‘Vrouwen te gast’ (1979) © Bertien van Manen

Het beetje geschiedenis dat ik van je ken, heb ik lang geromantiseerd: vader sloeg jou om ons allen weg te jagen, omdat hij wist dat we beter verdienden, beter af waren zonder hem.

Zo heb ik mezelf lang voorgelogen.

Je kent mijn jeugdvrienden, vrijwel allemaal zonen van afwezige vaders. Je hebt me willen behoeden voor slechte vrienden, omdat slechtheid volgens jou besmettelijk is, vandaar dat ik vaak loog over hun uitspattingen. Met hen deelde ik een mantra: we zouden nooit onze vaders worden. We deden weleens een smeekbede voor hen, onze handpalmen naar de hemel. Vergeef hen, ya Allah, ze weten niet wat ze ons en onze moeders hebben aangedaan, prevelden we.

Maar voor jou heb ik nog meer dua’s gedaan.

Als het niet goedbedoeld was, die losse handjes van vader, vertelde ik mezelf, dan kwam het wel omdat die arme man zich een van de uitverkorenen uit ons geboortedorp waande, huis en haard verliet, in ruil voor groot geluk, dacht hij, net als die tienduizenden andere arbeidsmigranten die in de jaren zeventig vanuit mediterrane landen naar Nederland kwamen. Tot hij hier in Holland zijn ruggengraat en knieën in fabrieken en kassen versleet, werkte onder erbarmelijke omstandigheden, heimwee had, rouwde om ons dorp. Logisch, nietwaar, dat hij zo gefrustreerd was en zich uitleefde op jou. Dat het migreren ook wat met jou gedaan zou kunnen hebben, daar had ik nooit bij stilgestaan. De verhalen over en van migrantenvrouwen en hoe ze hier leefden had ik nooit gehoord.

Pas een paar jaar terug hoorde ik jouw levensverhaal, zij het uit andermans mond. In een theatertje bij ons in de buurt, vlak bij de Haagse Markt. Vijf vrouwen stonden op het podium. Voor het eerst. Allemaal in het zwart. Allemaal met roots in verre oorden. Toen ze hierheen kwamen, de liefde van hun leven achterna, zo dachten ze als jonge vrouwen, wisten ze nog niet dat hun gevangenschap te wachten stond.

De vrouwen vertelden hoe ze thuis moesten blijven om voor de kinderen en het huis te zorgen, en om het avondmaal te bereiden. Ze werden bont en blauw geslagen. Ze mochten zelden werken, niet naar school om de taal te leren, soms niet eens naar buiten voor een frisse neus. Een van de vrouwen citeerde de Turkse schrijver Nâzim Hikmet: ‘Anamız, avradımız, yarimiz, ve sanki hiç yaşanmamış gibi ölen.’

‘Vrouwen te gast’ (1979) © Bertien van Manen

‘Onze moeders, onze echtgenotes, onze geliefden, zij die sterven alsof ze nooit geleefd hebben.’

Hun verhaal was een riedeltje, een terugkerend gebed, een rode lijn door het bestaan van zoveel vrouwen, getekend door ongewilde werkloosheid, onvrijheid en huiselijk geweld. Een bestaan zoals het jouwe.

Onlangs kwam ik verklaringen van de huisarts en een vonnis van de rechtbank tegen, weggestopt in een map. Mijn herinneringen liegen dus niet. Ze staan nog op mijn netvlies, die avonden waarop vader sprak met zijn vuisten, hij je met Gods naam in zijn mond vervloekte, hij kankerde in tongen.

Als kind, hoorde ik je eens vertellen, was je buitengewoon intelligent en mondig. Je kwam op je school op voor de rechten van de meisjes. Die brutaliteit heb je daar achtergelaten.

