De verheffende trots van Albert Murray

In alles Amerikaans

Schrijver en blues-exegeet Albert Murray wantrouwde het idee dat het zwarte Amerikaanse leven kon worden samengevat met de stopwoorden slavernij en onderdrukking. Daarvoor had hij een te hoge dunk van de zwarte cultuur.

Medium mr. murray strand

Hij overleed in 2013, Albert Lee Murray, 97 jaar oud. Ja, een veelbewogen leven, zoals dat heet wanneer je bijna een eeuw in je botten hebt zitten, maar vooral toch: een voorbeeldig Amerikaans leven. Murray werd geboren in Alabama, het diepe, gesegregeerde zuiden van Amerika; bezocht het beroemde all black Tuskegee Institute, nog opgericht door de legendarische zwarte leider Booker T. Washington; daar was Ralph Ellison zijn medeleerling, de latere schrijver van de roman Invisible Man (1952); de band tussen de twee mannen groeide uit tot een allesbepalende vriendschap die tot aan Ellisons dood in 1994 stand hield.

De zuidelijke zwarte jongeman was inmiddels verhuisd naar het noorden, waar hij aan New York University zijn master behaalde en waar hij relatief laat, als vijftiger, debuteerde. Als wat? Als schrijver, kunstcriticus, literair recensent, dichter, muziekkenner, filosoof, algemeen publiek intellectueel, connaisseur van de jazz, en eerste exegeet van de blues. Daarvoor was Murray officier bij de Amerikaanse luchtmacht – er zijn artistiekere kringen denkbaar. Deze laatbloeier liet in 1970 op een volstrekt originele manier van zich horen met de publicatie van de essaybundel The Omni-Americans, een boek dat tegen de tijdgeest in ging van Black Power en zwart nationalisme, maar dat toch, moesten de critici erkennen, een door en door zwart Amerikaans boek was.

Vilein, tegendraads en hautain nam Murray het op voor het beste van zwart Amerika, voor complexiteit en excellentie – en al die kwaliteiten vielen wat hem betrof niet te herleiden tot een Afrikaans verleden, maar moesten worden gezocht in het samengestelde, gemengde karakter van Amerika. De Afrikaanse ‘diaspora’ had juist in Amerika gezorgd voor een hypersensitieve cultuur, de cultuur van de ‘brown skinned men’ zoals Murray hardnekkig bleef zeggen, want hij geloofde niet in de politieke dichotomie van zwart versus wit. De titel zegt het al: The Omni-Americans, de ‘Alles-Amerikanen’, die elkaar vanuit verschillende etnische origines zozeer beïnvloed hebben dat zonder zwart, bruin, joods, latino en Italiaans er helemaal geen specifieke Amerikaanse cultuur zou bestaan.

Diversiteit is de essentie van Amerika, schrijft Murray, met een open oog voor het paradoxale van die uitspraak.

Na zijn opzienbarende maar matig verkochte debuut zouden nog vele boeken volgen: een roman, essays, een dichtbundel, muziekkritieken, memoirs, en vooral de blues verheerlijkende geschriften, zoals Stomping the Blues en The Hero and the Blues, waarin Murray met een volkomen vanzelfsprekendheid uitlegt dat de jazz-, blues- en soultraditie tot de grootste muzikale vernieuwing na Bach behoort, en trouwens ook nog eens de ultieme verbeelding is van het Amerikaanse improvisatietalent, en o ja, de kern uitmaakt van de democratische cultuur in de Verenigde Staten. Punctum.

Een buitengewoon zelfverzekerde zwarte Amerikaanse profeet. Deze maand, bijna vier jaar na Murrays dood, verschijnt bij de prestigieuze Library of America Collected Essays Memoirs van Albert Murray, 1072 pagina’s dik. Klassieker kun je het niet krijgen. Hier wordt een Amerikaanse held geëerd.

En toch moest het Amerikaanse weekblad The Nation na zijn overlijden terecht constateren dat Albert Murray geen begrip is geworden in Amerika, en niet of nauwelijks deel uitmaakt van de eerbiedwaardige zwarte canon, waartoe Duke Ellington behoort, Billy Holiday, Count Basie, Richard Wright, Martin Luther King, John Coltrane, Malcolm X, James Baldwin, Stokely Carmichael, Toni Morrison en natuurlijk ook Murray’s levenslange vriend Ralph Ellison, met wie hij een uitvoerige correspondentie onderhield (gepubliceerd onder de titel Trading Twelves: The Selected Letters).

