Het verzet tegen de breincultuur groeit

In de amygdala-hoek

We hebben een brein, maar we zijn veel meer dan dat. Toch worden problemen gereduceerd tot een kwestie van neuronen in ons hoofd. Het determinisme en de versimpeling van de neuro-cultuur roepen steeds meer weerstand op.

Als mijn zoontje (8) op school wordt overmand door heimwee naar New York, de stad waar hij tot afgelopen zomer is opgegroeid, dan weet hij precies wat hem te doen staat. Hij trekt zich even terug in de ‘amygdala-hoek’. Dat is een knus hoekje in de klas met een aantal kussens om op te zitten en een gezellig gordijntje eromheen. Hij legt aan mij uit dat de amygdala in je hersens zit en als deze ‘opspeelt’, moet je proberen hem ‘onder controle’ te brengen door je even terug te trekken.

Zijn juf is geweldig, het onderwijs op zijn school uitstekend en het idee van een hoekje om je in terug te trekken vind ik ronduit sympathiek. Maar waarom die verwijzing naar de amygdala als een soort nieuw ‘duiveltje op de schouder’? Ik besluit te lezen over de amygdala. En inderdaad speelt deze plek in de hersens een belangrijke rol bij gevoelens van angst. Maar dit geldt net zo goed voor gevoelens van geluk, sterke geuren, seksueel stimulerende beelden en vele andere prikkels. Is het idee van de amyg­dala-hoek een van de vele ‘neuromythen’ die circuleren? In ieder geval is het een teken dat het brein nu ook het klaslokaal heeft bereikt.

Niet alleen in het onderwijs is het brein naar de voorgrond getreden. In de Britse documentaire 56 and up waren onlangs de laatste verwikkelingen te zien in de levens van een groep Britten die elke zeven jaar wordt geïnterviewd (‘’s werelds langst durende soap’ wordt de serie ook wel genoemd). Het meest tot de verbeelding spreekt de moeizaam levende Neil Hughes, die op zijn 28ste nog rondzwierf op straat en zich nu op zijn 56ste geheel onverwacht een plek in de politiek heeft veroverd. Elke zeven jaar wordt er veel over de serie geschreven en gesproken, maar de toon van het gesprek is totaal veranderd. Was het oorspronkelijke doel van filmmaker Michael Apted om te onderzoeken wat precies de rol is van de sociale omgeving op de levensloop, de huidige publieke discussie lijkt zich nu te concentreren op het brein van zo iemand als Neil. Heeft hij een psychiatrische stoornis? Asperger? Hoe anders had hij kunnen opgroeien als hij als kind een diagnose ‘ergens op het spectrum van autisme’ had gekregen? Wat is er precies ‘mis’ in zijn hoofd? Het publieke debat concentreert zich op de hersens.

Die nadruk is ook terug te zien in de zelfhulp­industrie waar het brein de nieuwe groeimarkt bij uitstek aan het worden is. Of je nu beschikt over een puberbrein, een middelbaar brein of een seniorenbrein, er is voor iedereen wel een toepasselijk zelfhulpboek om het maximale uit de hersens te halen. In populaire tijdschriften en kranten worden we eveneens voortdurend aangespoord om onze hersenen in toom te houden. Zo kopte NRC Handelsblad op Nieuwjaarsdag: ‘Houd uw brein voor de gek. De hersenen doen er alles aan om uw goede voornemens te dwarsbomen. Zeven trucs om uw wilskracht te trainen’. Moeten we misschien met z’n allen in de ‘amygdala-hoek’ gaan zitten om die lastige hersens in het gareel te houden?

Het brein is overal. In de wetenschap te herkennen aan het populaire voorvoegsel neuro. Deze simpele toevoeging lijkt voor verschillende wetenschappelijke disciplines te leiden tot meer prestige, meer gewicht in de schaal, en, heel belangrijk, tot rijker vloeiende financieringsstromen. Zo hebben we inmiddels neuro-economie, neuropolitiek, neuromarketing en zelfs neurotheologie. De uitkomsten van al dit neuro-onderzoek worden door de media (versimpeld) naar buiten gebracht en door het publiek gretig verorberd. ‘This is your brain on… drugs/music/sex…’ Zelfs de kop ‘this is your brain on God’ is al gesignaleerd.

