Essay: De cultuurkloof tussen Europa en de VS

In Amerika is de mens van nature goed

Het echte gevaar van de plannen van president Bush voor Irak is dat ze zijn gebaseerd op de overtuiging dat het kwaad kan worden uitgeroeid. Augustinus wist wel beter. En Europeanen, na eeuwenlange ervaring, ook.

Volgens Javier Solana, voormalig secretaris-generaal van de Navo en momenteel de hoge afgezant van de Europese Unie voor buitenlandse relaties en veiligheid, wordt het Amerikaanse buitenlandbeleid — met name ten opzichte van het terrorisme — in toenemende mate bepaald door een geloof in het kwaad. In Europa zien we terrorisme als één van verscheidene bedreigingen voor de wereld. Daar horen armoede en klimaatverandering bij, en allemaal hebben ze oorzaken die kunnen worden aangepakt. In contrast daarmee wordt in Amerika terrorisme beschouwd als een ultiem kwaad, het werk van duistere krachten dat moet worden verslagen en uitgebannen. Die kloof in transatlantische opvattingen is niet zomaar een afspiegeling van uiteenlopende belangen en prioriteiten. Het is een verschil in cultuur. De opvatting van het kwaad die de huidige Amerikaanse buitenlandpolitiek stuurt, is begrijpelijk tegen de achtergrond van de intense religiositeit waarvan de Amerikaanse cultuur is doordrongen. Alleen in die context kan Saddam Hoessein of de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie PLO worden voorgesteld als een manifestatie van pure kwaadwilligheid. In het seculiere, postchristelijke Europa, lijkt Solana te suggereren, geloven we simpelweg niet op die manier in het kwaad.

Solana — wiens gedachten werden weergegeven in een recent kranten interview — kan niet worden beschuldigd van het ventileren van anti-Amerikaanse vooroordelen. Hij is zijn leven lang al een atlanticus, wiens weergave van het Amerikaanse beleid uiterst goed geïnformeerd is en strookt met veel van de signalen die uit Washington komen. Niet alleen de beroemde «as van het kwaad»-speech, waarin zeer verschillende regimes worden samengepropt in één enkele categorie van algehele verdorvenheid, maar ook vele publieke statements wijzen erop dat machtige elementen in het Witte Huis het internationale systeem zien in termen van een absoluut conflict tussen goed en kwaad.

Op zichzelf is dat niets nieuws. Het onderverdelen van de wereld in goodies en baddies is altijd een kenmerk van het Amerikaanse denken geweest. President Ronald Reagan verketterde in de jaren tachtig de Sovjet-Unie als een «rijk van het kwaad». Veel eerder in de twintigste eeuw vormde een vergelijkbare opvatting de basis van president Woodrow Wilsons geloof dat de enige redding voor Europa was om zichzelf te herscheppen naar een Amerikaans model van nationale zelfbeschikking. Tegenwoordig is het idee dat de Verenigde Staten de belichaming zijn van alles wat goed is in de wereld een geloofsartikel in de «nieuwe strategische doctrine» die afgelopen september werd gepresenteerd aan het Amerikaanse Congres, waarin president Bush verklaarde dat er «één enkel duurzaam model voor nationaal succes» bestaat: Amerikaanse democratie en vrij ondernemerschap. Dat wilsoniaanse geloof in universele democratie is het een en ander verschuldigd aan de Europese Verlichting, maar in de grond is het een inheems Amerikaanse geloofsovertuiging, geworteld in het geloof dat de Verenigde Staten door God zijn uitverkoren om vrijheid en deugdzaamheid te brengen in een duistere wereld.

Met hun herhaalde ervaring van verwoestende oorlog staan Europeanen terecht wantrouwend tegenover pogingen diplomatie te transformeren tot een morele kruistocht. Solana verdient lof omdat hij openlijk spreekt over een transatlantische culturele kloof die met de dag groter wordt. Maar dan nog lijkt me dat zijn analyse van het Amerikaanse buitenlandbeleid in één cruciaal opzicht misleidend is. De implicatie is dat Amerikanen geloven in het kwaad en Europeanen niet. Het is een diagnose die Amerikaanse neoconservatieven — die al te graag Europeanen afschilderen als bedrieglijke, moreel relativistische slapjanussen — van harte zullen omarmen. In werkelijkheid is het tegenovergestelde waar. Het is juist ongeloof in het kwaad dat tegenwoordig typisch Amerikaans is.