Murray was wereldberoemd in zeer beperkte kring. In het Engels laat zich dat prachtig omschrijven: ‘The name Albert Murray was never household familiar’, noteert The Nation. Dat is misschien verbazingwekkend, maar ook ontzettend waar. Murray is en blijft een Geheimtip wiens uitzonderlijkheid wordt erkend in jazzkringen, in zwarte academische en literaire milieus. Maar dat heerlijke ‘household familiar’, waardoor je even vanzelfsprekend naar Martin Luther King grijpt als naar een aardappelschilmesje – die praktische, huishoudelijke status heeft Murray nooit bereikt.

Je zou willen dat Murray wordt gebruikt en hergebruikt, zoals Malcolm X routineus even langskomt wanneer er iets radicaals gezegd moet worden, of minstens gesuggereerd. Je kijkt naar al die Nederlandse basisscholen, in Twente of Friesland, die naar King zijn vernoemd, nog voor de eerste zwarte Nederlander zich er kon melden. Maar Murray is, ook binnen Afro-Amerikaanse kring, nog vaak de grote onbekende.

Daar zijn redenen voor: Murray’s schrijfstijl is complex, zijn ideeën laten zich maar moeizaam tot slogans verkleinen, laat staan tot politieke slogans. Bovendien wordt Murray’s lezer geacht vanzelfsprekend op de hoogte te zijn van de moderne Amerikaanse en Engelse wereldliteratuur, maar even zo goed van de Amerikaanse jazz- en bluesgeschiedenis; uiteraard moeten Hegel, Marx, Nietzsche en Freud uitputtend gelezen zijn, maar ook wordt verwacht dat de lezer vertrouwd is met het zwarte Amerikaanse vernacular, de Afro-Amerikaanse straat- en spreektaal; en wie niet alle beroemde zwarte sporthelden paraat heeft, van baseball tot basketbal, struikelt veelvuldig over namen.

‘Ze leven con gusto en met een gevoel voor elegantie die ze door andere bevolkingsgroepen regelrecht wordt benijd’

En dan nog moet Murray’s ideale lezer bestand zijn tegen forse doses ironie, soms op het sardonische af, alsof er een gesprek tussen vrienden wordt gevoerd waarin roddel, overtuiging, principes, exposés, filosofische maximes en geintjes elkaar afwisselen in een onnavolgbaar tempo; upbeat is het minste wat je ervan kunt zeggen.

Maar de belangrijkste reden voor Murray’s relatieve onbekendheid moet wel zijn dat hij zo helemaal niet paste in de tijd die hij geacht werd te belichamen. De Amerikaanse jaren zestig en zeventig waren radicale jaren, van Black Consciousness, Black Power, Black Panther, de Nation of Islam en Black Nationalism. Murray bezag al die toen nieuwe fenomenen met een kritisch oog, een oog dat bovendien niet vlammend oplichtte bij al die ‘race oriented politics’, zoals hij het enigszins geringschattend noemde.

Als debutant van middelbare leeftijd was Murray al niet hip; hij verbeeldde veel meer de tijd van daarvoor, de Jazz Age, en die van de Harlem Renaissance, toen stijl en een nieuw estheticisme de uithangborden werden van zwarte schrijvers en kunstenaars. Als je Murray leest over de ontiegelijke verdiensten van de jazz – verdiensten voor de hele mensheid, voor minder deed hij het niet – dan hoor zelfs ik een denkbeeldige zwarte grootvader, die waarschuwt tegen al die elektronische herrie, en die akoestisch wil en geen rap of house en die de latere Miles Davis al kantje boord vindt. Hier spreekt een zwarte estheet, die zijn smaak heeft bepaald, een smaak die niet samenviel met de politiek revolutionaire mode van die tijd.