Dergelijke artikelen gaan dikwijls gepaard met felgekleurde plaatjes van fMRI-scans waar duidelijk op te zien is dat een bepaald gebied anders gekleurd is bij de bezigheid in kwestie. Het ziet er allemaal fascinerend uit en ik geef toe dat ook ik een zwak heb voor dergelijke ‘breinporno’. Want wat is er nu spannender dan een mogelijk antwoord op de mysterieuze vraag hoe ons lichaam en onze geest met elkaar verbonden zijn?

Toch ontstaat er onder wetenschappers, publicisten en andere denkers weerstand tegen de neiging tot ‘brainwashing’, waarbij alle problemen van de wereld worden gereduceerd tot een kwestie van neuronen in ons hoofd. Steeds meer filosofen, psychologen, maar ook neurobiologen stellen dergelijke ‘neuroscience fiction’ ter discussie en wijzen op de gevaren van een te eenzijdige nadruk op ons brein. De tegengeluiden vormen wellicht nog geen koor van verzet, maar de noten komen van verschillende kanten en ze worden steeds luider. Zo vragen psychoanalytici als Paul Verhaeghe en Darian Leader aandacht voor het feit dat we het verhaal van psychiatrische hulpzoekers uit het oog verliezen. Filosofen als Alva Noë, Raymond Tallis en Bert Keizer schrijven in hun laatste boeken over de onhoudbare filosofische positie van het biologisch determinisme. En wetenschapsfilosoof Trudy Dehue analyseerde al in 2008 in haar boek De depressie-epidemie het biologische imago van depressie.

De kritiek bereikt bovendien steeds vaker de mainstream. In november schreef Alyssa Quart bijvoorbeeld in een opiniestuk voor The New York Times: ‘Ik juich de tegenreactie toe op wat ook wel eens breinporno wordt genoemd, waarmee belangrijke vragen worden opgeworpen over dit reductionistische, slordige denken en onze bereidheid om schijnbaar neurowetenschappelijke verklaringen te accepteren voor, nou ja, voor vrijwel alles.’ In The New Yorker werd hier in december op ingehaakt, waarbij er overigens wel voor werd gewaarschuwd het kind niet met het badwater weg te gooien. ‘De juiste oplossing is niet om neurobiologie te verlaten, maar om beter te kijken naar wat het ons wel kan leren en wat niet’, schrijft Gary Marcus in het artikel Neuroscience Fiction.

Marcus’ waarschuwing lijkt nogal overbodig, want niemand van de nieuwe neurocritici heeft iets tegen de discipline an sich. Ze vinden het hersenonderzoek meestal razend interessant. Wel zijn ze het erover eens dat er iets geks aan het gebeuren is met het beeld van ons brein in onze cultuur en dat dit ‘geks’ verder gaat dan onschuldige beeldspraak zoals die van de ‘amyg­dala-hoek’. Sterker nog: ze menen dat dit ‘geks’ ronduit gevaarlijk kan zijn.

Allereerst is er de praktische kritiek op de overschatte waarde van hersenscans. Zo’n scan geeft een beeld van de doorbloeding van bepaalde gebieden in de hersenen. De kritiek komt erop neer dat de relatie tussen een bepaalde activiteit of emotie en een meer doorbloed gebied op een hersenscan ingewikkelder is dan dikwijls wordt aangenomen. Het feit dat een gebied bijvoorbeeld meer doorbloed raakt terwijl je denkt aan seks betekent nog niet dat dit gebied ook daadwerkelijk meer doorbloed raakt doordat je denkt aan seks. Of dat je denkt aan seks doordat dit gebied in de hersens actief is. Met andere woorden: een relatie betekent nog niet per definitie een causaal verband. Bovendien kan een scan slechts een stilstaand brein weergeven, terwijl hersens, zelfs als je slaapt, altijd in beweging zijn. Ten slotte gaat het ook nog eens niet om een echte scan, maar om een reconstructie op grond van een computerprogramma, een soort animatie.

Dit betekent dat als mijn zoontje heimwee heeft en een hersenscan zou laten zien dat de doorbloeding van de amygdala in zijn brein actiever is dan normaal, het nog maar zeer de vraag is wat ik hier voor conclusies aan kan verbinden. Wanneer was precies zijn amygdala actief? Hoeveel actiever was zijn amygdala dan normaal? En wat zegt die doorbloeding precies?

