In 1619 besteeg ‘Nederlands grootste staatsman’ het schavot

Raymond van den Boogaard blogt op ongezette tijden over de boeken die hij zoal leest. Vandaag over Johan van Oldenbarnevelt.

Satire op het proces tegen Oldebarnevelt van Cornelis Saftleven, uit 1683. De 24 rechters zijn als beesten afgebeeld. De olifant, met voorzittersmuts, is Nicolaas Cromhout, president van het Hof van Holland. De pauw is de Amsterdamse regent Reynier Pauw, een felle contra-remonstrant. Rechts wacht het vuur van de hel op de rechters. © Rijksmuseum

Omdat mijn vader niet wilde dat zijn zoon op weg naar school elke dag een drukke weg zou oversteken, hebben de onthoofding van Johan van Oldenbarnevelt in 1619, en vooral de verantwoordelijkheid van stadhouder Maurits daarvoor, altijd mijn belangstelling gehad. De dichtstbijzijnde openbare lagere school bevond zich namelijk aan de andere kant van die drukke weg. Vrijwel naast ons huis daarentegen was een Lagere School met de Bijbel, van christelijk-gereformeerde signatuur. Die heb ik van de vierde tot en met de zesde klas bezocht – als, voorzover ik weet, enige niet-christelijke, ongelovige leerling van de hele school.

De geschiedenislessen waren voor een aanzienlijk deel gewijd aan de Tachtigjarige Oorlog, en ze waren buitengewoon grondig. Voor het reformatorisch volksdeel was – en is – die episode van kardinaal belang: als bakermat van de Nederlandse natie niet alleen, zoals voor alle Nederlanders, maar ook als een voorbeeld van wat het ware geloof vermag. De Opstand tegen Spanje was, in de door mijn onderwijzers gehuldigde visie, immers primair een calvinistisch verzet tegen het bestuur van de roomse dwingeland Philips II geweest.

Deze mede door warme Oranjeliefde gekenmerkte opvatting had gevolgen voor de behandeling van de twisten tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-1621), toen de jonge Republiek verzeilde in een burgeroorlog-achtige situatie die door theologische meningsverschillen tussen verschillende groepen calvinisten in gang was gezet. Rechtzinnige gomaristen, ook contra-remonstranten genaamd, huldigden de opvatting dat de mens geen invloed had op de goddelijke voorbeschikking (predestinatie), ten aanzien dus van de vraag wie t.z.t. verdoemd of verlost zal zijn. De rekkelijke arminianen oftewel remonstranten – Gomarus en Arminius waren twee elkaar bestrijdende theologen – meenden dat de mens door een goed en vroom leven zijn lot tenminste een beetje kon beïnvloeden.

Het hoog oplopende conflict verbond zich al spoedig met allerlei andere politieke en sociale splijtstof in de nog jonge Republiek. Prins Maurits heulde met de contra-remonstranten, veelal eenvoudig kerkvolk, die de ‘publieke kerk’ van de calvinisten – de enige ‘officiële’ kerk in de Republiek – wilden zuiveren van Arminianen en daartoe een Nationale Synode wilden organiseren.

Maurits vond Johan van Oldenbarnevelt (1547-1619), de landsadvocaat van Holland, tegenover zich. Deze formidabele staatsman vreesde een machtsgreep die zeer ten koste zou gaan van de oligarchie van de stedelijke regenten en de gewestelijke autonomie. Oldenbarnevelt, van mening dat de Opstand niet uitsluitend om het geloof was begonnen maar ook staatkundig van aard was, dolf in dit ingewikkelde conflict, dat al spoedig ook militaire aspecten had, het onderspit. De confrontatie tussen de twee machtigste mannen van de Republiek eindigde met een proces van twijfelachtige allure, waarbij Oldenbarnevelt ter dood veroordeeld werd. Op 13 mei 1619 werd hij op het Binnenhof terechtgesteld. Een van de onbewezen suggesties in het vonnis was dat de landsadvocaat, die de onderhandelingen over het Twaalfjarig Bestand geleid had, het wellicht wel op een akkoordje had willen gooien met de Spanjaarden, en daarmee ’s lands juist bevochten onafhankelijkheid op het spel had gezet.

