Imre Kertész (1929-2016)

De afgelopen week overleden Hongaarse schrijver Imre Kertész was een van de belangrijkste auteurs over de shoah. Wie het lot omarmt, blijft zelfs in de doodsvallei ontvankelijk voor het levenslicht.

In 1960, het jaar dat hij het boek voltooide, kon de Hongaars-joodse schrijver Imre Kertész Onbepaald door het lot aan de straatstenen niet kwijt. Pas vijftien jaar later verscheen zijn roman bij een kleine Hongaarse uitgeverij, om na een maand te verdwijnen in de ramsj. De val van het communisme in 1998 betekende niet alleen een ingrijpende politieke omslag voor Kertész, maar ook een radicale persoonlijke omwenteling. Hij groeide uit tot een van de belangrijkste auteurs over de shoah. Zijn romans, essaybundels en autobiografische notities beleefden herdruk na herdruk en vele vertalingen zagen het licht. Het leverde Kertész in 2002 de Nobelprijs voor de literatuur op. ‘Een gelukscatastrofe’ noemde hij deze gebeurtenis, blij als hij was met de onderscheiding, maar tegelijk bang dat hij de roman waaraan hij werkte niet zou kunnen afmaken. Gelukscatastrofe. Een typisch Kertész-woord.

Medium anp 43902831

Onbepaald door het lot begint met de gevangenneming van de veertienjarige Gyurka K’oves, alter ego van Kertész. Na de Duitse bezetting van Hongarije in 1944 wordt hij, op weg naar zijn werk in een olieraffinaderij van Shell even buiten de stadsgrenzen van Boedapest, samen met achttien andere jongens opgepakt. Hij zal als enige de oorlog overleven. Over deze gebeurtenis schrijft hij: ‘Die dag overkwam mij iets vreemds.’

K’ovez alias Kertész komt in Auschwitz terecht, daarna in Buchenwald en het kleinere Zeitz. Hij probeert een logica in het systeem te ontdekken. Zijn manier van kijken is ongemakkelijk voor de met verhalen, foto’s en feiten overladen naoorlogse lezer, omdat hij niet diens weerzin en ontzetting deelt. Hij is naïef. Optimistisch en afstandelijk. Dat vond destijds ook de eerste uitgever aan wie Kertész het manuscript had gestuurd.

In zijn roman Het fiasco schrijft hij over de afwijzing die hij kreeg: ‘Onze lectoren zijn eenstemmig van mening dat uw werk niet in aanmerking komt voor uitgave door ons bedrijf. Wij menen dat u tekortgeschoten bent in de artistieke bewerking van uw materiaal, hoewel het om een schokkend en gruwelijk onderwerp handelt. Dat uw roman geen schokkende ervaring is voor de lezer komt door het eigenaardige gedrag van uw hoofdpersonage. (…) De door u geschreven zinnen zijn onhandig en omslachtig geformuleerd.’

Zelf verklaart Kertész de afstandelijke blik van de hoofdpersoon onder meer vanuit een geleidelijke confrontatie met de werkelijkheid. ‘Als hij onmiddellijk bij binnenkomst door al die kennis zou zijn overspoeld en alles had begrepen, hadden zijn hersenen en hart dat waarschijnlijk niet kunnen verdragen.’ En dan, met een verwijzing naar Het proces van Kafka, een van zijn favoriete schrijvers: ‘Het vonnis komt niet plotseling, nee, de procedure gaat langzaam over in het vonnis.’

En de jongen – Kertész/K’oves – zal het vonnis aanvaarden. Op een bepaald moment gaat zijn fysieke gesteldheid achteruit, hij belandt op de ziekenafdeling, en wordt vanuit Zeitz teruggestuurd naar Buchenwald. Daar, op een kar tussen dode en halfdode mensen, bevangt hem de gedachte: ‘En in weerwil van al mijn rationele, nuchtere overwegingen, ja tegen beter weten in, kon ik de zachte, verlangende, steelse, zich als het ware voor zijn eigen dwaasheid schamende maar toch koppig volhoudende stem in mijn binnenste niet negeren. Ik wilde nog een tijdje doorleven in dit mooie concentratiekamp.’

Vergelijkbare zinnen spreekt hij uit wanneer hij na de bevrijding naar Boedapest terugkeert. Hij is vijftien en de adem van de vrijheid slaat hem in het gezicht. Zijn moeder leeft, zijn vader is dood, hij zelf is ontheemd en dan volgt de bijna koortsige slotmonoloog: ‘Wij mensen zijn in staat om alles te overleven, ook de meest ongerijmde situaties, en in de verte, wist ik, wachtte het geluk al op me, als een onvermijdelijke val. Zelfs daarginds, bij de schoorstenen van Auschwitz was er, als de kwellingen aflieten, iets geweest wat je met geluk zou kunnen vergelijken. Iedereen had het over ontberingen en gruwelen maar die kleine gelukservaringen waren het belangrijkste geweest. Ja, als ze me weer van die vragen stelden, zou ik daarover vertellen, over het geluk dat je in een concentratiekamp kunt ervaren. Als ze er ooit nog naar zouden vragen en ik dat geluk nog niet vergeten was.’

Wanneer je het lot omarmt, zal het je niet meer bepalen. Wie daartoe in staat is blijft in de doodsvallei ontvankelijk voor het levenslicht. Het zal de grondtoon van zijn schrijverschap worden.

