Interview complotdenker Jim Marrs

«In Amerika is geen sprake van een vrije pers»

De keizer van de Amerikaanse complotdenkers is Jim Marrs. Na een ophefmakend boek over de moord op Kennedy en een exegese van het buitenaards leven, onthult hij in ‹War on Freedom› de waarheid over de aanslagen op 11 september 2001, belooft hij.

Dat de geruchten over de dood van de Amerikaanse tegencultuur hogelijk overdreven zijn, werd vorige week bewezen in het Amsterdamse hotel Krasnapolsky, waar een keur van sprekers uit de subculturele regionen van de Amerikaanse historiografie acte de présence gaf tijdens de eerste Europese Nexus-conferentie. Degenen die naar de conferentie kwamen in de veronderstelling dat het ging om een initiatief van de elitaire denktank Nexus van de Universiteit van Tilburg kwamen al snel bedrogen uit. Nexus blijkt in dit geval de naam van een Australisch tijdschrift voor New Age-achtige inzichten. De enige spreker uit Nederland was de nog altijd onvermoeibare Willem Oltmans, wiens kruistocht tegen de Verenigde Staten als ’s werelds terroristenstaat nummer één harmonisch aansloot bij de monologen van de Amerikaanse sprekers.

Van die laatsten was de Texaanse schrijver Jim Marrs zonder enige twijfel de grootste attractie. Marrs is sinds de verschijning van zijn boek Crossfire: The Plot that Killed Kennedy in 1989 de ongekroonde keizer van de Amerikaanse complotdenkers. Crossfire werd een onverbiddelijke bestseller in de VS nadat regisseur Oliver Stone de rechten van het boek kocht voor zijn film JFK (1990). Marrs was als scriptadviseur nauw bij die film betrokken. Het succes van boek en film maakte van de Texaanse journalist in één klap een nationale beroemdheid. Geen talkshow in de VS bleef onbezocht, en Marrs maakte van de twilight zone van de Amerikaanse geschiedschrijving zijn specialiteit. De voormalige verslaggever van de Fort Worth Star-Telegram wierp zich na de Kennedy-moord met nog meer Anklang op de Amerikaanse obsessie met buitenaards leven. Zijn boek The Alien Agenda: Investigating the Extraterrestrial Presence Among Us, uitgegeven door het prestigieuze Harper’s Collins, werd een soort bijbel voor de vele ufo-gelovigen in de VS. Niet iedereen was gelukkig met deze wending in Marrs’ loopbaan. Zijn voormalige collega en vriend Dave Perry waarschuwde het Amerikaanse publiek voor de ongebreidelde fantasie van de bestsellerauteur: «Jim heeft de neiging om alles te geloven», zei Perry, die de voorzichtige schatting deed dat «per miljoen woorden die Marrs schrijft er ongeveer tien waar zijn».

Desalniettemin maakt het thema van Marrs’ nieuwste boek nieuwsgierig. In The War on Freedom belooft Marrs met vele nieuwe feiten te zullen komen omtrent de ware gebeurtenissen op 11 september 2001. Marrs was naar Amsterdam gekomen om wat publicitair voorwerk te verrichten, maar kreeg, nauwelijks ingetrokken in zijn Amsterdamse hotel, een forse teleurstelling te verwerken: uitgever Harper’s Collins liet per fax weten af te zien van publicatie. Voor de aimabele, witbebaarde Texaan was het niet de eerste teleurstelling van de dag. Een paar uur eerder had Marrs tijdens een wandeling door de Amsterdamse binnenstad bij een paar jongens moeten bedelen voor teruggave van zijn Stetson-hoed. Marrs: «Die jongens pakten mijn hoed af omdat ze dachten dat ik als Amerikaan zeker voor de oorlog was. Pas toen ik luid en duidelijk liet weten dat er ook Amerikanen tegen de oorlog zijn, kreeg ik hem terug. Daarna zag ik een groot spandoek hangen bij een monumentaal pand aan de grachten met de mededeling: ‹Yankee, go home›. George W. Bush heeft het reizen naar Europa voor Amerikanen er bepaald niet makkelijker op gemaakt.»