Op mijn School met de Bijbel bestond geen twijfel aan het gelijk der rechtzinnigen en Maurits – tenslotte danken de christelijk-gereformeerden hun bestaan als kerkgenootschap aan een dissidente groep binnen de Nederlandse Hervormde Kerk in 1834 die – oppervlakkig bezien – wel enige overeenkomst vertoont met de gomaristische factie van het Twaalfjarig Bestand. Maar die executie van 1619 was wel een beetje een pijnlijk punt, en is dat al eeuwen. Was het nu echt nodig geweest om de 72-jarige Oldenbarnevelt, een man met grote verdiensten voor de opbouw van de jonge Republiek, als verliezer het hoofd af te hakken?

Maurits had dit door een pardon kunnen verhinderen en heeft dat niet gedaan – geen voorbeeld van christelijke naastenliefde. Mijn geschiedenisboekje had daarvoor een verklaring: Maurits had het graag gewild, maar de veroordeelde had zich niet ootmoedig betoond en had voor zijn daden geen excuses willen aanbieden. Dus was executie onvermijdelijk. Dat trof mij, als twaalfjarige, als een uitgesproken zwakke redenering. Toen bij het volgende proefwerk de vraag gesteld werd waarom Maurits aan Oldenbarnevelt geen gratie had verleend, schreef ik rebels dat hier van ‘moord’ sprake was. In het nagekeken proefwerk stond met rode pen in de kantlijn dat dit antwoord ‘onjuist’ was, maar niet fout werd gerekend. Gewetensvrijheid is in reformatorische kring een groot goed.

Maar was het ook moord? Ofschoon er dagen voorbij gaan waarop ik niet aan het Twaalfjarig Bestand denk, heeft die vraag mij nooit verlaten. Voor Joost van den Vondel was het zeker moord, toen hij in 1631 – veilig jaren na de dood van Maurits – in zijn prachtige gedicht Ziekentroost voor de Vierenentwintig (de 24 rechters van het proces namelijk) schreef: ‘Niemandt kan de wellen stoppen/ Van die Moort.’ In zijn treurspel Palamedes vergeleek Vondel Maurits zelfs met de bloeddorstige Romeinse keizer Nero. Maar goed, dat schreef de (overigens doopsgezinde) Vondel nog ten tijde van de Republiek – een staat waarvan de geschiedenis zo rijk is aan heftige politieke conflicten dat je je afvraagt hoe in ’s hemelsnaam Nederland komt aan de faam een vredig land te zijn waar zelden iets gebeurt.

In 2000 verscheen de biografie Maurits van Nassau: De overwinnaar die faalde van A.Th. van Deursen (1931-2011), een geweldig historicus die bovendien een van de weinige belangrijke Nederlandse intellectuelen uit reformatorische kring was. Op mijn ‘moord-vraag’ geeft Van Deursen in dat boek geen duidelijk antwoord. ‘Of het anders had kunnen lopen, is een vruchteloze vraag’, schrijft de geleerde ontwijkend. ‘En als we hier afsluiten met de conclusie dat beide partijen (Maurits en Oldenbarnevelt) dwaalden in goede trouw, dan zal dat nog altijd naar beide kanten wrevel wekken.’ Dat heeft de geleerde, wat mij betreft, goed gezien, van die wrevel.