Afgelopen maart schreef Jennifer Szalai in de New Statesman over dit onderwerp, en zij citeerde Jean-Paul Sartres commentaar na een ontmoeting met een goedbedoelende Amerikaan die ervan overtuigd was dat oorlog voorgoed kon worden uitgebannen als de internationale verhoudingen maar in handen waren van redelijke mensen: «Ik geloof in het bestaan van het kwaad en hij niet.» Sartre wist het werkelijke verschil te vangen tussen Amerikaanse en Europese wereld beschouwingen zoals we die vandaag aantreffen. Ondanks al haar niet-aflatende vroomheid staat de Amerikaanse cultuur ver af van de traditionele christelijke doctrine dat het menselijk leven onvermijdelijk is verdoemd door zonde. Veeleer wordt de Amerikaanse cultuur bezield door wat altijd is beschouwd als ketterij — de pelagiaanse doctrine dat de mens van nature niet slecht is maar juist in wezen goed.

Pelagius, geboren ergens in Keltisch Engeland in het midden van de vierde eeuw, was een theoloog die roem verwierf door de leer van Augustinus aan te vallen, die stelt dat het kwaad een intrinsiek onderdeel van de menselijke natuur is. Volgens Augustinus kunnen en moeten mensen streven naar het goede, maar kunnen ze dat nooit volledig realiseren. De maatschappij en de regering zullen altijd radicaal onvolmaakt zijn. Pelagius verwierp deze buitengewoon zinnige Augustijnse opvatting en legde de basis voor een traditie van denken die uiteindelijk zou leiden tot de geboorte van het moderne humanisme.

Als George W. Bush de taal van het kwaad gebruikt om het internationale systeem te beschrijven, doet hij meer dan het transponeren van theologische categorieën naar het altijd ambivalente domein van diplomatie en oorlog, waar ze overduidelijk niet thuishoren. Hij onderschrijft het ketterse geloof dat het kwaad uit de wereld kan worden gebannen door een daad van menselijke wil. Bush is buitensporig dol op het overdrijven van de dreiging voor de wereld van kwade krachten, maar hij toont niet de minste twijfel dat, met de juiste soort morele vastberadenheid, ze volledig kunnen worden vernietigd. Hij staat ver af van de christelijke opvatting dat mensen een diepgewortelde voorliefde hebben voor het kwaad, en wordt gedreven door een militante versie van het pelagiaanse geloof dat de menselijke wil in staat is alle kwaad dat we in de wereld tegenkomen uit te roeien. In contrast daarmee zien Europeanen elke keuze die moet worden gemaakt in internationale relaties als een keus uit diverse kwaden. Lange ervaring heeft ze geleerd dat in gevaarlijke conflicten de beste bedoelingen de gruwelijkste gevolgen kunnen hebben. Ongetwijfeld blijven ze hopen op een betere wereld, maar ze zijn zich altijd bewust van de risico’s van te veel enthousiasme. Zelfs waar Europeanen geheel seculier lijken wat hun wereldvisie betreft, heeft de geschiedenis de meeste van hen tot instinctieve augustinianen gemaakt.

Het gevaar van de Amerikaanse buitenlandpolitiek is niet dat die is geobsedeerd door het kwaad maar dat ze is gebaseerd op het geloof dat het kwaad kan worden uitgeroeid. Het is een overtuiging die de Britse premier lijkt te delen. Toen hij steun beloofde aan de Amerikaanse «war on terror» verklaarde Tony Blair: «We zullen niet rusten voordat dit kwaad is verdreven uit onze wereld.» Weinig diplomaten of militairen delen zijn visie dat het kwaad voorgoed kan worden uitgeroeid.