Als reden voor de weigering van zijn nieuwste manuscript voerde de vaste uitgever van Jim Marrs aan dat men de nabestaanden van de slachtoffers van «9-11» niet voor het hoofd wilde stoten. Een kulreden, vindt Marrs: «Er zijn maar liefst zeshonderd families van slachtoffers van 9-11 die geen genoegen nemen met de officiële waarheid omtrent de aanslagen op de WTC-torens. Zij hebben advocaten in de arm genomen om er achter te komen in hoeverre de Amerikaanse autoriteiten van tevoren op de hoogte waren van de aanslagen. Deze families zouden zonder twijfel graag mijn boek willen lezen, want daarin zouden ze een schat aan informatie vinden die hen verder kon helpen in hun zoektocht naar de waarheid. De regering-Bush heeft onderzoek naar de vraag waarom 9-11 heeft kunnen gebeuren altijd tegengehouden, uit naam van de nationale cohesie, maar er komt ongetwijfeld een dag dat de waarheid niet langer valt tegen te houden, al kun je je afvragen hoe lang dat proces nog op zich zal laten wachten. Gegeven de Homeland Security Act, de wet op de binnenlandse veiligheid die de regering-Bush direct na 9-11 in 24 uur door een totaal verbouwereerd Congres heeft kunnen jagen, zal dit soort waarheidsvinding wellicht als staatsgevaarlijk worden bestempeld. De Amerikaanse media hebben tot nu toe verbijsterend weinig informatie gegeven over de ware toedracht van 11 september. Maar ja, van die media had ik al geen hoge pet op. In de Verenigde Staten is er heden ten dage eigenlijk geen sprake meer van een vrije pers, je hebt alleen nog maar grote concerns die in de eerste plaats zijn gebrand op het verkopen van reclamezendtijd, niet op waarheidsvinding.»

Volgens Marrs kregen de Amerikaanse inlichtingendiensten CIA en FBI al twee maanden voor 11 september waarschuwingen binnen dat de groep rond Osama bin Laden aanslagen in petto had op Amerikaanse doelwitten. Marrs: «Die waarschuwingen kwamen van de Russen en de Israëliërs, maar ook van de Taliban in Afghanistan. Maar er werd geen enkele actie ondernomen. Dit kan mogelijk worden verklaard aan de hand van de vroegere harmonieuze relatie op zakelijk gebied tussen het Bin Laden-imperium en de Bush-familie. Zo was Osama’s broer Salem bin Laden tot zijn mysterieuze dood bij een vliegtuigongeluk in Texas in 1988 een goede vriend van de familie Bush. Salem leverde George W. Bush het geld voor zijn oliemaatschappij Arbusto Oil, die hij samen met de Texaanse zakenman James R. Bath opzette. Tijdens de eerste Golfoorlog gold het bouwconsortium van de Bin Laden-familie, Bin Laden Construction Brothers, als een betrouwbare partner voor president George Bush, die later via het internationale adviesbureau de Carlyle Groep een directe zakenpartner van het Bin Laden-imperium in Saoedi-Arabië werd. Mijn theorie is dat deze nauwe economische relatie tussen het Bush-imperium en de Bin Ladens heeft geleid tot blindheid voor de plannen van Osama. Hoewel ik zeker niet uitsluit dat die blindheid voor een deel ook voortkwam uit berekening. In 1941 had president Roosevelt via een Nederlandse onderzeebootkapitein ook al informatie gekregen over de ophanden zijnde Japanse aanval op Pearl Harbor. Omdat die aanval het Witte Huis niet slecht uitkwam — het was uiteindelijk de aanleiding voor de Amerikaanse deelname aan de Tweede Wereldoorlog — werd indertijd niets met die informatie gedaan. Hetzelfde scenario zou kunnen worden toegepast op 9-11, dat Bush uiteindelijk de kans gaf zijn plannen ten aanzien van Afghanistan en Irak en God mag weten welke landen nog meer te verwezenlijken.»

Dat de Amerikaanse regering geweld tegen de eigen bevolking niet schuwt, blijkt volgens Jim Marrs uit het recent verschenen boek Body of Secrets: Anatomy of the Ultra-Secret National Security Agency van James Bamford, waarin officiële documenten werden vrijgegeven van «Operation Northwoods». Marrs: «Dat gaat om plannen die in 1961, na het echec van de invasie van de Varkensbaai in Cuba, door de CIA en het ministerie van Defensie werden opgesteld met als doel de Amerikanen rijp te maken voor een militaire actie tegen het regime van Castro. Daarin werden als mogelijke strijdmethoden geopperd om ‹a series of well-co-ordinated incidents› te plannen in en om de Amerikaanse marinebasis van Guantanamo Bay op Cuba, inclusief het opblazen van vliegtuigen en opslagplaatsen van munitie. Ook werd overwogen een terreurcampagne te beginnen in Miami, zogenaamd uit naam van de communisten, waarbij onder meer Amerikaanse passagiersvliegtuigen zouden worden gekaapt. Het bleef dankzij het verzet van president Kennedy bij plannen, maar er is, kortom, wel degelijk een precedent. Noem me maar paranoïde, maar dan antwoord ik met het beroemde gezegde van de schrijver William Burroughs: ‹Just because you’re paranoid doesn’t mean that they are not after you›.»

Wordt het, kortom, niet de hoogste tijd dat Jim Marrs asiel gaat aanvragen in Nederland? vragen we hem aan het eind van het gesprek. Monter verklaart Marrs: «O nee, geen denken aan. Ik ben een echte Amerikaan, nog veel Texaanser dan alle Bushes bij elkaar. Amerika werd geboren uit naam van de vrijheid, het is het land van de vrijheid, en dat wilde ik graag zo houden.»