Van Deursen had overigens een bepaald originele kijk op de betekenis van de godsdiensttwisten van het Twaalfjarig Bestand. Nederlanders, schrijft hij, ‘zijn eraan gewend door de middengroepen geregeerd te worden’. De beweging van de contra-remonstranten, en meer in het bijzonder de Synode van Dordrecht in 1618 waarbij de rekkelijken de publieke kerk uit werden geflikkerd, ‘schijnt een van de zeldzame momenten waarop de radicalen gewonnen hebben’. Hij vergelijkt dat met een ander, naar zijn mening even zeldzaam moment: de staatsgreep van 22 januari 1798, toen de voorstanders van de eenheidsstaat met de Bataafse revolutie op de loop gingen, ten detrimente van de leden van de Nationale Vergadering die de gewestelijke autonomie wilden beschermen. Al na een half jaar hernam de Bataafse omwenteling ‘haar vertrouwde gematigde koers’, aldus Van Deursen. Iets dergelijks geschiedde in zijn visie na de Synode van 1618: de remonstranten stonden weliswaar voortaan buiten de publieke kerk, maar iedereen hervatte in 1621 eensgezind de strijd tegen Spanje.

Nu, net op tijd voor de vierhonderdste verjaardag van Oldenbarnevelts onthoofding, is er een boek verschenen waarin mijn vraag expressis verbis beantwoord wordt: De zaak Oldenbarnevelt: Val, proces en executie van Wilfried Uitterhoeve. ‘Van een gerechtelijke moord is mijns inziens sprake als de tegenstander wordt gedood, niet geheel en al zonder proces, maar dan wel in een proces met als vooropgezet en vaststaand doel de tegenstander te doden. Dat is hier niet het geval geweest’, schrijft Uitterhoeve.

De beschrijving van het proces, en de daaraan voorafgaande verhoren, is het interessantste deel van De zaak Oldenbarnevelt. Uitterhoeve is, behalve historicus, ook jurist, meldt de achterflap. Over de auteur is verder verrassend weinig te vinden. Hij is, krijg je de indruk, geen academicus en heeft al eerder aardige historische boeken het licht doen zien, de meeste in verband met de Bataafse tijd. De zaak Oldenbarnevelt lijkt duidelijk met veel plezier geschreven, door iemand die oprecht wilde weten hoe het nu precies zat met dat proces en de executie – gebeurtenissen die eeuwenlang in Nederland onderwerp van meningsverschillen waren. Overigens heb ik bewondering voor iedereen die, zoals Uitterhoeve, in staat is tot een heldere weergave van de gebeurtenissen tijdens het Twaalfjarig Bestand, want de twisten, net als alle verhoudingen in de Republiek, zijn van een hallucinerende complexiteit.

Na zijn arrestatie is Oldenbarnevelt eerst maandenlang verhoord, in een kamer aan het Binnenhof. Het was een zogeheten ‘inquisitoir’ proces, zonder een duidelijke aanklacht vooraf en zonder dat de beklaagde recht had op bijstand door een advocaat. Uitgangspunt was crimen laesae majestatis (majesteitsschennis), een misdaad die zowel landverraad (aan een vreemde mogendheid) als hoogverraad (aan de eigen functie) kon omvatten. Normaal gesproken moest zo’n proces met een bekentenis eindigen, desnoods op de pijnbank. Maar marteling van een 72-jarige die tot dan de wellicht machtigste man van de Republiek was geweest, durfden Maurits en de zijnen toch kennelijk niet aan.

Landverraad – dat Oldenbarnevelt de Republiek had willen verkwanselen aan Spanje, Engeland of Frankrijk – kon tijdens verhoren en proces van geen kant worden hard gemaakt. Hoogverraad was natuurlijk voornamelijk een kwestie van politieke inschatting. Inderdaad had Oldenbarnevelt als landsadvocaat de steden van Holland (en Utrecht) het recht gegeven ‘waardgelders’ in dienst te nemen, huursoldaten waarmee verhinderd zou kunnen worden dat de contra-remonstrantse massa’s de kerkgebouwen of zelfs de macht zouden overnemen. Maurits, als opperbevelhebber van de reguliere troepen van de Staten-Generaal, beschouwde dat als landverraad. Oldenbarnevelt gaf toe dat hij er beducht voor was geweest dat de contra-remonstranten, als ‘prince geuzen’, de stadhouder tot soeverein vorst van de Republiek hadden willen uitroepen. Maurits ontkende bij hoog en bij laag zulke ambities te koesteren.

