In Athene floreert de kleine solidariteit

Athene – Als niemand je bij de ingang van een metrostation een ritkaartje toesteekt, dan liggen er altijd nog een paar op de stempelmachine.

Voor de meeste Atheners bestaan er dringender zaken die anderhalve euro vergen: een broodje, of sparen om de versleten schoenen van hun kind te vervangen – en ze beseffen dat ook de anderen zo leven.

Toen het hergebruik van metrokaartjes vaste vormen aannam, voelde de regering zich gedwongen tot de opdruk, op de achterkant: ‘Het weggeven of ontvangen van dit kaartje is bij wet verboden en wordt bestraft.’

Zoals vaker is de wet in wezen niets waard, maar het onderschreef weer eens dat de Griekse staat één enkel belang kent: het eigenbelang. Illusies over bijstand bestaan niet meer, ieder is op zichzelf of familie aangewezen, en zo doet zich meer en meer ‘kleine solidariteit’ voor. De dagelijkse goede daad is teruggekeerd.

Ook Eleni, een jonge juriste, stelt zich dat ten doel, vertelt ze bij een bord risotto. De eerste bedelaar die langsloopt neemt ze bij de arm, naar de overkant, waar ze souvlaki en een flesje frisdrank voor hem bestelt. Als tien minuten later een tweede passeert, dwingt ze zichzelf nee te zeggen. ‘Ik heb mezelf beloofd er maar één per dag iets te geven, want ik onderhoud ook nog mijn werkloze zusje…’

Zo zijn er velen. De diabetesarts die patiënten gratis van insuline voorziet – na een jaar werkloosheid vervalt zowel uitkering als verzekering – en ze zelfs een zakcentje meegeeft. De man die na een visschotel de tavernehouder toeknikt: laat de bon maar achterwege – dat scheelt een euro aan btw-afdracht. Groepen werklozen die samen koken om de kosten te drukken en de actuele toestand te bespreken. De in Duitsland wonende Griek die een Athener op zoek naar werk onderdak aanbiedt. De vrouw die iedere zondagmorgen de zwerfhonden op het parlementsplein voert. De busbeambten die zwartrijders met een werklozenpas nooit beboeten.

Sinds een jaar staat er in sommige cafés een ‘koffiedoos’. Je kunt twee euro op de rekening toeleggen, waarna een bonnetje voor een kopje koffie in de doos verdwijnt. Ben je berooid, dan neem je er een bon uit om een middag op het terras door te brengen – er is niets wat een Griek gelukkiger stemt.

‘Twee jaar geleden nog’, vertelt Christina, die in een barretje bij de Akropolis werkt, ‘had zo iemand zijn vrienden afgebeld. “Ik blijf liever thuis”, zei hij dan. Niet: “Ik heb geen geld.” Maar de schaamte is verdwenen – die dagen zijn voorbij.’