Kertész maakt zijn gymnasium af dat hij noodgedwongen had verlaten na de bezetting door de Duitsers, werkt tot de communistische omwenteling in 1949 als journalist en daarna als fabrieksarbeider, schrijver van blijspelen en vertaler van auteurs als Nietzsche, Freud en Joseph Roth. Vanuit het verlangen ergens bij te horen wordt hij lid van de Communistische Partij. Maar in 1956, het jaar van de Hongaarse opstand gevolgd door de Russische bezetting, ontdekt hij voor de tweede keer in zijn leven onderworpen te zijn aan een totalitair regime. ‘Opnieuw maakte zich het gevoel van me meester dat ik herkende en waardoor ik in zekere zin thuiskwam: het gevoel van de absurditeit van het leven, en de eenvoudige (…) waarheid van onmacht en weerloosheid.’

‘Wij mensen zijn in staat om alles te overleven, ook de meest ongerijmde situaties’

Onder het bewind van de Hongaarse stalinist János Kádár leert hij zijn Auschwitz-ervaringen begrijpen, op een manier waartoe hij, naar eigen zeggen, niet in staat was geweest als hij in een democratie was opgegroeid. Hij maakt een vergelijking met het madeleine-koekje van Proust dat door de onverwachte smaak het verleden in herinnering roept. Het Kádár-regime is als dat koekje. Het brengt de bittere smaak van Auschwitz bij hem terug. Hij begint te schrijven over regimes die de functionele mens baren. De mens die zich aanpast om te overleven, zo verregaand dat hij zichzelf vergeet en kwijtraakt. Wat begon in de concentratiekampen krijgt in Kertész’ ogen een vervolg in het naoorlogse dictatoriale, communistische Hongarije.

Kertész is een stugge, weerbarstige, meerduidige verteller die grossiert in paradoxen. Van elke bewering in zijn boeken is in diezelfde boeken het tegendeel te vinden. Zo zegt hij in de essaybundel Ik, de ander: ‘God schiep de wereld en de mens schiep Auschwitz.’ Maar in zijn logboek Dagboek van een galeislaaf noteert hij: ‘God is Auschwitz, maar hij is ook degene die me uit Auschwitz heeft weggehaald. En die me gevraagd, ja gedwongen heeft van Auschwitz verslag te doen. God wil namelijk horen en weten wat hij op de wereld heeft aangericht.’

Kertész en God, dat is een verhaal apart. Aan het eind van Dagboek van een galeislaaf wijkt hij steeds meer uit naar de Allerhoogste. ‘Tenslotte moeten we iemand dankzeggen voor het leven, zelfs als er niemand is die onze dankzegging zou kunnen aanvaarden.’

Hij schrijft zinnen als: ‘De mens moet in bepaalde omstandigheden God bedenken en over God nadenken.’

We moeten God bedenken en over God nadenken. Waarom eigenlijk?

Volgens Jan Oegema, schrijver van onder meer Een vreemd geluk: De publieke religie rond Auschwitz, treedt Kertész met het woord ‘God’ de vrijheid binnen. Oegema denkt dat in de toekomst Kertész ontdekt zal worden als een nieuwe stem in een lange mystieke traditie. Met die blik krijgt de eerder geciteerde zin uit Onbepaald door het lot nieuwe betekenis: ‘Zelfs daarginds, bij de schoorstenen van Auschwitz was er, als de kwellingen aflieten, iets geweest dat je met geluk zou kunnen vergelijken. Iedereen had het over ontberingen en gruwelen maar die kleine gelukservaringen waren het belangrijkste geweest.’ Is dit de bijna onnavolgbare vreugde van een mysticus? Of toch de vastberadenheid van een mens die zich niet wil laten onteigenen door het lot? Die binnen een fysieke onvrijheid de mentale vrijheid koestert en bewaakt? In de woorden van Kertész: ‘Zolang we stappen ondernemen om richting te geven aan het leven, zijn we vrij van het lot, dan is er helemaal geen lot, dan zijn wij zelf het lot.’

Ten onrechte wordt Kertész vaak in één adem genoemd met Primo Levi en Jean Améry. Waar de beide laatsten alsnog door de vernietiging werden ingehaald toen ze de hand aan zichzelf sloegen, transformeert Kertész de gifbeker tot levenselixer. Hij ziet het als zijn opdracht om zijn hart niet te sluiten voor de condition humaine maar het juist ervoor te openen, inclusief alle ellende die ook in die menselijke conditie besloten ligt.

Maar dat brengt onvermijdelijk met zich mee, zo blijkt uit Dagboek van een galeislaaf, dat depressie, wanhoop en gevoelens van onmacht zijn deel worden. Hij is als overlevende een uitzondering, een bedrijfsongeval. In zijn woorden: ‘Wie in leven blijft is altijd schuldig. Maar ik zal de wond dragen.’

Dan vindt er een merkwaardig voorval plaats dat de spreekwoordelijke zalf op die wond is. Op een dag bezorgt de post een grote bruine envelop. Afzender is de directeur van de gedenkplaats in Buchenwald. In de envelop zit een kopie van het originele dagbestand van het kamp op 18 februari 1945. In de rubriek Abgange staat een aantekening over de dood van gevangene nummer vierenzestigduizendnegenhonderdeenentwintig, Imre Kertész. Hij is dus al eens gestorven om te kunnen leven, en, zegt Kertész, misschien is dat mijn ware verhaal. ‘Dat iemand is geboren, wil nog niet zeggen dat hij op de wereld is’, citeert hij de Hongaarse schrijver Szomory. Kertész is twee maal geboren en pas de tweede keer om te leven en op de wereld te zijn.


Colet van der Ven is auteur van ’_Het kwaad en ik: Een zoektocht naar de wortels van geweld’ _(Lemniscaat 2015); dit is een bewerking van een hoofdstuk daaruit


Beeld: Imre Kertész en zijn vrouw Magda bij de opening van de Internationale Boekenbeurs in Boedapest, 2004 (Attila Kisbenedek /AFP / ANP)