In bewondering ten onder

Over de vriendschap tussen een schrijver en zijn bewonderaar

ALFONS DE RIDDER, alias Willem Elsschot, schreef op 30 maart 1957 aan de directie van de Nieuwe Rotterdamse Courant de volgende, uiterst curieuze brief: ‘Geachte directie, een heer J.C. Villerius, Palestinastraat 63a Rotterdam zou gaarne in uw blad mijn pas verschenen verzameld werk recenseren. Het zou mij zéér aangenaam zijn indien u daaraan uw goedkeuring zoudt willen hechten omdat mij uit een recente briefwisseling met die heer gebleken is dat hij mijn stijl dieper doorgrondt dan welke Noord- of Zuid-Nederlandse criticus ook, de grootsten niet uitgezonderd. U kunt dus zeker zijn dat zijn eventuele bijdrage op de hoogte zou staan van de reputatie waarvan Uw groot dagblad geniet. In de hoop dat u op mijn aanbeveling acht zou willen slaan, teken ik, Hoogachtend, A. de Ridder.’
Is hier Boorman aan het woord, of een oprecht, zij het naïef auteur die meent zijn eigen schrijverschap én de directie van de NRC een dienst te verlenen? De brief is te vinden in Elsschot leest voor: De briefwisseling tussen Willem Elsschot en Jan C. Villerius, samengesteld en geannoteerd door Wieneke ’t Hoen en Vic van de Reijt. Beiden houden zich bezig met het levend houden van de nalatenschap van de Vlaamse auteur. Daartoe richtte Van de Reijt afgelopen zomer zelfs het Willem Elsschotgenootschap op, waartoe ’t Hoen inmiddels ook is toegetreden.
Ze hebben deze weken niet te klagen. Behalve de briefwisseling-met-cd is er Orlow Seunke’s nieuwe verfilming van Kaas. En afgelopen week verscheen Elsschot van de Vlaamse scenarist en auteur Fernand Auwera, een verslag van de totstandkoming van het door hem geschreven scenario voor weer een andere Elsschotverfilming, gebaseerd op Lijmen/Het been.
Niet al deze lekkermakertjes voor de leden van de Elsschot-gekte-sekte zijn van dezelfde kwaliteit. De briefwisseling zoals die is gebundeld in Elsschot leest voor laat de sfeervolle maar langdradige verfilming van Seunke en het flutterige boek van Auwera ver achter zich. De man die Elsschot vergeefs als zijn recensent voorstelt aan de directie van de NRC blijkt naast een begenadigd brievenschrijver inderdaad een groot Elsschot-kenner en ook een fascinerend mens. En Elsschot, op zijn beurt, toont zich van zijn hartelijkste, sympathiekste kant in deze documentatie van een bijzondere vriendschap tussen fan en idool.
DIE VRIENDSCHAP begint als 'deze heer J.C. Villerius’ in 1957 op vierentwintigjarige leeftijd zijn grote voorbeeld een brief schrijft om antwoord te krijgen op een vraag die hem al enige tijd heeft beziggehouden. Tegelijk stelt hij de vraag om te tonen dat hij heeft opgemerkt dat Elsschots poëzie is terug te vinden in zijn proza. Dat blijkt een schot in de roos. Elsschot schrijft Villerius per kerende post een buitengewoon vriendelijke brief waarin hij de jonge bewonderaar feliciteert om zijn vondst: 'Gij zijt de eerste en enige.’ Het heeft zestien jaar geduurd, schrijft Elsschot, eer een dergelijk oplettende lezer is opgestaan.
Villerius is verrukt. Hij schrijft de schrijver-zakenman opnieuw een brief, waarin hij verhaalt over zijn bewondering voor Het dwaallicht. (Later, na bemoedigende woorden van Elsschot, zal hij er een fantastisch artikel over schrijven.) Elsschot antwoordt dat de tweede brief hem nog meer genoegen heeft gedaan, en nodigt Villerius uit enkele weken later naar de Bijenkorf in Rotterdam te komen, waar hij, na een inleiding van Simon Carmiggelt, zal voorlezen uit eigen werk.
Villerius’ mooiste levensdagen zijn aangebroken. Hij besluit de voorleessessie op band vast te leggen, hetgeen er toe heeft geleid dat Querido het boek nu kan uitbrengen als Elsschot leest voor, mét de historische opname op cd bijgeleverd. Als voorbode van hun voorgenomen ontmoeting, schrijft Villerius: 'Laat ik mij aan u voorstellen: geboren in het Hitler- en Kaas-jaar (1-1- '33), dus nu 24, sinds enige tijd terug uit militaire dienst en klerk op Sociale Zaken, met de wens leraar M.O. te worden, evenwel: matige intelligentie, beperkte belangstelling, nooit bij de tijd, aarzelend, (l'esprit de l'escalier), met op wangen en voorhoofd nog de opvallende sporen van de puberteit, en bijgevolg allerminst iemand om ergens op de eerste rij te zitten.’