Murray was zeker geïnteresseerd in politiek en sociale kwesties, hij schreef er uitvoerig over, maar hij verzette zich tegen de ‘alles opslokkende politisering’ van de zwarte ervaring; hij wantrouwde het idee dat het zwarte Amerikaanse leven kon worden samengevat met de stopwoorden slavernij, onderdrukking en nog-steeds-veel-onderdrukking. Daarvoor had hij een te hoge dunk van die zwarte cultuur.

Zijn wereldberoemde collega Ralph Ellison had het zich al afgevraagd: hoe is het toch mogelijk dat het lijkt alsof zwarte Amerikanen alleen maar hebben gereageerd op de witte suprematie? Hebben ze in al die eeuwen zelf geen tegencultuur ontwikkeld, die nu eens niet op het conto van wit Amerika kan worden geschreven? ‘Are American Negroes simply the creation of white men, or have they at least helped to create themselves out of what they found around them?’

Murray was net als Ellison een klassieke culturalist; hij was niet iemand die de verschrikkingen van de zwarte Amerikaanse geschiedenis wegwuifde – hoe kan het ook als je in 1916 geboren bent in Alabama – maar hij bleef er hardnekkig van overtuigd dat die verschrikkingen niet opwogen tegen de inventiviteit en zelfs de superioriteit van de cultuur die zwarte Amerikanen tegen alle logica in tot bloei lieten komen. Murray klinkt lyrisch als hij het over stijl heeft, zwarte stijl, de manier waarop zijn zwarte buurjongen in Harlem dat petje net even anders weet te draperen en over straat loopt alsof hij een koninkrijk te vergeven heeft. De elegantie van de dans, van de muziek, ja zelfs van de seksuele vrijmoedigheid, zoals die usance was in die legendarische woonwijk, Harlem – pardon, Uptown New York. (Murray woonde nadrukkelijk niet in Harlem, het was ‘Uptown New York’ volgens eigen zeggen. Waarom zou alleen het deel rond Central Park tot Uptown behoren?)

Elegant, wereldwijs, savvy en sophisticated: daar stond de zwarte Amerikaanse cultuur voor. Want was die niet aanstekelijk, ook, of juist voor blanken? Murray vond het ontoelaatbaar dat sociale wetenschappers van goedwillende liberale snit deze culturele rijkdom reduceerden tot eenoudergezinnen, getto’s en disfunctionele families. Als de zwarte Jan Blokker van die dagen ging hij tekeer tegen ‘those theorists and social welfare technicians whose statistics-orientated interpretations of black experience add up to what functions as a folklore of white supremacy and a fakelore of black pathology’; witte suprematie, zwarte pathologie – alsof het rijke, sociale en culturele leven van zwarte Amerikanen daarmee afdoende was behandeld. Het beroemde Moynihan-rapport over ‘The Negro Family’ (1965), opgesteld door de Amerikaanse socioloog Daniel Patrick Moynihan, waarin de zwarte armoede- en gettocultuur wordt herleid tot ervaringen in de slavernij, vond Murray wetenschappelijk gesproken hoogst dubieus. Hij sprak honend over ‘social science fiction writers’.

Medium murray 5th ave

Een trotse zwarte man, die gezien zijn geboorteplaats en -jaar de adem van de slavernij nog in zijn nek heeft gevoeld, maar de slavernij als allesverklarende factor voor de misère én verdiensten van zwart Amerika: no way.

Hij behoorde tot een zwarte, zelfbewuste elite, niet op grond van zijn afkomst, die zeer eenvoudig was, maar door eigen verdienste, door het vergaren van cultureel kapitaal. Dit is een kenmerkend citaat van Murray: ‘Tenslotte zal er toch iemand moeten zijn die laat zien wat Amerikaanse Negers (sic) bevalt aan hun zwart-zijn en wat ze bevalt aan het Amerikaans-zijn. (…) want ze leven con gusto en met een gevoel voor elegantie die ze door andere bevolkingsgroepen regelrecht wordt benijd.’