Een Britse neurobioloog houdt anoniem de blog Neuroskeptic bij, waarop hij zijn eigen vakgebied kritisch onder de loep neemt. Hij krijgt tussen de vijftienhonderd en tweeduizend hits per dag. Zo bleek uit een stuk in Nature van november dat bepaald hersenonderzoek naar autisme gebreken blijkt te vertonen. Een van de populairste en meest geaccepteerde theorieën over de oorzaak van autisme gaat uit van een verbroken verbinding tussen verschillende gebieden in het brein. Dit heet ook wel de ‘connectiviteitshypothese’. De Neuroskeptic vroeg zich al in een blogpost van juli 2011 af of de afwijkende hersenscans niet zouden kunnen worden veroorzaakt door beweging van het hoofd in de scanner. De ‘abnormale connectiviteit’ zou dan niet echt zijn. De afwijking zou niet de oorzaak van autisme aantonen, maar slechts een bewijs zijn van het feit dat mensen met autisme vaker hun hoofd bewegen in de scanner. Zijn vermoeden van destijds wordt nu inderdaad bevestigd. De mysterieuze Neuroskeptic had gelijk.

Op 3 januari van dit jaar schrijft hij dat door een fout in de statistiek bij het gebruik van de huidige ‘voxel-based brainscanners’ in vrijwel elk gezond mens abnormale breinactiviteit kan worden aangetoond. Hij bespreekt een nieuw rapport van Italiaanse neurobiologen dat erop wijst dat onder de ‘voxel-based brainscanner’ 93,5 procent van de gezonde mensen ten minste één vals positieve uitkomst had op de scan. Interessante informatie die echter niet heeft geleid tot een schreeuwende kop in de krant.

Maar het zijn nu juist die plaatjes die zo tot de verbeelding spreken en ons het gevoel geven dat het ‘echte wetenschap’ is die we voorgeschoteld krijgen. Neuropsychologen Paulo Legrenzi Carlo Umilta en Frances Anderson deden een onderzoek aan Stanford waaruit bleek dat als een onzinverklaring van een bepaald fenomeen gepaard ging met een opmerking over neuro­wetenschap met bijbehorende onzin-fMRI-plaatjes, men sneller de onjuiste verklaring aannam dan de juiste. Als de ‘brainwash’ echter werd weggelaten, dan koos men wel weer voor de juiste verklaring (ze beschrijven dit onderzoek in hun boek Neuromania).

Trudy Dehue, hoogleraar wetenschaps­filosofie aan de Rijksuniversiteit Groningen, verbaast zich al jaren over het feit dat veel mensen (inclusief wetenschappers) menen dat neurobiologische kennis de werkelijkheid het allerbest weerspiegelt. In een interview per mail schrijft ze: ‘Kijk nou eens goed naar wat er gebeurt. Proefpersonen worden in een lawaaierig en nauw apparaat gestopt, waarbij hun hoofd helemaal klem wordt gezet. In die uitzonderlijke positie bekijken ze afbeeldingen die situaties in het echte leven moeten representeren. Ze zien bijvoorbeeld plaatjes van gezichtsuitdrukkingen of misdaadslachtoffers en hun reacties daarop worden aangezien voor reacties of het zien daarvan buiten het lab. Die reacties erop zijn ook afgeleiden, want geregistreerd wordt slechts of bepaalde hersendelen meer of minder doorbloed raken. Computer­programma’s zetten die informatie om in getallen en die getallen worden weer­gegeven in grafieken die we hersenscans noemen. Vaak kleine verschillen in gemiddelden worden aangegeven met grote kleurverschillen en die worden weer door onderzoekers geïnterpreteerd.’

De tweede hoofdmoot van de neuro­kritiek betreft de enorme aantrekkingskracht van enkelvoudige verklaringen. Dergelijke verklaringen accepteren we veel liever dan een ingewikkeld verhaal over verschillende factoren die uiteindelijk leiden tot een bepaald resultaat. Dus lezen we liever iets in de krant over ‘HET psychose-gen’ dan over een ‘wisselwerking tussen opvoeding, cultuur, genen en de expressie van die genen’. Dat laatste klinkt immers niet bepaald alsof de oplossing nabij is.

