJdelheid is des duivels oorkussen, ook volgens de islam.

Sistani wordt door zijn volgelingen gepresenteerd als een wonderkind. Hij leerde op zijn vijfde de koran lezen, kreeg al filosofische lessen op zijn tiende, werd alras onder de hoede genomen van hooggeplaatste geestelijken en werd uiteindelijk de belangrijkste vertrouweling van wijlen de hoogste sjiïet: groot ayatollah Abol-Qassem Khoi. Die gaf hem op zijn 31ste het recht religieuze vragen te beantwoorden. Daarmee werd Sistani al jong een sjiïtische autoriteit die door middel van patronage, liefdadigheid en geloofsuitspraken zijn eigen schare volgelingen kweekte.

Toen Khoi in 1992 stierf, werd Sistani als zijn natuurlijke opvolger beschouwd. Tijdens het bewind van Saddam Hoessein weigerde hij het land te ontvluchten, zoals veel andere sjiïtische geestelijken deden. Saddam liet enkele hooggeplaatste sjiïeten in Najaf vermoorden, maar spaarde Sistani. Dat dankte de ayatollah waarschijnlijk aan zijn voorzichtige manoeu vres, zijn apolitieke houding en een portie geluk: twee keer mislukte een moordaanslag, waarschijnlijk beraamd door het regime.

Sistani’s huidige macht schuilt in zijn fatwa’s en andere religieuze uitingen. Voor de fanaten onder de sjiïeten is zijn woord wet. Maar ook de financiële kracht van de groot ayatollah dient niet onderschat te worden. Naar schatting tien procent van de 1,7 miljard moslims op de wereld is sjiïtisch. Vanuit de hele wereld stromen miljarden aan religieuze belasting naar de grootayatollah. Sistani heeft kantoren in Londen, Los Angeles, Dubai, Damascus, Beiroet en in de voor sjiïeten heilige steden Qom en Mashhad in Iran.

Geheel in overeenstemming met zijn apolitieke houding weigerde Sistani lang Paul Bremer, de Amerikaanse bewindvoerder in Irak, te ontmoeten. Ook andere internationale hoogwaardigheidsbekleders wees hij de deur. Maar sinds de Amerikanen in december de machtsoverdracht aankondigden, heeft Sistani zich steeds openlijker politiek uitgelaten. Dat heeft veel verbazing gewekt. Bij de Amerikanen, die zich geconfronteerd zien met een machtige tegenstander waar ze niet op gerekend hadden — tijdens de oorlog vaardigde Sistani nog een fatwa uit die Irakezen opriep zich niet tegen de Amerikanen te verzetten —, maar ook bij zijn volgelingen. In april verbood Sistani nog politieke inmenging door geestelijken. Eind januari reisde Bremer spoorslags af naar Washington voor spoedoverleg.

Volgens medewerkers en sjiïtische leden van de Regeringsraad die de grootayatollah wél toelaat, vreest Sistani dat Irak onder invloed van de Amerikanen zijn islamitische identiteit verliest. Bovendien zou hij zich als kenner van de geschiedenis gedwongen voelen lessen te trekken uit het verleden. In 1920 verloren de sjiïeten in Irak hun politieke invloed. Nadat de Britten een opstand neersloegen die zes maanden duurde, kondigde de sjiïtische geestelijkheid een boycot van het koloniale bestuur af en verbood de gelovigen met de Britten samen te werken. Sinds die tijd heeft de soennitische minderheid in Irak de meeste macht. Algemene verkiezingen zouden daar waarschijnlijk een einde aan maken.

Sistani mag dan worden beschouwd als de spirituele leider van de Iraakse sjiïeten (met zelfs een machtsbasis in Iran), hij heeft ook rivalen. Tegenstand ondervindt hij vooral van de jonge ayatollah Muqtada al-Sadr, wiens machtige vader in 1999 door Saddam werd vermoord, wat de opkomst van Sistani zeer bespoedigde. Muqtada al-Sadr is anti-Amerikaans en nationalistisch. Sistani is van geboorte Iraniër. Sadrs volgelingen vinden het onacceptabel dat een niet-Irakees zoveel invloed heeft op de toekomst van de natie. Vorig jaar vielen zeker tien doden bij gevechten in Karbala tussen supporters van al-Sistani en al-Sadr. In april belegerden volgelingen van al-Sadr het woonhuis van Sistani in Najaf.

Ook de pro-Saddam-rebellen willen van Sistani af. Als de Irakezen hun eigen bestuur kiezen valt de ideologische verantwoording voor hun opstand weg. En dan is er natuurlijk al-Qaeda. De Amerikanen claimen dat de terreurgroep (die geënt is op het streng soennitische wahabisme) door middel van aanslagen op sjiïtische doelen een burgeroorlog tussen soennieten en sjiïeten in Irak wil uitlokken.

Door zijn volgelingen te mobiliseren en tegelijkertijd de deur voor de Amerikanen potdicht te houden, heeft Sistani de wanhopige Paul Bremer in de armen van de VN gedreven. Die zijn hoe dan ook onmisbaar bij een machtsoverdracht. De VS hebben de VN gevraagd te bemiddelen in de verkiezingskwestie. En juist nú heeft de nurkse groot ayatollah besloten dat Lakdhar Brahimi, speciaal gezant van de VN, welkom is. Brahimi ging direct bij de ayatollah op de thee. Hij was het met Sistani eens, zei hij woensdag: er moeten algemene verkiezingen komen. De Britten zijn al om en ook de Amerikanen zouden op het punt staan toe te geven, meldde de Britse pers. Het ziet ernaar uit dat Sistani zijn zin gaat krijgen, al zal het organiseren van algemene verkiezingen niet voor 1 juli lukken.

Grote verliezers zijn de Amerikanen. In 1984 stuurde de regering-Reagan een speciale gezant naar Irak om Saddam steun toe te zeggen in zijn strijd tegen Iran. De Amerikanen wilden Khomeini’s opmars stoppen. Die gezant was Donald Rumsfeld, tegenwoordig minister van Defensie en derhalve nauw be trokken bij de aanstaande machtsoverdracht in Irak. Nu, twintig jaar later, zijn de bakens verzet. Als de Amerikanen de situatie in Irak niet uit de hand willen laten lopen, moeten ze samenwerken met de sjiïtische meerderheid.

De Amerikanen hebben weinig keus. Afgelopen weekend vielen in 24 uur bij verscheidene aanslagen ruim honderd doden. In Fallujah werd op klaarlichte dag een zwaarbewaakt politiebureau aangevallen. De aanvallers be vrijdden enkele gevangenen, waaronder Iraniërs. Ook drie gedode rebellen bleken buitenlanders: twee uit Iran, één uit Libanon, landen met een overwegend sjiïtische bevolking. Tussen de gedode strijders vond men een zwarte vlag, herkenningskleur van de sjiïeten.

Als nu ook sjiïeten de wapens opnemen, ziet het er wel héél slecht uit voor de Amerikanen. Op dit moment kunnen ze niet buiten de handelswaar van grootayatollah Ali al-Husseini al-Sistani: religieuze rust. In ruil daarvoor zou het toekomstige Irak wel eens sjiïtischer kunnen worden dan Donald Rumsfeld in 1984 voor mogelijk hield.