In belgi‰ regeert nog altijd de angst

In Belgi‰ staat de wereld op zijn kop, maar dan ook in alle opzichten. Marc Dutroux, het ‘beest’ uit Charleroi waarop sinds de hete herfst van 1996 heel wat maatschappelijke onvrede werd geprojecteerd, ontsnapt op klaarlichte dag uit een Paleis van Justitie omdat hij slechts door twee rijkswachters met ongeladen pistolen wordt bewaakt. ..LE De enige politieke consequentie van deze klucht, het ‘vrijwillige’ ontslag van de ministers De Clerck van Justitie en Vande Lanotte van Binnenlandse Zaken, wordt door het overgrote deel van de natie betreurd. Daarentegen wordt de komst van hun vervangers, Louis Tobback en Tony van Parys, in de media luid toegejuicht. Deze gang van zaken getuigt van een waarlijk hallucinante opvatting van politieke verantwoordelijkheid. Geen wonder dat de Belgen er niet in slagen om orde op zaken te stellen in de duizendenÇÇn dossiers die hun rechtsgevoel belasten.

Het aftreden van De Clerck en Vande Lanotte zou vanzelfsprekend moeten zijn. Het zou ook definitief moeten zijn, in die zin dat zij zich geheel uit de politiek terugtrekken in plaats van, zoals De Clerck het formuleert, op de ‘reservebank’ plaats te nemen.
Zij waren verantwoordelijk voor het functioneren van de rechterlijke macht respectievelijk de rijkswacht ten tijde van Dutroux’ ontsnapping. Het is onvergeeflijk dat uitgerekend die man kon ontsnappen, en nog wel als gevolg van dezelfde laksheid en incompetentie die door de onderzoekscommissie-Verwilghen nog niet zo lang geleden aan de kaak is gesteld.
En dat is niet alles. De Clerck en Vande Lanotte belichaamden de onwil van de Belgische bestuurlijke elite om schoon schip te maken. Net als hun voorgangers verdedigden beide ministers in de guerre des flics hun favoriete politiekorps. Vande Lanotte stond pal voor 'zijn’ rijkswacht, De Clerck nam het op voor 'zijn’ gerechtelijke politie. De Clerck weigerde bovendien passende maatregelen te nemen tegen ambtenaren die volgens het eensluidende gevoelen van de commissie-Verwilghen schuldig waren aan overtredingen of grove nalatigheid. Het is waar dat de twee binnen het Belgische politieke stelsel weinig manoeuvreerruimte hadden, maar dat ontslaat hen niet van hun ministeri‰le verantwoordelijkheid.
Dat besef schijnt bij onze zuiderburen niet te willen doordringen. Dagblad De Standaard neemt de afgetreden ministers zelfs nog in bescherming door hen voor te stellen als doortastende hervormers die het slachtoffer zijn geworden van de fouten van hun voorgangers: 'Zij en de regering hebben de jongste twee jaar meer beweging gebracht in justitie en politie dan hun voorgangers in de vorige vijftig jaar samen.’
Was dat maar waar! Alle justiti‰le hervormingen van de laatste twee jaar zijn toe te schrijven aan de massale protesten en bezettingen die eind 1996 volgden op de arrestatie van Dutroux, aan het niet aflatende morele appŠl van de ouders van verdwenen kinderen en in het bijzonder aan de Witte Mars van driehonderdduizend mensen door de straten van Brussel.
Zonder de druk van die volksbeweging - die zich niets aantrok van de massieve offici‰le tegenwerking en van secundaire politieke overwegingen zoals de taalgrens, de belangen van de Brusselse partitocratie of de bezuinigingscriteria van Maastricht - zou er nog altijd geen sprake zijn van zelfs maar een streven naar noemenswaardige hervormingen.
De regeringspartijen waren toen niet in zulke hervormingen geãnteresseerd en dat zijn ze nog steeds niet. Het 'zoenoffer’ van de twee ministers werd enkel gebracht om de regering-Dehaene als geheel te kunnen redden. Die regering staat op het punt om het Belgische entreekaartje voor de Europese eenheidsmunt in de wacht te slepen en dat weegt nu eenmaal het zwaarst.
Vandaar dat de opengevallen plaatsen onmiddellijk worden ingenomen door twee oude krokodillen van de vereiste politieke signatuur. Voorzover dat nog mogelijk was, heeft de Belgische politiek zich daarmee voorgoed gediskwalificeerd.
Tobback was van 1988 tot 1994 minister van Binnenlandse Zaken en medeverantwoordelijk voor de huidige puinhoop bij de politie, in het bijzonder bij de rijkswacht. Begin jaren negentig blokkeerde hij tezamen met Justitie-minister Melchior Wathelet de samenvoeging van de documentatie-afdelingen van de politiediensten volgens het zogenaamde Pinksterplan. Als die samenvoeging conform de richtlijnen was uitgevoerd, dan had de fatale spraakverwarring tussen de rijkswacht en de gerechtelijke politie in de zaak van de verdwenen meisjes wellicht kunnen worden voorkomen.
Van Parys is als federale politicus ongeloofwaardig omdat hij nog maar enkele weken geleden pleitte voor een splitsing van justitie in een Vlaamse en een Waalse dienst. Zijn argument luidde dat 'in Vlaanderen een andere mentaliteit heerst, met minder cli‰ntelisme’. Nog voordat hij kan worden be‰digd, heeft hij al de verdenking van kwade trouw op zich geladen.
(Het enige alternatief voor deze schertsvertoning is natuurlijk het aftreden van de regering, gevolgd door verkiezingen. En de enige reden waarom dit niet gebeurt, is angst, pure angst van de regerende kaste voor de ontketende volkswoede.
'Het zouden de verkiezingen van de emotie worden’, waarschuwt de Leuvense politicoloog Luc Huyse, die de afgelopen dagen veelvuldig door de media is geraadpleegd. Volgens Huyse is de bestrijding van de 'Belgische ziekte’ alleen gebaat bij het ter verantwoording roepen van vroegere bewindslieden, zoals de premiers en ministers van Justitie van de laatste twintig jaar. Ex-minister van Justitie Melchior Wathelet bijvoorbeeld is nu rechter bij het Europees Gerechtshof, een functie die hij volgens Huyse zou moeten opgeven.
Het is echter onmogelijk om politici persoonlijk ter verantwoording te roepen voor hun politieke falen in het verleden. Deze collectieve navelstaarderij kan alleen maar ontaarden in een nieuw onderzoek naar de redenen voor het uitblijven van een eerder onderzoek. En uiteraard gaat zo'n onderzoek dan weer jaren duren.
Met de woorden van Dehaene toen hij het nieuws van de ontsnapping vernam: godverdomme, dat ontbrak er nog aan.