Elke handige Harry die nu in ons schimmelhuisje komt, werkt me op mijn zenuwen, maar je laat ze graag komen, je doet de voordeur wagenwijd open en vouwt de tapijten op. Laatst nog: die tengere man, met biceps vele malen kleiner dan de mijne, hij sprak niet eens foutloos Nederlands, terwijl hij hier hoogstwaarschijnlijk wel geboren is. Hij verving de deurklink van mijn slaapkamer. Zoals al die andere monteurs en inspecteurs liep hij met zijn schoenen aan door het huis. Of ik er iets van kon zeggen, vroeg je. Kan ik niet, snauwde ik.

Zijn opdrachtgever, die een aantal weken eerder was komen kijken, had het niet nodig gevonden om de scheve scharnieren en de deuren met vuistdikke gaten te vervangen. Alleen de deurklink van mijn slaapkamer was volgens de man aan vervanging toe. Je wilde dat de tengere man ook naar de cv-ketel keek en hij wat deed aan de losse wc-bril. Ik weigerde het te vertalen en maande je tot stilte.

We zijn geen berggeiten meer, zei ik.

Je begreep wat ik bedoelde. Maar je studeert toch niet voor niets avukatlik, reageerde je – wat volgens mij vertaald kan worden als ‘advocatuur’.

Rechtsgeleerdheid, bedoelde je.

Ik wil alleen maar dat we niet voor sloebers aangezien worden, omdat we nog meer vragen, het niet zelf kunnen, onze zorgen delen, onze stem verheffen, een stap vooruit doen. Je weet niet dat áls die mannen je al aanspreken, ze dat nooit doen met ‘u’.

Als je de taal had gesproken, zei je toen de man weer weg was, had je de woningbouw alle hoeken van de kamer laten zien, vrij vertaald. Toen ging je op het balkon zitten en knaagde çekirdek, extra gezout, open.

Vaker heb je dat soort gespierde uitspraken gedaan; nooit heb ik je geloofd. Ik dacht altijd dat je analfabeet was, totdat je onlangs via WhatsApp in het Turks vroeg of ik brood en zonnebloempitten, die blauwe zak, wilde meenemen.

Jouw taal is toch niet stilte. We kunnen elkaars woorden louter brabbelen. We spreken in jip-en-janneketaal. Ik ben jouw Turks en Koerdisch niet echt machtig, jij mijn Nederlands niet. Vandaar dat ik vorige week het boeket dat ik had gekregen na het geven van een workshop interviewen weggaf aan een medepassagier in de bus. Ik had je nooit kunnen uitleggen hoe ik eraan was gekomen zonder mezelf verdacht te maken.

Toen ik ongeveer vier jaar oud was, kwamen we met z’n allen voor de gezinshereniging naar Holland. De ironie is dat we zo’n vijf jaar later halsoverkop vader verlieten. Ik vraag me af of je, voordat we hierheen vlogen met de ijzeren vogel en jij ons meebracht onder je vleugels, verwacht had het Nederlands machtig te worden. Zo naïef was je niet, toch, dat je dacht midden in je leven nog een nieuwe taal te kunnen leren?

En ja, ik weet het, misschien ietwat hypocriet, maar ik heb vaak tegen je gezegd dat je op Nederlandse les moet. Als ik je vraag naar mijn sleutels, de poedersuiker, de girgir, bijvoorbeeld, maar het woord niet kan vinden. Je hebt wel een poging gedaan. Toen we vader verlieten en dit huisje betrokken, ging je op taalcursus – weliswaar verplicht. Je leerde een gesprek aan te gaan met de bakker (de onze spreekt gewoon Turks), met de buren (idem) en de huisarts (bij de slechtnieuwsgesprekken tolkte een van mijn zussen).

‘Vrouwen te gast’ (1979) © Bertien van Manen

Vaker heb je spierballentaal gebruikt: als je Nederlands kon, zou je van alles geflikt hebben – zoiets, zo ongeveer. Misschien zijn mijn smaakpapillen beschadigd, omdat ik net zoals jij grove scheuren in mijn tong heb – volgens jou door onze citroenverslaving; jij eet vaak ’s avonds zwarte olijven met een beetje olie en citroensap, ik schil de citroenen en doe ze tussen een stukje pide – maar ik proef in je woorden het verdriet, het spijt me.