Hoe gekleurd - en pedant - deze woorden ook zijn door de blijde verwachting waar Villerius in verkeerde, er klinkt ook een onzekerheid uit die hij niet veinsde en die hem steeds erger parten zou gaan spelen. Enkele maanden later zou hij schrijven: 'Raar maar waar, zo langzamerhand begin ik bang te worden. (…) Van gewetensvol lezer naar trouwe apostel is maar een kleine stap - of helemaal geen. Maar hoe labiel is zo'n positie!’ En Villerius verklaart zijn angst 'domme dingen’ te verkondigen over Elsschots werk. De schrijver stelt Villerius gerust, hij prijst hem en moedigt hem aan zijn plannen voor artikelen over zijn werk ten uitvoer te brengen.
Ook de toekomstige Elsschot- biograaf Vic van de Reijt, een van de samenstellers van Elsschot leest voor, noemt Villerius 'jarenlang met voorsprong de beste kenner van het werk van Willem Elsschot’. In Villerius’ artikelen over Elsschot, ook opgenomen in Elsschot leest voor, blijkt hij zijn bewondering inderdaad wonderlijk goed te hebben gekanaliseerd. Hij prijst niet alleen Elsschots stilistische kwaliteiten, maar geeft ook verdieping aan de betekenis van diens verhalen. En alhoewel Elsschots verzoek aan de directie niets uithaalde, zou Villerius niet voor niets later bijna tien jaar lang recensies schrijven voor diezelfde NRC.
IN DE JAREN zeventig breken zijn onzekerheid en perfectionisme hem op. Reinold Kuipers, in die tijd directeur van uitgeverij Querido, hoopt dat Villerius een boek over Elsschot zal schrijven. Kuipers dringt er voortdurend op aan. Uiteindelijk belooft Villerius ten minste een Greshoff-Elsschot-correspondentie te verzorgen. Kuipers zal daar acht jaar op wachten. Dan geeft Kuipers de opdracht aan Van de Reijt, die de zaken voortvarender aanpakt en besluit tot een selectie van álle brieven, wat in 1993 resulteert in Brieven, het tweede deel van Elsschots verzameld werk.
Kort nadat Van de Reijt de opdracht heeft aanvaard, neemt hij contact op met Villerius. Deze maakt geen gelukkige indruk. Faalangst, depressiviteit en drankzucht hadden al eerder, in 1983, een einde aan zijn huwelijk gemaakt, en juist de correspondentie met Elsschot heeft de gewezen echtgenote meegenomen, zo veronderstelt Villerius. Van de Reijt kan het nauwelijks geloven. In zijn nawoord schrijft hij dat een mengsel 'van schrik en medelijden’ zich van hem meester maakte. Die aardige echtgenote van Villerius, die de liefde van haar man voor de Vlaamse letterheer op zijn aandrang had gedeeld, die Villerius al op de hbs had ontmoet en die 'dapper’ mee had gezocht 'naar besprekingen van Uw werk in kranten van 1913’ - zou zij hem van zijn zielsdierbare pakket Elsschot-brieven hebben beroofd? Geschokt door zoveel leed besluit Van de Reijt niet meer op zoek te gaan naar de gewezen echtgenote. Dom, want na de dood van Villerius duikt de volledige correspondentie op in diens eigen kelder, netjes geordend in plastic zakjes in een door schimmel aangevreten koffer.
ELSSCHOT LEEST voor is behalve de documentatie van een intrigerende vriendschap ook een boek dat een bijzonder licht werpt op de ambivalente verhouding tussen bewonderaar en schrijver. Elsschot is daarbij geen hoofdpersoon, Villerius des te meer. Pedant en toch bescheiden; onzeker maar ook betweterig; geestdriftig door het geluk van de beantwoorde vriendschap, maar ook verlamd door de angst die weer te verspelen. Al na het eerste bezoek aan het gezin De Ridder in Antwerpen openbaarde deze angst zich en schreef Villerius bij thuiskomst in bijna wanhopige dankbaarheid: 'Er zijn geen woorden voor, nee. Dat ervoeren wij in uw huis reeds, wij vielen stil, het was te veel, we konden het niet meer aan. Maakten wij daardoor niet een schamele indruk? Zo zwijgzaam, zo stijfjes. Ach, ik vrees het. Had Netty u die zoen maar gegeven, toen ze dat van plan was!’
Samen met de koffer vindt Van de Reijt een proefannotatie van welgeteld één brief voor de beloofde Greshoff-Elsschot-correspondentie. In lengte overtreft de proefannotatie ruimschoots de bijbehorende Elsschot-brief. Verder was Villerius niet gekomen - verlamd door de bewondering voor een overleden vriend die tegelijk een groot kunstenaar was. Of was het andersom?