Enkelvoudige verklaringen zijn eenvoudig te begrijpen en geven ons de illusie van controle en uitzicht op verbetering. We denken: als het psychose-gen wordt gevonden, dan is het vast niet zo moeilijk om vervolgens te ontdekken hoe we dit gen kunnen manipuleren om een psychose te behandelen. Darian Leader schrijft hierover in What is Madness en merkt in een e-mail aan mij fijntjes op dat de behoefte aan dergelijke ‘single cause explanations’ op zichzelf weer een psychotisch karakter heeft, omdat ‘in een psychotische waan ook vaak wordt uitgegaan van dit soort verklaringen die geheel buiten de eigen subjectiviteit staan’. Vergelijk: ‘Ik voel me angstig en dit komt doordat een aantal cia-agenten achter me aan zit, die ik moet uitschakelen’ met: ‘Ik ben ziek vanwege een psychose-gen in mijn hersens dat door een operatie moet worden verwijderd.’

Neurobiologische oorzaken zijn juist vrijwel altijd complex, meervoudig en grotendeels bepaald door de omgeving. Vanuit de epi­genetica, een vakgebied binnen de genetica, leren we dat onze genen door bepaalde omstandigheden en dus door het contact met onze omgeving al dan niet tot expressie komen en aan de andere kant bepalen die tot expressie gekomen genen weer onze omstandigheden en omgeving. Paul Verhaeghe beschrijft in zijn boek Identiteit hoe hetzelfde geldt voor ons zelfgevoel en onze identiteit: ons zelf is door en door sociaal en dit geldt tot aan het niveau van onze genen. In een interview per mail schrijft hij: ‘Persoonlijk ga ik nog een stap verder: ons westers dualisme van de psyche tegenover de soma is een redeneerfout die we te danken hebben aan Plato, die vervolgens werd overgenomen door het christendom in de vorm van de ziel tegenover het lichaam en die ten slotte ons onderwijs bepaalde door geneeskunde te stellen tegenover theologie, psychologie en filosofie. Vandaar dat wij denken: “Ik heb een lichaam.” Maar lichaam en geest vallen niet te scheiden. We verwarren geest met bewustzijn boven op een als geheel functionerend en uiterst complex levend wezen.’

Trudy Dehue pleit ervoor om een meer contextuele benadering in de plaats te stellen van onze huidige breincultuur: ‘Elk leven voltrekt zich in een context, maar dat verliezen we uit het oog.’ De ‘amygdala-hoek’ van mijn zoontje vindt ze erg interessant. Ze schrijft: ‘Waar de vroegere “hoek” ging om bestraffing, gaat de amyg­dala-hoek uit van het huidige ideaal van zelf­management. Mensen worden geacht zichzelf aan te sturen, waarbij neurobiologische zelfkennis als een belangrijk hulpmiddel geldt.’ In haar vakgebied heet dit ‘biopolitiek’ en het begint al op jonge leeftijd. ‘Neurobiologische kennis gaat er vaak over dat we ons biologische lot in eigen hand moeten nemen. Het idee dat we ons brein zijn, impliceert dus zeker niet dat we willoos zijn overgeleverd aan dit orgaan.’ Zo worden we aangespoord om onze hersens te trainen met sudoku en vergeetachtigheid te voorkomen door veel beweging. ‘Wie dan nog vergeetachtig wordt, heeft dat op z’n minst deels aan zichzelf te danken’, aldus Dehue.

Van een iets andere orde is de neurokritiek van de ‘verkeerde lens’. Als ik het heelal wil bestuderen, dan heb ik een telescoop nodig, voor de aardbodem een grondboor, voor cellen een microscoop. Voor elk soort onderzoek gebruik ik een ‘andere lens’. Als ik onderzoek wil doen naar onze maatschappij moet ik het hebben van menselijke concepten als democratie, mensenrechten of rechtsstaat. Het feit dat ik een democratie niet kan zien onder een microscoop betekent natuurlijk niet dat democratie niet bestaat. Het gaat om menselijke constructen, maar dit zijn toevallig wel juist de constructen die ons leven vormgeven en inkaderen.