De geschiedenis lijkt erop te wijzen dat het gevecht tegen het terrorisme een lange strijd is waarin vrede nooit voor lief kan worden genomen. In Noord-Ierland is een contra-terrorisme-campagne — die zowel vredes- als veiligheidsmaatregelen behelsde — al decennialang bezig. Ze heeft uiteindelijk de belangrijkste hoofdpersonen het politieke proces binnen gebracht, maar het terrorisme is nog steeds niet verdwenen. Hetzelfde geldt voor Baskenland. In geen van beide gevallen is de contra-terrorisme-strategie mislukt. Integendeel, ze is geslaagd: de dreiging is overwonnen, ingeperkt en gereduceerd tot meer acceptabele niveaus.

De risico’s van de opvatting dat het kwaad kan worden uitgebannen zijn veelvuldig, en nergens zijn ze zo evident als in het Amerikaanse beleid jegens Irak. Met een overdonderende slagkracht tot hun beschikking kan het vertrouwen van Amerikaanse militaire strategen dat het huidige Irakese regime zonder veel moeilijkheden kan worden vernietigd, gerechtvaardigd blijken; maar het platte optimisme van de civiele leiders van Amerika met betrekking tot de kosten en risico’s van de reconstructie van Irak in de nasleep van een oorlog is hopeloos misleidend. Zelfs als hij snel voorbij is, zal een oorlog een verschrikkelijke menselijke prijs eisen. Vele duizenden mensen zullen worden gedood, honderdduizenden onderworpen aan extreem lijden. Het aantal vluchtelingen zou in de miljoenen kunnen lopen. Dat zijn geen nuttige voorwaarden voor een snelle overgang naar een stabiele democratische regering, met name in een staat die zeer verscheiden etnische en religieuze groeperingen heeft, waarvan sommige in het recente verleden doodsvijanden zijn geweest. Er zou een lange periode van bezetting nodig kunnen zijn. Per slot van rekening zijn VN-troepen al bijna veertig jaar op Cyprus, waar ze een vuil maar veel minder gevaarlijk conflict in de hand houden dan we waarschijnlijk gaan zien in Irak. Toch spreekt het Witte Huis over een bezetting van Irak die slechts achttien maanden zal duren.

Die inschatting onderstreept een meer verregaand gebrek aan realisme in het Amerikaanse denken. Voor de pro-oorlog-factie die lijkt te hebben overheerst in de vernietigende strijd van de regering-Bush is het afzetten van Saddam Hoessein slechts de eerste stap in het opnieuw vormen van een groot deel van het Midden-Oosten. Niet alleen Irak, maar ook Saoedi-Arabië, Iran en enkele andere landen lijken kandidaten voor «regime change» te zijn. Dictatuur moet worden verdreven en democratie ingesteld in de hele regio. Vanuit één perspectief is dit grootse plan een herhaling van de plannen van Woodrow Wilson voor Midden- en Oost-Europa in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog. Wilsons droom van nationale zelfbeschikking ging ten onder in de bloederige realiteiten van etnisch nationalisme. Als de VS iets vergelijkbaars proberen in het Midden-Oosten kan het resultaat alleen maar hetzelfde zijn, zoniet erger. De macht van Amerika wordt in de hele regio intens gehaat. Inheemse dictaturen zullen door het volk waarschijnlijk meer gerechtvaardigd blijken dan democratieën die door de VS worden gesteund.