‘Amerika is niet zozeer een natie van zwarte mensen en witte mensen. Het is een natie van veelkleurige mensen’

Het was zeker in die Vietnamtijd ongehoord om het Amerikaans-zijn van de zwarte bevolking te benadrukken: het motto was back to your roots, terug naar Afrika dus. Andere spijtoptanten, zoals de schrijver Richard Wright (Native Son) en James Baldwin, vertrokken naar het blanke maar niet-gesegregeerde Europa. Maar Murray is voor alles een Amerikaan: ‘De Verenigde Staten is niet zozeer een natie van zwarte mensen en witte mensen. Het is een natie van veelkleurige mensen.’ Om daar, in zijn bijtende idioom aan toe te voegen: ‘Any fool can see that the white people are not really white, and that black people are not black. They are all interrelated one way or another.’

Nog even over Tuskegee, waar de jonge Murray school ging en waar de zwarte emancipatiebeweging dankzij Booker T. Washington zo ongeveer haar oorsprong vindt: niet alleen was het stadje streng gesegregeerd, zoals de hele staat Alabama en de rest van het zuiden, en waren de Ku Klux Klan en lynchings reële gevaren, ook werd hier gedurende jaren een verbijsterend medisch experiment uitgevoerd op zwarte dagloners, onder toezicht van de U.S. Public Health Service. Tussen 1932 en 1972 (!) werd in het geheim onderzoek gedaan naar de ‘progressie van onbehandelde syfilis’, waarbij 399 besmette zwarte mannen werden gebruikt en 201 mannen die syfilisvrij waren. Zij kregen als tegenprestatie te eten en te drinken en een gratis begrafenisverzekering; dat laatste kwam zeker van pas, want een medische behandeling kregen ze niet, ook niet toen in 1947 penicilline standaard werd als medicijn tegen syfilis. Het zou nog tot 1997 duren totdat de toenmalige president Bill Clinton zijn officiële excuses aanbood. Inmiddels waren er tientallen mensen gestorven en onnodig besmet geraakt, waaronder ook veel vrouwen.

Tuskegee: de bakermat van zwarte trots. En ook: Tuskegee, het stadje van het ‘alledaags racisme’, al is die omschrijving veel te eufemistisch voor de gruwelijkheden die er soms zelfs met overheidspermissie plaatsvonden.

Dit was de wereld van Murray’s jeugd: als baby van een zeer jong stel werd hij ter adoptie gegeven en kwam terecht bij de familie Murray. Vader Murray was heel licht gekleurd en ‘could pass for white’, zoals dat toen heette. Ik heb altijd het idee dat Murray om die reden nooit heeft willen meedoen aan het populaire politieke spelletje dat ontstond in de jaren zestig: ‘wie het zwartst is, is het best’. Murray geloofde in een zwarte cultuur en erkende ‘Black, Brown and Beige’. Hij geloofde niet in ‘het zwarte ras’. Hij geloofde ook niet in een ‘identity politics of grievance’ (een identiteitspolitiek gebaseerd op grief klacht) die ook nu weer aan populariteit wint.

Ik wil maar zeggen: de jonge Murray had alle redenen om zich te ontwikkelen tot de meest woedende activist in Amerika – meer dan Malcolm X, en zeker meer dan Civil Rights-activist Stokely Carmichael. En laat het gezegd zijn: ook koesterde Murray geen enkele illusie over de ‘liefdadigheid’ van blanken en het ingesleten patroon van white supremacy. Maar anders dan de latere protestgeneratie kozen Murray en zijn leeftijdgenoten voor de vlucht naar voren – voor excellentie in de kunst en levenskunst, voor een zekere hooghartigheid ten opzichte van hun blanke landgenoten, voor een superieure zwarte stijl. Want, schrijft Murray: ‘Het oproepen van schuld en schuldgevoelens bij niet-zwarte Amerikanen is misschien een methode, maar zelf geloof ik meer in het stimuleren van intelligente actie.’ En die ‘intelligente actie’ vond Murray in romans, in blues, jazz en zeker ook in de politiek: Martin Luther King rekent hij tot de ‘aristocratie van zwart Amerika’.

Die zelfbewuste, voorwaarts gerichte blik van Murray – ik moet als vanzelf denken aan een afdelingsvergadering van de sdap rond, zeg, 1917. De verheffingsgedachte. Met dit verschil dat de arbeidersbeweging haar achterban wilde laten kennismaken met de burgerlijke cultuur (Mozart, Mahler) en dat Murray en zijn generatiegenoten van meet af aan het experiment omhelsden en zich profileerden als een avant-garde die heel Amerika een nieuw en ongekend lesje zou leren.