Eenzelfde soort verhaal zou je kunnen houden voor de geest, waar het in het neurodebat vaak om draait. In hoeverre hebben wij een geest? En zorgt die geest er vervolgens voor dat we een vrije wil hebben? Waar zit die geest dan precies? En hoe werkt die? Breindetermi­nisten gaan ervan uit dat we geen geest hebben, omdat we die niet kunnen zien. ‘Wij zijn ons brein’, niet meer dan dat. Maar het feit dat we geen geest kunnen waarnemen in het brein betekent nog niet dat die niet aanwezig is. Als ik slechts over de Mona Lisa kan praten in termen van verschillende kwakjes verf, dan mis ik volledig de betekenis. Want als ik een paar stappen achteruit zet, zie ik opeens het beroemde kunstwerk. Beide zienswijzen, de kwakjes verf en het kunstwerk, zijn juist, maar ze moeten wel in de juiste context worden gebruikt. We zien ze door verschillende lenzen.

Bert Keizer legt me aan de telefoon uit dat het gebruik van een verkeerde lens in de filosofie een ‘category mistake’ wordt genoemd. Het is als vragen: ‘Waar zit de liefde voor jouw kind?’ In zijn boek Waar blijft de ziel maakt de publicist gehakt van het nieuwe determinisme. Hoewel Keizer groot respect heeft voor Dick Swaab, schrijver van de bestseller Wij zijn ons brein, meent hij dat de neurobioloog zich met zijn boek op een terrein begeeft waar hij zich beter niet op zou kunnen begeven. Wij zijn ons brein is volgens Keizer namelijk geen filosofische positie; geen enkele filosoof neemt een dergelijk uitgangspunt serieus. ‘Een positie die ertoe leidt dat je net zo goed helemaal niets meer zou kunnen doen, omdat alles al bepaald is; dat is geen positie. Dat is filosofie van de Hema.’

Volgens Keizer is de constatering dat onze hersens ons besturen niet relevant: ‘Ik gehoorzaam ook aan de wetten van de zwaartekracht. Kijk naar de bewegingen van een bal en die van de jongen die er achteraan rent. Dan weet je meteen waarom die jongen bezield denkt en de bal niet.’

Keizer heeft als verpleeghuisarts veel te maken met beschadigde hersens van dementiepatiënten. Dat sterkt hem in de overtuiging dat onze kennis over het brein slechts beperkte informatie geeft. Zo vertelt hij dat een familielid van een patiënt tevreden constateerde dat er op de hersenscan maar weinig te zien was van de dementie van zijn vader. ‘Maar als diezelfde demente vader elke nacht om drie uur in de bloempot plast, dan heb je aan zo’n hersenscan natuurlijk niets. Het gaat uiteindelijk toch om het gedrag.’

Het meest verschrikkelijke praktische gevolg van het breindenken is volgens Keizer dat in de psychiatrie het idee is ontstaan dat geestelijke ziekte zich slechts afspeelt in het brein en dat we dus ‘in dat brein moeten gaan wroeten’. Daardoor worden mensen ‘afgescheept met pillen die bovendien vaak niet werken’. Mensen die hulp zoeken voelen zich, aldus Keizer, vaak ‘affectief verwaarloosd’, omdat de langdurige persoonlijke ontmoeting eruit is gegooid. ‘De grootste klacht van patiënten is dat hun psychiater niet naar ze luistert. De psychiater nota bene!’ roept hij uit. ‘Op psychiatrische congressen praat iedereen over neuroreceptoren, maar niemand vraagt nog: wat voor moeder had die man?’

Ook psychoanalyticus Darian Leader maakt zich zorgen over het negeren van de verhalen van psychiatrische patiënten. Hij citeert onderzoek van medline waaruit blijkt dat slechts 0,17 procent van het psychiatrische onderzoek zich op dit moment bezighoudt met de subjectieve beleving van de patiënt. Leader wijst op de rijke bron aan psychiatrische kennis die we verkregen hebben van psychoanalytici als Freud en Lacan, maar dat hun werk op dit moment grotendeels wordt genegeerd. ‘We gaan een nieuwe donkere eeuw tegemoet’, schrijft hij, ‘waarin al het werk van antropologen, historici en wetenschaps­filosofie wordt genegeerd.’