De gevolgen van een Amerikaanse militaire bezetting van Irak zullen hoogstwaarschijnlijk niet beperkt blijven tot de Golf. Ze zouden heel goed gevoeld kunnen worden tot maar liefst in Pakistan, dat de eerste mislukte staat zou kunnen worden met nucleaire mogelijkheden, en in Indonesië, het grootste moslimland van de wereld. Voor de duidelijkheid, dit zijn risico’s en geen zekerheden, maar ze moeten worden ingecalculeerd samen met het onbetwijfelbare kwaad van een oorlog. De optie van simpelweg het goede kiezen, bestaat niet. Het is waar dat als de VS niet ten oorlog trekken eveneens groot kwaad kan ontstaan. Saddam zou kernwapens in handen kunnen krijgen; het Midden-Oosten zou het toneel van een kernwapenwedloop kunnen worden. Aan de andere kant, de invasie van Irak zou niet zo soepel kunnen verlopen als gepland. Als Saddam Amerikaanse of Israëlische troepen aanvalt met chemische of biologische wapens, kunnen we er dan zeker van zijn dat kernwapens niet zullen worden gebruikt als reactie? Tot nu toe, ondanks proliferatie naar stalinistisch Rusland en maoïs tisch China, heeft afschrikking gewerkt. Sinds de bombardementen op Hiroshima en Nagasaki zijn er geen kernwapens meer gebruikt. Zal de wereld beter worden als ze worden ingezet als onderdeel van een poging hun aanschaf door een onfris regime tegen te houden?

De niet-aflatende optimistische morele visie die onder de Amerikaanse buitenlandpolitiek ligt, verhindert een duidelijke inschatting van die risico’s, omdat ze ons ervan weerhouden toe te geven dat we in internationale relaties gewoonlijk worden geconfronteerd met keuzes uit verschillende kwaden. Ook verhindert het eerlijkheid over meer wereldse belangen — zoals zekere olievoorraden en de vooruitzichten op herverkiezing van Bush. Het geloof dat het kwaad uit de wereld kan worden verbannen, voedt een verkeerd gevoel van morele zuiverheid. De politiek van de VS wordt, net als die van iedere imperialistische macht, grotendeels gedicteerd door Realpolitik. Moraliteit, hoewel ze buitenlandpolitiek kan inperken, kan nooit de belangrijkste kracht zijn bij het vormgeven ervan. Dat is een harde waarheid, maar een waarheid die al lange tijd bekend is bij augustinianen. Het gevolg van het ontkennen ervan is dat zelfs wanneer oprechte morele bezorgdheid zich aandient in internationale aangelegenheden, ze wordt behandeld met cynisme.

De critici van Amerika veroordelen Bush’ oproep de wapens op te nemen tegen het kwaad als een expressie van religieus fundamentalisme. En het is zeker waar dat fundamentalisme een alarmerende greep heeft op de Amerikaanse regering. Maar als Bush zo aanhoudend praat over het kwaad is dat omdat hij hoort tot een traditie van Amerikaanse vroomheid die er uiteindelijk niet in gelooft. Net als Woodrow Wilson voor hem twijfelt hij er niet aan dat zogauw de wereld eenmaal Amerikaanse waarden heeft geaccepteerd, ze eeuwige vrede en voorspoed zal kennen. Dat is niet altijd de Amerikaanse visie op de dingen geweest. Voor de Founding Fathers waren mensen gebrekkige wezens die door geen enkele verandering in instituties fundamenteel konden worden verbeterd. Het doel van regeren was niet om ons naar het beloofde land te leiden maar om de telkens terugkerende kwaden af te weren waar het menselijk leven van nature toe geneigd is.

Heden ten dage is dit verstandige en realistische perspectief zeldzaam en de politiek wordt bestuurd door een beschamend moreel optimisme. Dat is een merkwaardige toestand, aangezien de waarheid van menselijke onvolmaaktheid die is vastgelegd in religieuze mythes is bevestigd in de meest geavanceerde ontwikkelingen van het moderne denken. Freud en de socio biologie zijn het eens wat betreft het stellen van definitieve grenzen aan de mogelijkheden van menselijke vooruitgang. Zonder enig theïstisch narratief over de val van de mens te onderschrijven, rechtvaardigen ze de waarheid van de erfzonde. De revival van de taal van het kwaad in de toespraken van Amerikaanse leiders betekent niet dat die oeroude waarheid is herontdekt. Integendeel, het is een teken dat we op de drempel staan van een ander groots experiment: het her-scheppen van de wereld, met al de kluchtigheid en gruwelen die er altijd mee gepaard gaan.

John Grays volgende boek, Al Qaeda and What It Means To Be Modern, wordt in mei gepubliceerd door Faber and Faber

© New Statesman

Vertaling: Rob van Erkelens