Het blijft verbazen hoe een zwarte Amerikaan, die zo’n beetje de hele twintigste eeuw heeft doorstaan, zo onbeschadigd kan blijven, zo niet-getekend. Het moet te maken hebben met een vorm van innere Emigration, het teruggrijpen op een wilskrachtig innerlijk leven, ook als de omstandigheden daar niet altijd aanleiding toe geven.

Henry Louis Gates, de Afro-Amerikaanse Harvard-professor en misschien wel ’s lands bekendste zwarte intellectueel, die ook Murray’s verzameld werk verzorgde, is een groot bewonderaar van Murray. Bij eerste kennismaking met The Omni-Americans herinnert Gates zich: ‘Het was alsof ik samizdat las tijdens het stalinisme.’

Murray’s ideeën over zwart en blank Amerika, en de onlosmakelijke verbondenheid tussen die twee, moeten in de jaren zeventig ongepast hebben geklonken. De tegenstem, het geluid van een waarlijke non-conformist in die van non-conformisme vergeven tijd. Tegen de orkaan van het zwarte nationalisme en separatisme in merkt Murray droogjes op: ‘This is simply not the time for the politics of unexamined slogans.’ Alstublieft, geen politiek van de onbewezen slogans.

En ook in het marxisme zag Murray geen heil. Zeker niet in de vulgaire samenvatting die zwarte activisten eraan plegen te geven. Het was toen al mode in Amerika – in Nederland gebeurt alles later – dat zwarte en gekleurde studenten, middle class, in het bezit van leuke VW Kevers die ze nog van vader hadden gekregen, zich afficheerden als fieldslaves, veldslaven, in tegenstelling tot de even gekleurde, maar Uncle Tom-achtige ‘house slaves’ – zwarte bedienden binnen het huis. Proletariaat versus bourgeoisie. De klassenstrijd binnen zwart. Marxism for blacks.

‘Als je zwart Amerika uitsluitend in termen van ras en klasse beziet, snap je niet wat er werkelijk aan de hand is’

Het gebeurt ook hier: zwarte Nederlanders die je tussen neus en lippen door verwijten dat je een ‘house slave’ bent – een rasverrader. Alsof we elkaar nog kennen van de plantage, en niet uit Amsterdam, zelfde café. Blanke, nee, witte Nederlanders die het ook zomaar even suggereren. Murray zei het toen al zo: ‘De pseudo-wetenschappelijke aanname dat marxistische beginselen onverkort van toepassing zijn op de zwarte erfenis, de huisslaaf/veldslaaf-verdeling op de plantages (…) is absurd. (…) Het enige wat racisten niet kunnen velen van succesvolle zwarten is hun arrogantie.’

Murray had niet het idee dat zwarten die middle class zijn of worden iets verraden. Kleur noch klasse. ‘Laat de Franse existentialisten maar klagen over ons (Amerikaanse – sts) oppervlakkige materialisme. (…) Het is de zogenaamde zwarte middenklasse die de grootste, en vanuit blank oogpunt bezien meest beangstigende bedreiging vormt voor de huidige, witte status-quo.’

Sociale mobiliteit, niet als teken van verraad maar eerder als opdracht: Murray is afkomstig uit een generatie die de ‘sprong voorwaarts’ moest maken – een sprong die zijn (groot)ouders vanwege Jim Crow en andere praktische bezwaren niet was gegeven.

1996, Iowa City. Dit stadje, precies in het midden van de VS, is niet bepaald vergeven van de Afro-Amerikanen. Wel van schrijvers, want hier loopt het meest prestigieuze creative writing program van alle Amerikaanse universiteiten. Ik ben hier een paar maanden op uitnodiging als de Nederlandse deelnemer, en al die tijd lijd ik aan heimwee, als een kind van acht. Ik verlang niet terug naar eigen huis, Amsterdam of vrienden, maar naar mijn toenmalige Afro-Amerikaanse geliefde, de grote zwarte man die ik in Amsterdam ontmoette, en die ik daar achterliet. Ironie: ik in zijn land, hij in het mijne. Deze omweg heb ik nodig om te beschrijven waarom de ontmoeting met Stanley Crouch zo’n indruk op me heeft gemaakt – en indirect, hoe ik vertrouwd raakte met het werk van Albert Murray.