Vroeger zeiden vrienden weleens dat ze, als ze geen blessures gehad zouden hebben, sowieso gescout zouden zijn en bij een profclub hadden gevoetbald. Diezelfde kinderlijkheid en dat geveinsde zelfvertrouwen bespeurde ik vaak bij jou.

Maar je hebt dus toch gelijk, moederlief.

Ik probeer jouw geschiedenis te vinden in die paar theatervoorstellingen, documentaires en boeken. In Vrouwen te gast (1979) bijvoorbeeld, van Bertien van Manen. Ze illustreert in foto’s en teksten het leven hier van vrouwen ‘uit het Middellandse Zeegebied’, voornamelijk voor gezinshereniging naar Nederland gekomen. Ze zijn door Van Manen, zoals vandaag de dag eveneens zou gebeuren, ingedeeld naar etniciteit: onder andere Turks, Marokkaans, Joegoslavisch, Spaans. De vrouwen op de foto’s werken, zijn in de moskee, zitten naast hun besneden zoon of in het kamertje waar ze wonen. De glimlach is zeldzaam, de donkere ogen vaak groot, van velen heeft de hoofddoek of jurk een bloemetjesmotief – je had er zo tussen kunnen staan.

‘Vrouwen te gast’ (1979) © Bertien van Manen

Van Manen tekent het verhaal van ‘Mevrouw C’ op, destijds 34 jaar. Ze was in Istanbul zangeres, hier bracht ze haar dagen vooral door in haar kamertje. Haar partner, die ze hier had ontmoet, bracht haar op een dag naar het ziekenhuis. Na een ruzie met hem was ze gevallen, ze had pijn in haar buik en bloedingen. Ze was vier maanden zwanger. Zonder dat Mevrouw C begreep wat er gebeurde – haar vriend sprak en verstond wel gewoon Nederlands – verliet ze het ziekenhuis met een litteken van vijftien centimeter. Nooit meer zou ze een kind kunnen krijgen.

De vrouwen, ‘getraind in gedienstigheid’, schrijft Van Manen, zouden eigenlijk de taal moeten leren om beter te functioneren in de samenleving. Dat gebeurde dus niet. En nog altijd niet: ruim een op de drie vrouwen van de eerste generatie migranten is laaggeletterd. Het gevolg: ‘Nog meer isolatie en vervreemding van de kinderen die de taal juist snel leren.’ De buitenwereld voelt vervreemdend, zelf is de vrouw ‘een vreemde in haar eigen huis’. Alleen: de pater familias is bang voor ‘de bevrijding van de vrouw’. En eigenlijk, zo meent Van Manen, is de vrouw zelf ook bang, bang voor de verandering, voor de toekomst, voor de bevrijding.

Ik hoef jou dit natuurlijk niet te vertellen, annem.

Nu begrijp ik ook waarom jij midden in de pandemie, terwijl het coronavirus zich juist in buurten als de onze verspreidde, toch naar de Haagse Markt wilde. Ik mocht geen groente en fruit bestellen, ook al zou het tot aan de deur, vijf trappen op, bezorgd worden. Liever ging je zelf op pad, met de kar in je ene hand en je ziel onder de andere arm. Het is een van de weinige activiteiten waarvoor je niemand nodig hebt. Ik begrijp je, nu pas.

In andere grond was je opgebloeid. In andere aarde was je tot je recht gekomen. Tot leven. Maar je hebt je louter opgeofferd, voor ons, zoals je dat dagelijks voor Allah doet.

De verhalen van de eerste migrantenvrouwen zijn te weinig verteld. De schijnwerper stond vooral op de malaise van de man. Je hebt blijkbaar niet alleen geen tongval, maar überhaupt geen stem. Maar ook de stilte is veelzeggend. En inmiddels weet ik: je bent een geknakte tulp, zoals veel generatiegenoten van je.