We kunnen ons afvragen hoe erg het is als er niet meer wordt geluisterd naar de verhalen van psychiatrische patiënten. Zijn ze misschien niet beter af met een pilletje dan met eindeloos gepraat en gewroet in het verleden? Maar daarmee vergeten we het grote belang van het ontdekken van een coherente verhaallijn om ons leven mee te beschrijven en daarmee zin te geven. Historicus Philipp Blom zegt het treffend in de laatste Van der Leeuwlezing: ‘Onze feitelijke, ongefilterde ervaring van de wereld kenmerkt zich door een onverdraaglijke hoeveelheid onrecht, chaos en willekeur. Zaken waar we voor leven en werken en op hopen, worden geen werkelijkheid, andere lijken zomaar uit de lucht te komen vallen. Kinderen gaan dood aan ziekten, rechtschapen mensen worden gedwarsboomd en vertrapt en in armoede gestort, schurken maken keer op keer goede sier en worden rijk en omringd door hun familie oud, hele steden worden weggevaagd door natuurrampen of onheil dat de mens zelf teweegbrengt… Voor de meeste mensen ontvouwt het leven zich als een onleefbare reeks teleurstellingen en tegenslagen. Maar wij ervaren het leven niet zo. Wij ervaren het zoals we het aan onszelf vertellen.’ Verhalen vormen volgens Blom niet alleen een existentiële troost door ons valse moed te geven, ze vormen zelf de wereld waarin wij leven.

Het breindeterminisme staat haaks op elke vorm van context en op de vorming van onze wereld door verhalen. Het doet denken aan ‘het niets’ uit Die unendliche Geschichte van Michael Ende. ‘Het niets’ maakte een einde aan alle verhalen en dreigde daarmee de wereld te vernietigen. Alleen de verbeelding kon de wereld redden van het gevaar van dit ‘niets’ en stelde hiervoor in de plaats ‘het oneindige verhaal’.

Helaas is de neurokritiek grotendeels beperkt tot wat Keizer noemt de ‘slimme mensen’. ‘Er is een kleine kring die niet valt voor die neuro-hap.’ Maar het grote publiek vindt dat gepraat over het brein ‘hartstikke geinig’, denkt hij. ‘Ze genieten ervan.’ Ook Leader ziet slechts een beperkte kritische kring in de psychiatrie die zich verzet. Hij tekent bovendien aan dat nogal wat neurocritici vervallen in weer een andere manie, die van het neodarwinisme, waarbij alles wordt verklaard door de evolutie. Filosoof Raymond Tallis veegt om die reden in zijn boek Aping Mankind de vloer aan met ‘neuromanie’ én ‘darwinitis’.

Paul Verhaeghe denkt dat het ‘wij zijn ons brein’-denken nog steeds behoorlijk stevig overeind staat. Ook omdat nogal wat psychologie­faculteiten per se ‘hard’ wetenschappelijk willen worden en ‘doktertje willen spelen’. Hij verwacht dat de boegbeelden van de nieuwe neurokritiek in feite de nieuwe topneurologen zijn, zoals Jaap Panksepp, die onderzoek doet naar de neurologische basis van bijvoorbeeld empathie. Ook een wetenschapper als Antonio Damasio schetst een genuanceerd beeld in zijn boek When Self Comes to Mind.

De conclusie van Keizers boek over de ziel is dat we in feite nog geen stap verder zijn dan de dualiteit van lichaam en geest. ‘Mensen hebben me bekritiseerd omdat mijn eindconclusie is dat we het nog niet weten, maar dat is wel gewoon de waarheid’, zegt hij. Misschien is de zoektocht naar ‘de ziel’, of naar de verbinding tussen lichaam en geest, wel een nooit eindigend verhaal. Misschien is het wel een verhaal waarin verbeelding de hoofdrol speelt. En misschien is dat wel helemaal niet zo erg.