Liefdesheimwee dus, en een en al oog en oor voor de kleine Afro-Amerikaanse gemeenschap in Iowa City. Amerika biedt de Europeaan iets nieuws: een grote, kritische zwarte massa, die de tijd en de mogelijkheden heeft gekregen om niet met ‘één mond’ te hoeven spreken, maar die net zo heterogeen is als welke Amerikaanse bevolkingsgroep dan ook. In die tijd begreep ik ineens die wat raadselachtige titel van Ellison: Invisible Man. Want hoezo was een zwarte man in de jaren veertig en vijftig onzichtbaar? Hij valt toch juist op in die overwegend blanke omgeving. Dan pas begint het me te dagen dat Ellisons protagonist door de blanke meerderheid niet wordt opgemerkt als individu, maar uitsluitend als een specimen van zijn ‘soort’. Groepslid, weer een andere zwarte.

Die avond zit ik in het café, en aan de bar laat een zeer luidruchtige Afro-Amerikaan van zich horen, van wie ik meteen weet dat-ie niet uit Iowa City komt. We maken kennis, het blijkt om Stanley Crouch te gaan, de schrijver, dichter, essayist en jazzkenner wiens werk ik oppervlakkig ken. Wat ik niet weet: hij is de protégé van Albert Murray, zo’n beetje de zoon die de oude schrijver zich wenste. Goed, volgt een indringend college over het niet te overschatten belang van Murray. Enorm hiaat in mijn algemene ontwikkeling, Jezus, wat een mazzel dat Crouch dit lichtbruine Europeaantje nog een beetje kan bijspijkeren. Geen genade – als je toch familie bent, is alles geoorloofd.

Crouch zelf, leer ik later, was in zijn jonge jaren een hartstochtelijke ‘zwarte nationalist’ die vooral heil zag in zwarte separatie en Alleingang. Van dat gedachtegoed heeft Murray hem hoogst persoonlijk bevrijd. Want van hem leerde Crouch dit: ‘Als je zwart Amerika uitsluitend in termen van ras en klasse beziet, snap je niet wat er werkelijk aan de hand is.’

Ik zal door toedoen van Crouch in New York kennismaken met de grote Amerikaanse meester: Albert Murray is dan tachtig jaar oud, stralend, prikkelend, plagerig en volgens Crouch de ‘King of Cool’ – de hoogste lof voor een zwarte man in (zwarte) jazzkringen.

Ik heb dan al The Omni-Americans gelezen, en weet in eerste instantie niet wat me overkomt. Zo’n idiosyncratische zwarte stem die tegen alle politieke platitudes in zijn eigengereide gelijk haalt. Na lezing is het boek zwaar bekrast – zoveel zinnen verdienen uitroeptekens en opmerkingen in de kantlijn. Hier spreekt een individualist, die cultureel gesproken uiterst avant-gardistisch is en in politieke zin gematigd progressief. Ik denk dat hij later verheugd moet zijn geweest met de komst van Barack Obama – zo helemaal de exponent van een nieuwe generatie van zwarte zelfverheffers.

Maar het meest nog verrast me dit: naarmate ik meer van Murray lees, en de rijkdom van zijn werk doorgrond, bekruipt mij een tamelijk gênante en sentimentele behoefte: om Murray tot mijn zwarte (groot)vader te rekenen, van de familietak die ik niet ken. Om me in te schrijven in zijn geschiedenis, en in die van andere onafhankelijke zwarte denkers, die de gemeenplaatsen mijden en het telkens weer opnemen voor eigenzinnigheid – ook, of juist als die tegen de haren in strijkt van welke ‘gemeenschap’ ook.

Ik durf te beweren: Albert Murray is in mijn leven inmiddels ‘household familiar’.


Albert Murray: Collected Essays Memoirs, onder redactie van Paul Devlin en Henry Louis Gates jr., Library of America, 1072 blz., $ 45

Beeld: (1) Albert Murray bij Strand, New York, eind jaren zeventig (Estate Albert Murray); (2) Albert Murray, op de kruising van 59th Street en Fifth Avenue, New York, jaren zestig (Estate Albert Murray)