Het beroemdste politieke proces uit de Nederlandse geschiedenis wordt door Uitterhoeve op de voet gevolgd, voorzover de bronnen dat toelaten. Het is zeker een spannend boek, ook voor wie de uitkomst kent, en Uitterhoeve slaagt erin de talrijke vertakkingen en complicaties van het verhaal een plaats te geven, zonder te vervallen in partijdigheid of vergroving van de feiten.

Het proces biedt, zoals de meeste politieke processen, weinig aanleiding tot nationale trots. Oldenbarnevelt wordt veroordeeld op juridisch rammelende gronden, waarbij de uitlatingen van de beklaagde tijdens de verhoren uiterst selectief worden geciteerd en uit hun verband gerukt. Het heeft er trouwens alle schijn van dat de rechtbank – die als gevolg van politiek-militaire manipulaties van Maurits geheel uit tegenstanders van Oldenbarnevelt bestond – niet eenstemmig tot de doodstraf besloot. Het vonnis werd daarop alleen getekend door de griffier, namens alle 24 rechters – een zeer Nederlandse oplossing, lijkt me.

Moord of niet – ook dat is een kwestie van inschatting. Zeker is dat het verhaal van Oldenbarnevelt de hele Republiek door levende geschiedenis is gebleven, van stal gehaald als schande en afschuwwekkend voorbeeld tijdens de talloze confrontaties tussen de regenten-oligarchie en stadhouders in later tijd. En dat ging na 1813 door. Oldenbarnevelt wordt dan een symbool van liberale verdraagzaamheid en tolerantie – en als een schrikwekkend voorbeeld van wat er gebeuren kan als de door halfbakken ideeën verblinde, onbeschaafde massa’s de macht dreigen te grijpen, en redelijkheid en verstandigheid het onderspit delven. Uitterhoeve parafraseert in dit verband Oldenbarnevelt zelf met de uitspraak: ‘Het is beter verheerd te zijn dan verknecht, want de heren gaan altijd wel te werk met onderscheidingsvermogen, de knechten niet.’

En vandaag de dag? Wellicht kan de herlevende belangstelling voor het nationaal verleden ook de wat uit het oog verdwenen Tachtigjarige Oorlog weer wat terug in de kijker brengen, na decennia waarin de Nederlandse samenleving geïntegreerder, consensueler en vrediger dan ooit leek. De twisten van het Twaalfjarig Bestand zijn echter geen aantrekkelijk verhaal voor wie graag een gemeenschappelijk verleden van alle Nederlanders wil promoten: het is alles partijschap, godsdienstconflicten en politiek geweld wat de klok slaat – allemaal dingen die ons als 21ste-eeuwers minder vreemd zijn dan we misschien zouden wensen.

Vergeten is Oldenbarnevelt niet. Het SP-Kamerlid Ronald van Raak heeft vorig jaar de regering gevraagd om bij de ophanden zijnde grondige renovatie van de gebouwen aan het Binnenhof actief op zoek te gaan naar het gebeente van Oldenbarnevelt, wiens lijk daar na executie ergens gedumpt moet zijn. Premier Mark Rutte leek dat een uitstekend idee. Oldenbarnevelt, zei hij Van Deursen na, is immers ‘de grootste staatsman die Nederland in al die eeuwen van zijn bestaan heeft gekend’. En wat mijzelf betreft: drie jaar School met de Bijbel hebben me bijbelkennis gebracht, en respect voor het reformatorisch volksdeel, dingen waarvoor ik dankbaar ben. Maar de genade des geloofs is mij niet geworden – om even in jargon te blijven.