Neuromythen in het onderwijs

Simplistisch breindenken kan leiden tot een zeker defaitisme in het onderwijs. Waarom investeren in een kind als het de hersens er toch niet voor heeft? Jelle Jolles, hoogleraar neuropsychologie aan de VU en directeur van het Centrum Brein en Leren denkt dat dergelijke overtuigingen inderdaad problematisch zijn. ‘Zoals de overtuiging dat je vermogens, talenten en IQ zijn aangeboren. Of de visie dat kinderen gestimuleerd moeten worden in de richting van hun (op dat moment) meest gebruikte leerstrategie. Dergelijke visies zijn gevaarlijk omdat ze de normale ontwikkeling voor een kind kunnen afsluiten, omdat de ouder of docent een verkeerde attitude geeft’, schrijft hij in een e-mail.

Onder Jolle’s leiding werd onlangs onderzoek gedaan naar dergelijke neuromythen in het onderwijs: aannames over de werking van het brein die gebaseerd zijn op een verkeerde interpretatie van hersenonderzoek. (Neuromyths and Education: Prevalence and Predictors of Misconceptions among Teachers, Sanne Dekker, Nikki C. Lee, Paul Howard-Jones en Jelle Jolles, oktober 2012, gratis te downloaden op hersenenenleren.nl)

De onderzoekers van de VU legden leraren 32 verschillende stellingen voor over leren en de hersens; vijftien van deze stellingen waren onjuist, de zogenaamde neuromythen. Gemiddeld bleken de leraren de helft van deze neuromythen te geloven. Het grappige was dat juist leraren met een grotere algemene kennis, zoals leraren die regelmatig populair-wetenschappelijke tijdschriften lazen, eerder geneigd waren de neuromythen voor waar aan te nemen.

Voorbeelden van neuromythen zijn: ‘We gebruiken maar tien procent van onze hersens’; ‘Dominantie van een van beide hersenhelften verklaart verschillen in leren’; ‘Kinderen hebben ofwel een auditieve ofwel een visuele leerstijl’; ‘Ik heb nu eenmaal geen wiskundeknobbel’.

Kopstukken van

de nieuwe neurokritiek

Bert Keizer, verpleeghuisarts en publicist, maakt in Waar blijft de ziel (2012) gehakt van het nieuwe breindeterminisme.

Alva Noë, hoogleraar filosofie aan de University of California, Berkeley, stelt in Out of our Heads (2010) uitdagend dat het hoofd niet de plek is waar we moeten zoeken naar de geest.

Paul Verhaeghe, hoogleraar klinische psychologie en psychoanalyse aan de universiteit van Gent. Hij schrijft in Identiteit (2012) over de desastreuze gevolgen van het neoliberalisme. Hij wijst erop hoe inzichten vanuit de epigenetica laten zien dat onze identiteit onlosmakelijk verbonden is met onze omgeving.

Raymond Tallis is een bekende Britse allround filosoof, arts en schrijver. In zijn laatste boek Aping Mankind (2011) veegt hij de vloer aan met zowel ‘neuromanie’ als ‘darwinitis’.

Trudy Dehue schreef al in 2008 over de biologische focus op depressie in haar boek De depressie-epidemie. Ze onderzoekt de huidige ‘biopolitiek’, waarbij mensen steeds meer worden geacht zichzelf aan te sturen en waarbij neurobiologische kennis als een belangrijk hulpmiddel geldt.

Paulo Legrenzi, Carlo Umilta en Frances Anderson beschrijven in Neuromania (2012) de huidige neuromanie als een ‘boot die afstevent op een ijsberg, waarbij we geen idee hebben van de afmetingen van die ijsberg en van het gat dat die in onze boot zal veroorzaken’.

Darian Leader, een Britse psychoanalyticus, bepleit een menselijke benadering van psychische ziekte in zijn boek What Is Madness (2012). Hij benadrukt hoe we door de huidige biologische benadering in de psychiatrie de subjectieve beleving van patiënten uit het oog verliezen en hoe onze psychiatrische kennis van vroeger te gemakkelijk het raam uit is gegooid.

Jan Derksen betoogt in Bevrijd de psychologie (2012) dat ‘amateurbiologen’ met hun ‘hersenmythen’ de macht hebben overgenomen in de psychologie. Hij wil de psychologie bevrijden van ‘etikettenplakkerij’, waarbij elk probleem tot hersenstoornis wordt uitgeroepen en er geen oog meer is voor de kwetsbare mens.

zie groene.nl

voor Dossier Brein